click below
click below
Normal Size Small Size show me how
SBMS cursus
Oefentoets
| Question | Answer |
|---|---|
| Een 30-jarige vrouw komt op de SEH met 39 graden, pols 96/min, AF 18/min, 110/40 RR. Zij voldoet aan de SIRS criteria. | A) Juist |
| Inspiratoir piepen past het beste bij: A) lage luchtwegobstructie B) Hoge luchtwegobstructie C) Zowel hoge als lage luchtwegobstructie | B: Hoge luchtwegobstructie |
| Een tachycardie wordt gedefinieerd als een hartritme van: A) > 100/min B) >120/min C) > 150/min | A: > 100/min |
| De AVPU score is een alternatief voor de Glasgow Coma Scale (EMV). Een EMV score van 8 komt overeen met een AVPU score van: A) A B) V C) P D) U | C: P A = Alert V = reactie op verbale stimulus P = reactie op pijn U = Unresponsive |
| Wat is de meest geschikte luchtwegmanoeuvre in geval van nekletsel? A: look-listen-feel B: chin lift C: head tilt D: jaw thrust | D: jaw thrust |
| Het meest geschikte hulpmiddel bij een hoge luchtwegobstructie met intacte luchtwegreflexen (wakker) is: A: Larynxmasker B: Guedel tube C: nasofaryngeale tube D: non-rebreathing masker | C: nasofaryngeale tube |
| Wat is GEEN levensbedreigende aandoening die opgespoord dient te worden in de B van de ABCDE? A: longembolie B: spanningspneumothorax C: longoedeem D: bronchusobstructie | A: longembolie |
| Volledige cyanose treedt doorgaans pas op als de arteriële zuurstofsaturatie < 65% wordt. A) juist B) onjuist | A: juist |
| Centrale cyanose gaat altijd gepaard met perifere cyanose A: juist B: onjuist | A: juist |
| Centrale cyanose duidt meestal op een perfusiestoornis van de huid. A) juist B) onjuist | B: onjuist |
| Cyanose is kenmerkend voor een koolmonoxide vergiftiging. A) Juist B) onjuist | B: onjuist |
| In geval van een spanningspneumothorax dient de naaldthoracentese plaats te vinden. A) vlak boven de rib B) vlak onder de rib C) exact tussen de ribben in | A: vlak boven de rib |
| Pulse-oximetrie maakt goed onderscheid tussen carboxyhemoglobine en oxyhemoglobine. A) juist B) onjuist | B: onjuist |
| Pulse-oximetrie is geschikt om hypoventilatie te meten. A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| Pulse-oximetrie geeft foutief lagere waarden bij slechte perifere circulatie. A: juist B: onjuist | A: juist |
| Een pulsus paradoxus past het beste bij: A: massale longembolieën B: atriumfibrilleren C: leverfalen D; harttamponade | D: harttamponade |
| Ongelijke pupillen berust bijna altijd op een laesie in de hersenstam A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| De geadviseerde behandeling van hypoglykemie is: A: 1 gram glucose i.v. B: 10 gram glucose i.v. C: 100 gram glucose i.v. | B: 10 gram glucose i.v. |
| De AMPLE is een veelgebruikt acronym voor aanvullende informatie. De A in AMPLE staat voor: A: airway B: allergy C: assessment D: allocating symptoms | B: allergy A: Allergy M: Medication P: Past medical history L: Last meal E: Event |
| Het afmeten van de Nasopharyngeale tube wordt gedaan van: A: de kaakhoek tot snijtand B: neuspunt tot kaakhoek C: oorlel tot kaakhoek | B: neuspunt tot kaakhoek |
| Na het inbrengen van het larynxmasker ... A; ligt de tip bij het begin van de trachea B: is de luchtweg eveneens beschermd tegen aspiratie C: moet deze 180 graden geroteerd worden D: ligt de tip bij het begin van de oesofagus | D: ligt de tip bij het begin van de oesophagus |
| Een succesvolle kapbeademing is afhankelijk van een aantal factoren. Hiertoe behoort NIET: A: BMI < 20 B: een vrije ademweg C: adequate afsluiting van het gelaat met het masker D: adequate ventilatie techniek zoals juiste volume, frequentie en ritme | A: BMI < 20 Moeilijke kapbeademing: O: obese B: beard E: elderly S: sleep apneu, secretions E: edentulous |
| De aanwezigheid van longsliding bij echografie van de longen sluit een pneumothorax ter plaatse uit. A: juist B: onjuist | A: juist |
| De A-a gradient geeft het verschil tussen de pO2 in de alveoli en het bloed. Een verhoogde A-a wijst NIET op: A: diffusiestoornis B: rechts/links shunt C: ventilatie-perfusie mismatch D: centrale hypoventilatie | D: centrale hypoventilatie |
| Zuurstof dient voorzichtig te worden toegediend bij patienten met ernstig COPD vanwege het risico op hypercapnie. De streefsaturatie bedraagt dan: A: 84-88% B: 88-92% C: 92-96% | B: 88-92% |
| Welke gegeven is het sterkst voorspellend voor hartfalen? A: aanwezigheid van een derde harttoon B: voorgeschiedenis van hartfalen C: beiderzijds crediteren over de longen D; perifeer oedeem | A: aanwezigheid van een derde harttoon |
| Een normale X-thorax sluit hartfalen nagenoeg uit. A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| De belangrijkste behandeling van acuut hartfalen is: A: furosemide B: nitroglycerine C: morfine D: ACE-remmer | B: nitroglycerine |
| De mortaliteit van een community acquired pneumonie met een CURB-65 score van 5 bedraagt ongeveer: A) 1% B) 10% C) 25% D) >50% | D: >50% |
| Type 1 respiratoir falen kenmerkt zich door: A: hypoxemie zonder hypercapnie B: hypoxemie met hypercapnie C: hypoxemie met normale A-a gradient | A: hypoxemie zonder hypercapnie Type 1 is hypoxemie zonder hypercapnie, meestal door een ventilatie-perfusie mismatch of shunt Type 2 is hypoxemie met hypercapnie, meestal door verminderde alveolaire ventilatie. |
| Welk is ONJUIST A) normale P-top is positief in afleiding II B) een U-golf is zichtbaar NA de T-top C) Het QT-interval wordt gemeten van begin van het QRS-complex tot aan de T-top D) Als het QRS positief is in afleiding I en II is de hartas normaal | C: het QT-interval wordt gemeten van begin van het QRS-complex tot aan de T-top |
| Hoe noemen we het AV-blok waarbij toename van het PR interval totdat een P-top niet meer wordt gevolgd, waarna dit opnieuw plaatsvindt? A) 1e graad AV blok B) 2e graad AV blok Mobitz I C) 2e graad AV blok Mobitz II D) 3e graad AV blok | B) tweede graad AV Blok Mobitz I |
| Een voorwandinfarct kenmerkt zich door ST-elevatie in: A: V1-V6 B: II, III en aVF C: I, aVL, V5 en V6 | A: V1-V6 |
| De belangrijkste succesfactor in een reanimatie is: A) adequate BLS B) snelle intubatie en beademing C) defibrilatie D) snel toedienen van adrenaline | A: adequate BLS |
| Het is belangrijk om bij VF eerst te voelen of er output is omdat dit zowel gepaard kan gaan met alls zonder output. A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| Bij het shockbare protocol dient adrenaline direct na de derde shock gegeven te worden. A: juist B: onjuist | A: juist |
| Het optreden van pseudoPEA tijdens de reanimatie kent een mortaliteit van nagenoeg 100%; A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| In geval van een reanimatie bij hypothermie dient bij een temp tussen de 30 en 35 graden de medicatie met dubbele intervallen gegeven te worden A: juist B: onjuist | A: juist |
| Pijn op de borst met neurologische uitval past het beste bij: A: massale longembolieen B: een CVA C: een myocardinfarct D: een aortadissectie | D: een aortadissectie |
| Een 63 jarige man, bekend met hypertensie, heeft hevige, acuut ontstane pijn tussen de schouderbladen. De D-dimeer is normaal. Aanvullend onderzoek naar een aortadissectie hoeft niet meer te worden verricht. A) juist B) onjuist | B: onjuist |
| Een 22-jarige vrouw komt op de SEH met thoracale pijn. De Wells score is 3. Het ECG en de D-dimeer zijn normaal. Aanvullend onderzoek naar longembolieën kan veilig achterwege worden gelaten. A: Juist B: onjuist | A: juist |
| Kenmerkend voor een pericarditis is diffuse ST-elevatie met reciproke depressie in de onderwand. A; juist B; onjuist | B: onjuist |
| Spoedechografie is een belangrijk hulpmiddel bij ongedifferentieerde shock. Een wijde, niet-collaberende vena cava past het best bij een: A: hypovolemische shock B: distributieve shock C: neurogene shock D: obstructieve shock | D: obstructieve shock |
| Een 45-jarige man komt met bloedbraken. Hij heeft een vrije ademweg, ademfreq 36/min, pols 145/min, klamme, zweterige huid en bloeddruk 90/45. Bij welke graad bloedverlies past dit het beste? A: graad 1 B: graad 2 C: graad 3 D: graad 4 | D: graad 4 1: < 0,75L. Tachycard<100 2: 0,75 - 1,5L. Tachycard>100. Normale RR. Trage CRT. Tachypnoe 20-30/min 3: 1,5-2.0L.Tachycard>120. RR verlaagd. Tachypnoe>30. Oligurie<15/uur 4: > 2L. Tachycard>140.LageRR,Zweet,Tachypnoe>35,anuur,comateus |
| Patient met actief helder bloedverlies rectaal. Pols 90/min. CRT 2 sec. RR 150/90. Het beleid is A: direct coloscopie nu patient stabiel B: zn bloedtransfusie; hopen bloeding stopt C: Spoed CT-angio D: pantoprazol iv, octreotide iv en gekruisd bloed | B: zo nodig bloedtransfusie en hopen dat de bloeding zelf stopt |
| Wat is GEEN onderdeel van de qSOFA criteria voor sepsis? A: bloeddruk < 100 mmHg B: ademfreq > 22/min C: pols > 90/min D: veranderd bewustzijn | C: pols > 90/min qSOFA score: RR < 100 mmHg systolisch = 1 punt Ademfreq > 22/min = 1 punt Veranderd bewustzijn (EMV < 15) = 1 punt |
| Het toedienen van corticosteroïden is bewezen zinvol bij sepsis: A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| Er komt een patient op de SEH met anafylaxie. De behandeling bestaat uit clemastine 2 mg i.v. met: A) Adrenaline 1 mg i.m B) adrenaline 0,5mg i.m. C) adrenaline 1mg i.v. D) adrenaline 0,5mg i.v. | B: adrenaline 0,5mg i.m. |
| Een 19-jarige jongen komt op de SEH ivm een regelmatige smal complex tachycardie van 185 slagen per minuut. Dit past het beste bij: A) atriumfibrilleren B) een SVT C) een sinustachycardie D) een SVT met aberrantie | C: een sinustachycardie |
| Een patient heeft een breed complex tachycardie. U ziet op het ECG AV dissociatie en fusiecomplexen. Dit pleit sterk voor een VT in plaats van een SVT. A: Juist B: Onjuist | A: juist |
| In geval van een bradycardie kan atropine worden overwogen. Hiervoor wordt gezocht naar adverse signs. Welke behoort hier NIET toe? A: shock B: syncope C: pols < 40/min D: hartfalen | C: pols < 40/min |
| Een 23-jarige man komt met hoofdpijn en koorts. Bij lichamelijk onderzoek is er geen 'jolt accentuation' en zijn de tekenen van Kernig en Brudzinski negatief. Een meningitis is nu zeer onwaarschijnlijk. A: juist B: onjuist | B: Onjuist, het is wel minder waarschijnlijk |
| Een patient met een CVA heeft op het ECG ST depressie en negatieve T-toppen. Dit is nieuw ten opzichte van een ECG een jaar eerder. Deze afwijkingen kunnen secundair zijn aan het CVA. A: juist B: onjuist | A: juist |
| Een patient heeft een insult dat 7 minuten duurt. Er is i.v. toegang. De eerste keuze behandeling is: A: Afwachten, meestal gaat het vanzelf over. B: Diazepam rectiole 10mg C: Lorazepam 0,4mg i.v. D: Midazolam 5mg i.v. | D: midazolam 5.mg i.v. |
| Er zijn een aantal vragen om onderscheid te kunnen maken tussen epilepsie en syncope. Voor epilepsie pleit: A: transpiratie voor een aanval B: verwardheid na een aanval C: aanval tijdens lang zitten D: licht gevoel in hoofd rond aanval | B: verwardheid na een aanval |
| Diverse factoren onderscheiden een hoog risico syncope van een laag risico syncope. Voor een laag risico syncope pleit: A: leeftijd > 60 jaar B: bekende cardiale voorgeschiedenis C: milde maar niet significante ECG afwijkingen D: eerder syncope gehad | D: eerder syncope gehad |
| Vertigo gepaard gaande met gespaard looppatroon past meer bij een: A: perifere oorzaak van de vertigo B: centrale oorzaak van de vertigo | A: perifere oorzaak van de vertigo |
| Wat zijn alarmsignalen bij hoofdpijn en vereisen daarmee direct een CT-hersenen en/of LP? A: hoofdpijn met braken B: BSE > 100 C: plots hoofdpijn bij een patient > 50 jaar D: sensibele stoornissen vooraf | C: plots hoofdpijn bij een patient > 50 jaar |
| Een patient wordt gezien met koorts na tropenbezoek. Welke vorm van malaria is het meest bedreigend? A: malaria quartana B: malaria tropica C: malaria tertiana D: malaria op basis van een plasmodium viva | B: malaria tropica |
| Welke verschijnselen passen het beste bij een cholinerg toxidroom? A: mydriasis, hyperthermie, tachycardie B: miosis, salivatie, bradycardie C: miosis, bradypnoe, hypoventilatie D: mydriasis, hypertensie, diaforese | B: miosis, salivatie, bradycardie |
| Heroine gebruiker met EMV 8, een ademfreq 11/min, snurkt niet en normaal bloedgas. De behandeling is: A: observatie met bewaking vitale functies en controle bloedgas B: 0,4 mg naloxon C: 0,4mg flumazenil D: intubatie en mechanische beademing | A: observatie met bewaking van de vitale functies en controle bloedgas |
| De belangrijkste afwijking op het ECG bij een overdosis met tricyclische antidepressiva is: A: QTc verlenging B: PR verkorting C: QRS verbreding D: ST depressie | C: QRS verbreding |
| Welke aandoening geeft een normale aniongap metabole acidose? A; lactaatacidose B: ketoacidose C: metanolintoxicatie D: diarree | D: diarree |
| De behandeling van een intoxicatie met calciumantagonisten bestaat onder meer uit: A: het toedienen van Fab fragmenten B: Het toedienen van hoge dosis insuline met glucose C: het toedienen van Fomepizol D: Er is geen specifieke behandeling/antidotum | B: het toedienen van hoge dosis insuline met glucose |
| Een patient heeft 12 uur geleden een overdosis paracetamol gehad. Het bloedonderzoek toont normale leverwaarden. Het risico om alsnog leverwaarden te ontwikkelen in nagenoeg nihil. A: juist B: onjuist | B: onjuist |
| Salivatie past bij het cholinerg toxidroom A) Juist B) Onjuist | A: Juist Dit syndroom ontstaat door een overmaat aan acetylcholine. ezelsbruggetje SLUDGE: Salivation (speekselvloed) Lacrimation (tranenvloed) Urination Defecation Gastro-intestinale klachten (krampen, diarree) Emesis (braken) |
| Bij een XTC intoxicatie past: A) hypothermie, bradycardie, hypotensie, miosis B) hypothermie, tachycardie, hypertensie, mydraisis C) hyperthermie, bradycardie, hypertensie, miosis D) hyperthermie, tachycardie, hypertensie, mydriasis | D) Bij een XTC (MDMA) intoxicatie zie je een sympathicomimetisch toxidroom, met typische kenmerken: Hypertensie Tachycardie Hyperthermie (vaak belangrijk, ook al staat het niet netjes in optie D) Mydriasis (wijde pupillen) |
| Bij een CVA wordt op het ECG soms ST depressie met negatieve T-toppen gezien A) Juist B) Onjuist | A) Juist Bij een CVA kunnen er ECG-afwijkingen optreden, waaronder: ST-depressies Negatieve T-toppen Soms QT-verlenging of ritmestoornissen Dit komt door een verstoring van het autonome zenuwstelsel wat invloed heeft op de hartfunctie. |
| Corticosteroïden maken onderdeel uit van de behandeling van sepsis A) Juist B) Onjuist | A) Juist Bij sepsis slaat het immuunsysteem op hol. Corticosteroïden remmen die overdreven ontsteking, zodat schade aan organen minder wordt. |
| Atropine is geïndiceerd bij een bradycardie van 30/min A) Juist B) Onjuist | A) Juist (bradycardie 30/min is veelal symptomatisch) Bij symptomatische bradycardie: ➤ Eerst atropine ➤ Werkt dat niet →isoprenaline of pacing ➤ Pas later eventueel adrenaline (bij instabiliteit/shock) Adrenaline is voor ernstigere situaties |
| Een heroine gebruiker wordt meestal expectatief behandeld A) Juist B) Onjuist | A) Juist Naloxon kan acute ontwenningsverschijnselen veroorzaken wat kan leiden tot: agitatie, braken of agressie. Dus: alleen geven als het echt nodig is - Stabiele patiënt → expectatief - Instabiel / ademhalingsdepressie → naloxon |
| PseudoPEA heeft een mortaliteit van nagenoeg 100% A) Juist B) onjuist | B) Onjuist Pseudo-Pulseless Electrical Activity: op de monitor elektrische activiteit én er is nog (zwakke) hartactiviteit, maar geen palpabele pols. Het hart pompt nog een beetje; er is kans op herstel Vaak reversibele oorzaken (hypovolemie, tamponade) |
| In geval van ventrikelfibrilleren bij hypothermie < 28 graden Celsius moet men vaker defibrilleren dan elke 2 minuten gezien de slechte respons van het onderkoelde myocardweefsel op defibrilleren. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Het hart is bij hypothermie minder prikkelbaar en extra schokken hebben weinig effect. Kan zelfs mogelijk schade geven. Maximaal 3 defibrillaties, daarna: reanimatie en opwarmen. Nog een schok bij temperatuur > ~30 °C |
| Bij hitte-uitputting is er vaker sprake van hypernatriemie dan van hyponatriemie. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Bij hitte verlies je zout én water via zweten. Daarnaast ga je veel drinken; vaak vooral water (zonder zout). Met als gevolg verdunning van natrium in het bloed → hyponatriëmie. |
| Bij een cocaine intoxicatie heeft een afwijkend ECG een hoge positief voorspellende waarde voor de diagnose acuut coronair syndroom A) Juist B) Onjuist | A) Juist Cocaïne kan: coronair vasospasme veroorzaken, trombose bevorderen en zuurstofaanbod verminderen. Dit verhoogt de kans op myocardischemie en infarct. |
| Auto-intoxicatie met hypno-sedatief toxicdroom en verlaagde EMV score. Lege strip oxazepam gevonden. Empirische behandeling met flumazenil (Anexate) i.v. is bij deze patiente geïndiceerd. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Flumazenil kan plots de “rem” weghalen in de hersenen, wat bij sommige patiënten insulten kan uitlokken Een overdosis is vaak gemengd, Flumazenil is dan onvoorspelbaar. Bij chronisch oxazepam acute onthouding door Flumazenil Meestal is he |
| Bepaalde substanties worden niet goed geadsorbeerd door actieve kool. Na welke intoxicatie is toediening van actieve kool daarom niet zinvol? A) Lithium B) Theofylline C C) Verapamil D) Acetylsalicylzuur | A) Lithium Actieve kool bindt veel organische stoffen in het maag-darmkanaal, maar werkt niet goed bij bepaalde stoffen zoals kleine ionen en metalen. Lithium (lithium) is een klein ion. |
| Een patient is verward. Hij heeft een rode, droge huid en wijde pupillen. Welk toxidroom heeft deze patient het meest waarschijnlijk? A) Cholinerg B) Anticholinerg C) Sympathicomimetisch D) Narcotisch | B) Anticholinerg Cholinerg → zweten, speekselvloed, miosis Sympathicomimetisch → mydriasis en agitatie, maar meestal zweet men juist (niet droog) Narcotisch (opioïden) → miosis en sufheid |
| Een patient met koorts blijkt te lage neutrofiele granulocyten te hebben. Waar ligt de grens wanneer men spreekt van koorts bij neutropenie? Neutrofiele granulocyten kleiner dan: A) 1.0 x 109/l B) 0.5 x 109/l C) 0.1 x 109/l | B) 0.5 x 109/l Onder 0.5 × 10⁹/L is de afweer ernstig verminderd → hoog risico op ernstige infecties → spoedsituatie. |
| patienten met buiktyfus hebben in het merendeel van de gevallen diarree A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist In de vroege fase vooral obstipatie met daarnaast koorts, algemene malaise en buikpijn. |
| 33 jarige patiente met hoofdpijn. De neuroloog constateert papiloedeem. Welk van de ziektebeelden is nu het minst waarschijnlijk? A) Hypertensief spoedgeval B) Cerebrale veneuze trombose C) Meningitis D) idiopathische intra-craniele hypertensie | A) Hypertensief spoedgeval Papiloedeem wijst op verhoogde intracraniële druk. Dit zie je klassiek bij aandoeningen die de druk binnen de schedel verhogen. |
| Wat is een kenmerk van hoofdpijn tgv intracraniele hypertensie A) Afname bij liggen B) Toename bij wakker worden | B) Toename bij wakker worden Verhoogde intracraniele druk geeft meer klachten van hoofdpijn |
| Vertigo met misselijkheid en braken. Horizontale nystagmus die vermoeibaar is en afneem bij fixatie. Meest waarschijnlijk sprake van: A) centrale vertigo B) perifere vertigo | B) perifere vertigo Perifere vertigo: Vertigo met misselijkheid en braken → vaak hevig bij perifere oorzaken Horizontale nystagmus → typisch perifeer Vermoeibare nystagmus → neemt af in tijd Afname bij fixatie → klassiek voor perifere vertigo |
| Patient met hartfalen en PCI komt met syncope bij toiletgang. ECG gb. Lab met cardiale enzymen gb. Het meest aangewezen beleid is ontslag naar huis met WD mictiesyncope. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Richtlijn: Observatie of ziekenhuisopname Cardiale monitoring Eventueel aanvullend onderzoek (bijv. Holter, echocardiografie) Bij een cardiopathische achtergrond mag je niet zomaar naar huis met de aanname van “WD mictiesyncope”. |
| 56-jarige man met syncope. Geen prodromale symptomen. Was erg bleek, maar kleurde weer snel bij waarna hij weer bij bewustzijn kwam. Meest waarschijnlijk A) Drop attack B) Ritmestoonis C) TIA D) Epileptisch insult | B) Ritmestoornis Plotselinge daling van cardiac output → cerebrale hypoperfusie Geen prodromale symptomen Snel herstel zodra ritme normaliseert Drop attack → geen bewustzijnsverlies TIA → geeft geen bewustzijnsverlies (wel neurologische uitval) |
| Orthostatische hypotensie wordt gedefinieerd als een systolische bloeddrukdaling bij gaan staan van minimaal: A) 10 mmHg B) 20 mmHg C) 30 mmHg | B) 20 mmHg Orthostatische hypotensie wordt gedefinieerd als: een daling van de systolische bloeddruk met ≥ 20 mmHg of een daling van de diastolische bloeddruk met ≥ 10 mmHg binnen 3 minuten na opstaan. |
| 21 jarige patiënte met een onwelwording in de supermarkt. Vriend heeft trekkingen gezien. Na 5 minuten was patiënte weer goed bij, helder en adequaat. Geen tongbeet of incontinentie. A) Epileptisch insult B) Syncope C) Ritmestoornis D) Hypomagnesiëmie | B) Syncope Kenmerken: Onwelwording in een situatie zoals een supermarkt (prikkel, staan) Kort bewustzijnsverlies <5 min Snel herstel;daarna helder en adequaat Geen tongbeet/incontinentie Was syncope+mogelijk korte myoclonieën (convulsieve syncope) |
| Een TIA is een alarmsignaal; een groot deel krijgt CVA. Risicostratificatie is mogelijk met het ABCD model. Welke factor is geen hoog-risico factor voor CVA A) Hypertensie B) Diabetes mellitus C) TIA met sensibele uitval D) Duur symptomen > 1 uur | C) TIA met sensibele uitval De belangrijkste hoog-risico factoren zijn: Age ≥ 60 jaar Bloeddruk (hypertensie) Clinical features (motorische uitval scoort hoger dan alleen sensibel) Duur (≥ 60 minuten = hoger risico) DM |
| 64 jarige man met acuut CVA. Op ECG ST-segment depressie en negatieve T-toppen voorwand en onderwand. Beleid rond mogelijke cardiale problematiek? A) Ritmebewaking B) Acetylsalicylzuur, clopidrogel en heparine C) Percutane coronaire interventie | A) Ritmebewaking Bij een acuut CVA is cardiale complicatie een belangrijke oorzaak van mortaliteit: ECG toont ischemische veranderingen (ST-depressie, negatieve T-toppen) Dit kan stressischemie zijn. |
| Een patiënt presenteert zich met hoofdpijn, braken en reukhallucinaties. Daarnaast vertoont hij “raar” gedrag. Welke diagnose is nu het meest waarschijnlijk? A) Encefalitis B) Psychose C) Cocaïne intoxicatie D) Subarachnoidale bloeding | A) Encefalitis Hoofdpijn en braken → tekenen van verhoogde intracraniële druk / ontsteking Hallucinaties en gedragsveranderingen → betrokkenheid van temporale kwab (typisch bij herpesencefalitis) Acute onset → past bij infectie |
| Een regelmatige smal complextachycardie van 180 slagen/min is een atriale flutter tot het tegendeel bewezen is A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Een regelmatige smal complextachycardie van 150 slagen/min is een atriale flutter tot het tegendeel bewezen is. Dus geen 180/min! |
| Patiënt met regulaire smal complex tachycardie. RR 95/65 mmHg, pols 180/min, verminderd aanspreekbaar EMV 12. Welke behandeling volgens de European Resuscitation Counsil nu het meest in aanmerking? A) Cardioversie B) Adenosine 6 mg C) Verapamil 5 mg | A) Cardioversie |
| In het bradycardie algoritme van de European Resuscitation Counsil worden enkele ongunstige tekenen onderscheiden, waarbij atropine is geïndiceerd. Voor welk teken geldt dit NIET? A) Shock B) Myocardischemie C) Ademhalingsfrequentie >30/min | C) Ademhalingsfrequentie > 30/min Adverse features: - Shock - Syncope - Myocardial ischaemie - Heart failure --> atropine 500mcg i.v. |
| Welke van onderstaande ziektebeelden is het minst een oorzaak van obstructieve shock? A) Harttamponade B) Longembolie C) Aortastenose D) Spanningspneumothorax | C) Aortastenose |
| Een patiënt heeft een ernstige anafylactische reactie met forse bronchusobstructie en milde stridor. Wat is de meest aangewezen eerste behandeling? A) Albutamol vernevelingen B) Adrenaline i.m. C) Antihistamine i.v. D) Corticosteroïden i.v. | B) Adrenaline i.m. |
| Welk van onderstaande kenmerken is geen kenmerkend symptoom van een harttamponade? A) Dyspnoe B) Tachycardie C) Pulse deficit D) Verhoogde CVD | C) Pulse defecit Een pulse deficit betekent dat niet elke hartslag die het hart maakt voelbaar is aan de pols. |
| Een 78 jarige man presenteert zich met koorts 39 graden en dysurieklachten. De pols is 96/min, de bloeddruk 130/90mmHg. Hij is verward en heeft een koude acra. De ademfrequentie bedraagt 20/minuut. Deze man heeft shock. A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Patiënt met bloedbraken. LO: onrustige patiënt, AF 26/min, RR 118/94 mmHg, pols 110/min, CRT 4 seconden. Ernst van de shock? A) Graad 2, bloedverlies 0.75-1.5 ltr B) Graad 3, bloedverlies 1.5-2.0 ltr C) Graad 4, bloedverlies > 2.0 ltr | A) Graad 2, bloedverlies 0,75-1,5 liter |
| Een patiënt met retrosternale pijn heeft diffuse ST-elevatie op het ECG met PR-depressie. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Diffuse coronairischemie B) Pericarditis C) Longembolie | B) Pericarditis Bij pericarditis is de ST-elevatie meestal diffuus. PR-depressie is een klassiek ECG-teken van pericarditis. Het komt door een ontsteking van het pericard, wat invloed heeft op de elektrische activiteit van het hart, vooral de atria. |
| Welke vorm van uitstralende pijn maakt de kans op een myocardinfarct als oorzaak van pijn op de borst het grootst: A) Pijn in de linker arm B) Pijn in de rechter arm C) Pijn in beide armen | C) Pijn in beide armen |
| Subacuut pijn in de linker flank, vast aan ademhaling. Droge hoest, geen sputum. LO: dyspnoeisch, af 28/min, sat 90%, RR 100/70, pols 120 irregulair, temp 38.4 °C.. ECG: AF, RBTB en S1Q3T3 patroon. A) Longembolie B) Pneumonie C) Myopericarditis | A) Longembolie |
| Een patiënt met een aortadissectie heeft hypertensie: RR 170/110 mmHg. Wat is de meest geschikte behandeling? A) Nitroglycerine B) Enalapril C) Labetolol | C) Labetolol |
| Een 70-jarige man heeft acute thoracale pijn met krachtsverlies van de linker arm. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Longembolie B) Myocardinfarct C) Aortadissectie | C) Aortadissectie |
| Hoe vaak dient de aanwezigheid van vaatpulsaties tijdens een reanimatie procedure volgens BLS te worden gecontroleeerd? A) Na elke cyclus van 30 borstcompressies B) Na elke cyclus van 2 minuten BLS C) Geen controle vaatpulsaties | C) Geen controle vaatpulsaties |
| Na een defibrillatie is het belangrijk om direct het ritme te bepalen voordat men de thoraxcompressies continueert. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Direct doorgaan met compressies houdt de circulatie op gang en verhoogt de kans op succesvolle reanimatie Ritmecheck direct na shock: veroorzaakt onnodige onderbreking en verlaagt de overlevingskans |
| Tijdens een reanimatie dient actief gezocht te worden naar behandelbare oorzaken / bijdragende factoren aan een hartstilstand. Welke van onderstaande factoren is hierbij het meest relevant? A) Longembolie B) Randpneumothorax C) Pneumonie | A) Longembolie |
| Bij een patiënt met een respiratoir falen met apnoe is behandeling met CPAP geïndiceerd. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist CPAP = ondersteuning bij eigen ademhaling Apnoe = geen ademhaling → actieve beademing nodig |
| Type 2 respiratoir falen wordt gekenmerkt door hypoxie met hypercapnie. Dit wordt in het merendeel van de gevallen veroorzaakt door: A) Ventilatie-perfusie mismatch B) Shunt C) Hypoventilatie | C) Hypoventilatie |
| Een normale X-thorax sluit hartfalen nagenoeg uit. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist |
| Welke van onderstaande bevindingen verhoogt de kans op aanwezigheid van hartfalen het meest: A) Voorgeschiedenis van coronairlijden B) Perifeer oedeem C) Aanwezigheid van 3e harttoon D) Crepiteren over de longen | C) Aanwezigheid van 3e harttoon |
| De meest geschikte behandeling van silent chest bij astma-exacerbatie: A) Hoge dosis steroïden i.v. B) Vernevelingen met beta-agonisten zoals salbutamol C) 15L zuurstof via non-rebreathingmasker en Guedel tube D) Intubatie en mechanische beademing | D) intubatie en mechanische beademing |
| Een 20-jarige man met astma komt op de SEH in verband met dyspnoe. Arteriële bloedgas: pH 7.50, pCO2 4.0 kPa, pO2 12.0 kPa, bic 22 mol/l, sat 95 %. De alveolaire-arteriële zuurstofgradiënt is bij deze man verhoogd. A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Het voordeel van een AMBU ballon boven een Waters-set is: A) Beter geschikt voor patiënten met obesitas B) Geen hoge zuurstofflow nodig om te kunnen ventileren C) Door regelbaar ventiel betere afstelling op wat patiënt zelf nog ademt | B) geen hoge zuurstofflow nodig om te kunnen ventileren |
| Welke van onderstaande factoren is het minst een voorspeller van een moeilijke of onmogelijke kapbeademing? A) Baard B) Beperkte protrusie van de kaak C) Chronische bronchitis D) Slaap apnoe | C) Chronische bronchitis |
| Opiaatintoxicatie. EMV 3, ademfreq 7x/min, nauwe pupillen, glucose is 6.3l. Heeft gebraakt. Behandeling: A)15L NRM+luchtwegmanoeuvre+Guedel B) 15L NRM+Nalaxon C) 15L NRM+luchtwegmanoeuvre+Guedel+Nalaxon D) Intubatie+mechanische beademing | D) Intubatie en mechanische beademing Wegens het risico op aspiratie bij braken |
| Ongelijke pupilgrootte duidt bijna altijd op een laesie in de hersenen. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist |
| In de ABCDE staat de D voor disability. In de primary assessment levensbedreigende ziekten met behandelconsequenties met probleem in bewustzijn geven. Hiertoe behoort NIET: A) Hypoglykemie B) Status epilepticus C) Encefalitis D) Opiaatintoxicatie | C) Encefalitis |
| Centrale cyanose treedt regelmatig op zonder de aanwezigheid van perifere cyanose. A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist |
| In geval van een wakkere patiënt met een matig vrije luchtweg heeft een nasopharyngeale tube de voorkeur boven een oropharyngeale tube (Guedel). A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Een patiënt reageert op toedienen van een pijnprikkel met openen van de ogen, normaal buigen en kreunen. De EMV score bedraagt: A) 9 B) 8 C) 7 | B) 8 E: eyes M: motor V: verbal |
| Een verhoogde CVD wordt het minst frequent gevonden bij: A) Rechter ventrikel infarct B) Mitralisinsufficiëntie C) Constrictieve pericarditis | B) mitralisinsufficientie |
| De wijze van zuurstoftoediening bepaalt de bereikte inspiratoire zuurstoffractie (FIO2). 3. De bereikte FIO2 met een venturi masker met 12-15 ltr O2/minuut bedraagt: A) 24-60% B) 60-80% C) 80-100% | A) 24-60% |
| Bij welke van onderstaande ziektebeelden dient met het meest alert te zijn op een letsel van de cervicale wervelkolom? A) Syndroom van Down B) Myasthenia gravis C) Slaap apnoe syndroom | A) Syndroom van Down |
| Een vrouw met buikpijn komt op de SEH. Lichamelijk onderzoek bij triage: ademhalingsfrequentie 18/min, bloeddruk 90/60 mmHg, pols 96/min, temp 38.4. Zij voldoet aan de criteria van een systemic inflammatory response syndrome (SIRS). A) Juist B) Onjuist | A) Juist SIRS wordt vastgesteld bij ≥2 van de volgende criteria: Temperatuur >38°C of <36°C → 38.4°C ✔ Hartfrequentie >90/min → 96/min ✔ Ademhalingsfrequentie >20/min of PaCO₂ <32 mmHg → 18/min✖ Leukocyten afwijkend (niet gegeven) |
| Acute hypokaliëmie wordt doorgaans behandeld middels: A) Resonium B) Slow K C) Kaliumdrank D) Insuline | B) kaliumdrank Bij acute hypokaliëmie geef je kaliumsuppletie, meestal: oraal (bijv. kaliumdrank) bij milde–matige klachten intraveneus bij ernstige of symptomatische hypokaliëmie |
| Diabetische ketoacidose dient te worden behandeld middels: A) 1L NaCl infuus in 1 uur inclusief KCl op basis van serumkalium + insuline 0.04-0.07 EH/kg/uur B) 10ml Calciumgluconaat 10% + 10EH insuline in 50 mL 50% glucose | A) Bij DKA bestaat de behandeling uit: Snelle vochtresuscitatie (bijv. 0.9% NaCl, vaak 1 L in het eerste uur) Kaliumsuppletie (KCl) afhankelijk van serumkalium Continue insuline-infusie (± 0.04–0.1 EH/kg/uur) B is voor hyperkaliëmie, niet voor DKA |
| Een hoge Mallampati score binnen de LEMON criteria betekent: A) Makkelijke intubatie B) Moeilijke intubatie | B) Moeilijk LEMON-criteria staat de Mallampati-score voor hoe goed je de orofarynx kunt zien bij mondwijdte. Hoge Mallampati-score (klasse III–IV) → weinig zicht op de uvula en tonsillen Lage Mallampati-score (klasse I–II) → goede zichtbaarheid |
| Wat past niet bij een subarachnoïdale bloeding: A) Traumatische causaliteit B) Thunderclap hoofdpijn C) Presentatie tijdens inspanning D) Associatie met aneurysma | A) traumatische causaliteit Een SAB ontstaat meestal spontaan, vaak bij een verhoogde tensie (dus bij inspanning). Met als meest voorkomende oorzaak een aneurysma. |
| Eclampsie komt alleen voor bij zwangere vrouwen: A) Juist B) Onjuist | A)Juist Eclampsie is gedefinieerd als: Tonisch-clonische aanvallen bij een vrouw met pre-eclampsie (hypertensie + eiwiturie) Treedt uitsluitend tijdens de zwangerschap of kort na de bevalling (meestal tot 6 weken postpartum) |
| Labetalol 0,25-0,5 mg/kg bolus voorafgaand aan trombolyse bij CVA moet worden gedaan indien: A) RR >185/110 mmHg tweemaal gemeten B) RR >210/110 mmHg tweemaal gemeten | A) > 185/110 mmHg 2x Bij een acuut CVA wordt trombolyse toegepast, maar de bloeddruk moet gecontroleerd worden om complicaties als hersenoedeem of intracraniële bloeding te voorkomen. Richtlijn bloeddruk <185/110mmHg voordat trombolyse wordt gestart |
| De behandeling van encefalitis bestaat uit: A) Antivirale medicatie B) Antibiotica C) Benzodiazepines D) Expectatief | A) antivirale medicatie De behandeling van encefalitis hangt sterk af van de oorzaak, maar bij viraal veroorzaakte encefalitis (bijv. HSV-encefalitis) = meestvoorkomend, wordt antivirale medicatie zoals aciclovir gebruikt. |
| Niet responsieve hypovolemische shock kan bij: A) Cushing B) Addison | B) Addison Addison's → bijnierschorsinsufficiëntie → verminderde productie van aldosteron en cortisol → slecht reageren op vochtbehandeling en vasopressoren zonder aanvullende steroïden. |
| Wat hoort niet bij de 4 T’s: A) Tachycardie B) Trombose C) Tamponade D) Toxinen | A) Tachycardie 4 T's: Trombose coronaria Trombose pulmonalis Toxines Tamponade |
| Wat hoort niet bij de 4 H’s: A) Hypoxie B) Hypothermie C) Hyperventilatie D) Hypovolemie | C) Hyperventilatie 4 H's: Hypoxie Hypovolemie Hypothermie Hyperkaliëmie / Hypokaliëmie |
| Verhoogde intracraniële druk is de enige oorzaak van papiloedeem: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Meestal wel, maar soms ook: Optische neuritis Toxische of metabole factoren (bijv. alcoholintox, medicijnen) Systeemziekten zoals hypertensie (langdurig) Aandoeningen oogzenuw (bijv. papilletumoren) |
| De aniongap is normaal tussen de -6 en -12: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Een normale anion gap ligt meestal tussen 8 en 12 mEq/L, afhankelijk van het gebruikte referentiegebied en de labwaarden. |
| Bij een hitteberoerte is de temperatuur doorgaans >40 graden Celcius: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Bij een hitteberoerte is de lichaamstemperatuur doorgaans hoger dan 40°C (104°F). Dit is een ernstige medische noodsituatie waarbij het lichaam niet in staat is om zijn temperatuur te reguleren, vaak door extreme hitte en/of inspanning. |
| Een Osborne golf op het ECG past bij: A) Hypothermie B) Hypocalciëmie C) Hypofosfatemie | A) hypothermie Een Osborne-golf (ook wel bekend als de J-golf) is een kenmerkend ECG-teken dat typisch wordt gezien bij hypothermie. Het is een zachte, positieve deflectie die optreedt aan het einde van de QRS-complex en net voor de ST-segment |
| Daling van de bloeddruk volgt eerder dan stijging van de hartfrequentie: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist De hartfrequentie stijgt eerst, en pas later daalt de bloeddruk |
| Het beoordelen van nekstijfheid hoort bij de D in de primary survey: A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Unilaterale pupildilatatie past bij inklemming door een ruimte innemend proces aan de contralaterale zijde: A) Juist B) Onjuist | B) onjuist Bij een inklemming (uncale herniatie) door een ruimte-innemend proces zie je juist: ipsilaterale pupildilatatie (aan dezelfde kant als het proces) Dit komt door compressie van de nervus oculomotorius (n. III) aan die zijde. |
| Het Brugada syndroom is geassocieerd met torsade des pointes: A) Juist B) Onjuist | B) onjuist Het Brugada-syndroom is vooral geassocieerd met: ventrikeltachycardie ventrikelfibrilleren Niet met torsade de pointes. Torsade de pointes hoort typisch bij: verlengd QT-interval (bijv. congenitaal of medicatie-geïnduceerd) |
| Een verhoogde CVD wordt gezien bij zowel een harttamponade als spanningspneumothorax: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Harttamponade → vocht in het pericard belemmert vulling van het hart → stuwing in de veneuze circulatie → ↑ CVD Spanningspneumothorax → verhoogde intrathoracale druk belemmert veneuze return → ↑ CVD |
| Bij graad 2 bloedverlies is er meestal sprake van hypotensie A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Bij graad 2 zie je meestal nog compensatie (tachycardie, lichte angst, eventueel lichte orthostatische klachten), maar geen hypotensie. Hypotensie ontstaat pas bij ernstiger bloedverlies (graad 3–4) wanneer compensatiemechanismen falen. |
| Positieve inotropie gaat gepaard met: A) Een verhoogde hartfrequentie B) Een verhoogde contractiliteit | B) verhoogde contractiliteit Positieve inotropie betekent letterlijk dat de kracht van de hartcontractie toeneemt. Hartfrequentie hoeft niet toe te nemen; dat gebeurt alleen bij positieve chronotrope effecten (zoals bij adrenaline). |
| Bij welke temperatuur dient er geen defibrillatie plaats te vinden: A) <36 grd B) <34 grd C) <32 grd D) <30 grd | D) < 30 graden Defibrillatie mag pas worden geprobeerd vanaf een kernlichaamtemperatuur van ~30°C Bij <30°C is de kans op succesvolle defibrillatie erg laag, eerst moet opwarming plaatsvinden. |
| De piek van een paracetamolspiegel na een intoxicatie ligt na 2 tot 3 dagen: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Na een acute paracetamolintoxicatie wordt de piek van de paracetamolspiegel meestal al binnen 1 tot 4 uur bereikt bij een oraal ingenomen dosis. maar 2–3 dagen na inname kan vooral leverschade optreden (verhoogde transaminasen). |
| Bij een GHB intoxicatie en een EMV van 3 moet patient direct geïntubeerd worden: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Bij een GHB-intoxicatie (γ-hydroxybutyraat) zie je vaak een reversibele coma waarbij patiënten soms diep bewusteloos zijn (lage EMV), maar weer spontaan kunnen ontwaken zonder blijvende schade. |
| Het antidotum van keuze bij een paracetamol intoxicatie is: A) Obidoxim B) Desferoxamine C) N-acetylcysteïne D) Fosfostigmine | C) N-acetylcysteine N-acetylcysteïne (NAC) → herstelt glutathion en voorkomt leverschade door de toxische metaboliet (NAPQI) Obidoxim→ bij organofosfaatvergiftiging Desferoxamine→ bij ijzerintoxicatie Fosfostigmine→ bij anticholinerge intoxicatie |
| Miosis is een nauwe pupil: A) Juist B) Onjuist | A) juist Miosis = vernauwing van de pupil Mydriasis = verwijding van de pupil |
| Endocarditis betreft meestal een kunstklep: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Endocarditis is een infectie van het binnenste vlies van het hart, vaak de hartkleppen. Bij kunstkleppen (mechanische of biologische hartkleppen) is de kans op infectieuze endocarditis aanzienlijk verhoogd vergeleken met natuurlijke kleppen |
| Hoe bereken je de QTc tijd: A) QT/RR B) RR/QT C) QT/wortel RR D) wortel RR/QT | C) QT/wortel RR De QT-tijd op het ECG is de tijd van ventriculaire depolarisatie en repolarisatie. Deze tijd verandert met de hartslag: bij een snelle hartslag wordt de QT korter, bij een trage hartslag langer. |
| Een pols deficit met neurologische uitval is sterk verdacht voor een aortadissectie: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Polsdeficit komt door verschil in de polsen aan beide armen, vaak door een verminderde bloedtoevoer naar een van de armen. Als bloedtoevoer naar een van de takken van de aorta (bijvoorbeeld de subclavia- of carotisslagader) wordt onderbroken. |
| Spitse T-toppen zijn een teken van hyperkaliemie: A) Juist B) Onjuist | A) Juist T-toppen worden hoog, smal en puntig bij hyperkaliemie Dit is vaak één van de eerste ECG-veranderingen Verdere ECG-veranderingen bij hogere kaliumwaarden: Verlengd PR-interval QRS-verbreding Uiteindelijk: sine-wave patroon en aritmieën |
| Wat past bij een lateraal infarct: A) V1-V6 B) aVL, V5, V6 C) II, III, aVF D) aVR | B) aVL, V5, V6 |
| Welke ECG afwijkingen passen het beste bij cardiale ischemie: A) Diffuse ST-elevatie B) ST-elevaties met reciproke ST-depressies | B) ST-elevaties met reciproke ST-depressies |
| Microvoltages op het ECG is een teken van pericardvocht: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Bij pericardvocht: Het hart “zweeft” als het ware in vocht Elektrische signalen worden gedempt → lagere amplitude van QRS-complexen (microvoltage) |
| Type 1 respiratoir falen is: A) Hypoxemie zonder hypercapnie B) Hypoxemie met hypercapnie | A) Hypoxemie zonder hypercapnie Type 1 respiratoir falen wordt gekenmerkt door: Hypoxemie (laag O₂) Zonder hypercapnie (normaal of laag CO₂) Dit komt doordat er vooral een probleem is met oxygenatie (bijv. V/Q-mismatch, shunt), niet met ventilatie. |
| Een verbreed QRS complex past het beste bij een: A) Paretamol intoxicatie B) TCA intoxicatie C) Alcoholintoxicatie | B) TCA intox Paracetamol intox; geen effect op QRS TCA intox; blokkeert Na-kanalen, kan leiden tot verbreding van het QRS, aritmieën en hypotensie Alcoholintoxicatie: meestal ritmestoornissen zoals AF, maar geen typisch verbreed QRS |
| Een normaal D-dimeer sluit een longembolie uit: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist D-dimeer is zeer sensitief, maar niet specifiek Werkt alleen goed als de kans vooraf laag is Hoe hoger de klinische verdenking, hoe minder betrouwbaar een negatieve D-dimeer wordt |
| Bij acute hevige pijn in rug bij oudere man hoef je geen verder onderzoek naar aorta dissectie te doen als D-dimeer negatief is: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist D-dimeer kan helpen uitsluiten bij lage klinische verdenking, maar bij hoge verdenking (zoals acute, intense rugpijn, oudere leeftijd, hypertensie, of andere risicofactoren) is een negatief D-dimeer niet betrouwbaar genoeg om uit te sluiten. |
| Een stabiel verlengd PR interval past bij: A) Eerstegraads AV blok B) Tweedegraads AV blok: Wenckebach C) Tweedegraads AV blok: Mobitz II D) Derdegraads AV blok | A) 1e graad AV-blok; verlengd maar constant PR-interval Wenckebach: PR-interval wordt langer tot een QRS uitvalt Mobitz II: PR-interval is constant, maar plots QRS-complexen uit 3e graads AV-blok: volledige dissociatie tussen atria en ventrikels |
| Bij een voorwandinfarct horen afwijkingen in: A) V1-V6 B) aVL, V5, V6 C) II, III, aVF D) aVR | A) V1-V6 V1-V6 → voorwand en anterieure wand van het hart aVL, V5, V6 → laterale wand II, III, aVF → inferieure wand aVR → rechter hartboog / globale stroomrichting, vaak geen specifieke infarctplaats |
| De dosering hydrocortison bij bijnierschorsinsufficientie is: A) 50mg B) 100mg C) 200mg D) 500mg | B) 100mg Bij een acute bijnierschorsinsufficiëntie (addisoncrisis) is de standaard initiële behandeling: Hydrocortison 100 mg intraveneus (bolus), gevolgd door onderhoudsdosering. |
| De 30-dagen mortaliteit bij een CURB 65-score van 5 is: A) 15% B) 25% C) 50% | C) 50% CURB-65 Score 0-1 = 1-3% mortaliteit Score 2 = 9% mortaliteit Score 3 = 14-17% mortaliteit Score 4 = 27-31% mortaliteit Score 5 = 50% mortaliteit |
| Bij een anafylaxie is de dosering van adrenaline: A) 0,5mg B) 1mg C) 1,5mg D) 2mg | A) 0,5mg i.m. Bij anafylaxie is adrenaline i.m. de eerste en belangrijkste behandeling. Volwassen dosering: 0,5 mg intramusculair (meestal in de m. vastus lateralis) Dit kan herhaald worden na 5–10 minuten indien nodig |
| Bij Wells score <2 en een negatieve D-dimeer is een longembolie uitgesloten: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Lage score <2 + negatieve D-dimeer → PE uitgesloten Hogere score → direct beeldvorming (CT-angiografie) |
| Welke stelling over een ECG is onjuist: A) U-golf komt na na de T-top B) QRS positief in lead 2 en 3 past bij normale hartas C) QT interval is tot begin t top | C) De U-golf volgt na de T-golf (niet altijd zichtbaar) QRS positief in lead II en III past bij normale hartas Het QT-interval loopt van het begin van het QRS-complex tot het einde van de T-golf. Niet tot het begin van de T-top |
| De tip van larynxmasker zit idealiter in de oesofagus: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist De tip van het larynxmasker ligt idealiter tegen de bovenkant van de oesofagus (oesofageale ingang), maar niet ín de oesofagus |
| Graad 3 bloedverlies is: A) 1500-2000cc B) 2000-2500cc C) 2500-3000cc D) >3000cc | A) 1500-2000cc Graad I: < 750cc Graad II: 750-1500cc Graad III: 1500-2000cc Graad IV: > 2000cc |
| De A van AMPLE betekent: A) Airway B) Allergie C) Antidotum D) Anafylaxie | B) Allergie A: allergie M: medication P: past history L: last meal E: event |
| Welk symptoom meer bij epilepsie dan syncope past is: A) Hartkloppingen B) Voorafgaand zweten en misselijkheid C) Verwardheid na de aanval | C) Verwardheid na de aanval |
| Pupilverschil zie je bijna altijd bij pons letsel: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Bij ponsletsel zie je vaak bilaterale neurologische uitval, maar pupilverschil (anisocorie) is niet typisch. |
| Een alarmsymptoom van hoofdpijn is onder andere: A) Nieuw ontstaan boven de leeftijd van 50 jaar B) Verergering gedurende de dag C) Pijn in de haarrand en nekregio D) Co-existentie van foto- en fonofobie | A) Nieuw ontstaan boven de leeftijd van 50 jaar |
| De pulse oximeter geeft een foute uitslag bij: A) Carboxy Hb intoxicatie B) Plaatsing aan de oorlel C) Een donkere omgeving | A) Carboxy Hb intoxicatie Een pulsoximeter kan geen onderscheid maken tussen: oxyhemoglobine en carboxyhemoglobine Bij een CO-intoxicatie wordt CO-Hb ten onrechte als zuurstofdragend hemoglobine gezien. De saturatie lijkt normaal bij hypoxie |
| Een aanpassing bij reanimatie met hypothermie is: A) Geen medicatie bij temperatuur < 30 graden B) Dubbele posen tussen amiodaron giften | A) Geen medicatie bij temp < 30 graden Dit komt doordat medicijnen, zoals amiodaron of adrenaline, bij lage temperaturen minder effectief zijn, of niet goed metaboliseerbaar in het lichaam. |
| Bij lung sliding is een pneumothorax uitgesloten: A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Wat is de definitie van bradycardie: A) HF <100/min B) HF <80/min C) HF < 60/min D) HF <40/min | C) Hartfrequentie < 60/min |
| De behandeling bij een calciumantagonist intoxicatie is: A) Calcium / Insuline / Glucose / Glucagon B) Ethanol C) Natriumbicarbonaat D) Atropine | A) Verminderde contractiliteit en AV-blokkade Behandeling: Calcium verhoogt intracellulair Ca²⁺; verbetert contractiliteit Insuline + glucose verhoogt myocytenenergie verbetert hartfunctie Glucagon verhoogt cAMP in hartspier |
| Bij een niet collaberende v. cava is de meest waarschijnlijke vorm van shock: A) Hypovolemische B) Obstructief C) Distributief | B) Obstructief |
| Een van de symptomen passend bij een cholinerg syndroom is: A) Urineren B) Mydriasis C) Tachycardie D) Insulten | A) Urineren SLUDGE: Salivation (speekselvloed) Lacrimation (tranenvloed) Urination Defecation (diarree) Gastrointestinal distress Emesis (braken) Overig: Zweten, rillingen, wazig zien, miosis (kleine pupillen), spierzwakte/spiertrekkingen |
| De pulsus paradoxus heeft de hoogste likelihood ratio voor: A) Atriumfibrilleren B) Harttamponade C) Atriumflutter D) Spanningspneumothorax | B) harttamponade Pulsus paradoxus = een abnormaal sterke daling van de systolische bloeddruk (>10 mmHg) tijdens inspiratie. |
| Een inspiratoire stridor past het best bij: A) Een hoge obstructie van de luchtweg B) Een lage obstructie van de luchtweg | A) Een hoge obstructie van de luchtweg |
| Wat is geen criterium voor SIRS: A) Temperatuur >38 of <36 graden B) hartfrequentie > 90 /min C) Bloeddruk systolisch < 90 mmHg D) Ademhalingsfrequentie >20/min of pCO2 < 4.2 | C) Bloeddruk systolisch < 90 mmHg |
| De EMV score die het beste bij de P uit de AVPU score past is: A) EMV=12 B) EMV=10 C) EMV=8 D) EMV=6 | C) EMV = 8 |
| Vertigo met een gestoord looppatroon past het beste bij een: A) Centrale oorzaak B) Perifere oorzaak | A) centrale oorzaak Aantasting van balanscoördinatie in het cerebellum Gaat vaak gepaard met: Ataxie (breedbasisch, wankel lopen) Neurologische uitval Soms dysartrie, dubbelzien |
| Wat past niet past bij een A-a gradient afwijking is: A) Shunt B) Diffusie stoornis C) Ventilatie/perfusie mismatch D) Afname longcapaciteit | D) De alveolo-arteriële zuurstofgradiënt is verhoogd bij problemen met zuurstofoverdracht in de longen, zoals: A) Shunt → bloed passeert long zonder oxygenatie B) Diffusiestoornis → O₂ diffundeert minder goed C) Ventilatie/perfusie (V/Q) mismatch |
| Acidose en een normale anion cap past het beste bij: A) Methanol intoxicatie B) Lactaatacidose C) Ketoacidose D) Diarree | D) Diarree Analyse van de opties: A) Methanol intoxicatie; verhoogde anion gap acidose (toxische zuren) B) Lactaatacidose; verhoogde anion gap C) Ketoacidose; verhoogde anion gap D) Diarree; verlies van bicarbonaat via de darmen; normale anion gap |
| Geen direct levensbedreigend probleem in de B is: A) Spanningspneumothorax B) Harttamponade C) Longembolie D) Massieve hematothorax | C) Longembolie Dit is niet direct levensbedreigend |
| Bij een paracetamol intoxicatie komt leverfalen na 12u niet meer voor: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist 0–24 uur: vaak weinig of aspecifieke klachten (misselijkheid, braken) 24–72 uur: start van leverenzymstijging en leverbeschadiging 72–96 uur: maximaal leverfalen kan optreden Leverfalen ontwikkelt zich dus na >12 uur, niet vóór die tijd. |
| Bij status epilepticus met intraveneuzhe toegang geef je: A) 5mg midazolam of 4mg lorazepam B) 0,5mg midazolam of 0,4mg lorazepam | A) 5mg midazolam of 4mg lorazepam 5 mg midazolam i.v. of 10 mg midazolam i.m. of 4 mg lorazepam i.v. (zo nodig eenmaal herhalen na 5 minuten) of 10-20 mg diazepam rectiole (tweede keus) (cave: ademhalingsdepressie en bloeddrukdaling). |
| Oorzaak hypoxemie en hypercapnie: A) Atelectase B) Intoxicatie | A)Atelectase Dit is een aandoening waarbij een deel van de long of de hele longcollabseert, wat de gaswisseling belemmert en zowel hypoxemie (laag zuurstofgehalte in het bloed) als hypercapnie (verhoogd kooldioxidegehalte in het bloed) kan veroorzaken. |
| Volledige cyanose is bij: A) saturatie < 92% B) saturatie <82% c) saturatie < 67% d) saturatie < 40% | C) Saturatie < 67% |
| Wat is geen voorspeller van slechte kapbeademing: A) Morbide obesitas B) Obesitas C) BMI <20 | C) BMI <20 |
| Wat is het juiste beleid bij een heroïne gebruiker? A) Naloxon B) Antelax C) N-acetylcysteïne D) Fosfostigmine | A) Naloxon = een opioïde antagonist die de effecten van opioïden (zoals heroïne) blokkeert. Het wordt vaak gebruikt om een opioïde overdosis om te keren, door de ademhalingsdepressie en andere levensbedreigende effecten van de overdosis te verminderen. |
| Wat hoort niet bij de qSofa score: A) Systolische bloeddruk 100 B) Pols >100/min C) Ademhalingsfrequentie >22/min D) EMV<15 | A) RR 100 De qSOFA-score is drie klinische parameters: Pols > 100/min Ademhalingsfrequentie > 22/min EMV < 15 De qSOFA-score is om snel te beoordelen of er tekenen zijn van orgaanfalen, vooral bij patiënten met een vermoeden van sepsis. |
| Bij helder actief rectaal bloedverlies is het beste beleid: A) Direct colonoscopie verrichten B) CT-angio C) Expectatief met erytrocyten transfusie | C) Expectatief met erytrocyten transfusie |
| Diffuse ST elevatie met depressie in de onderwand past bij pericarditis: A) Juist B) Onjuist | A) Juist |
| Bij ventrikelfibrilleren dient er altijd eerst bepaald te worden of er cardiac output is voorafgaand aan defibrillatie: A) Juist B) Onjuist | B) Onjuist Bij ventrikelfibrilleren is er altijd geen effectieve hartoutput omdat de hartkamers chaotisch trillen in plaats van effectief samen te trekken. Geen adequate bloedcirculatie en dus onmiddellijke defibrillatie |
| Bij een 26 jarige patiënt met hoofdpijn en koorts zonder joltbeweging met negatieve Kernig en negatieve Brudzinski is meningitis zeer onwaarschijnlijk: A) Juist B) Onjuist | A) Juist Joltbeweging: snelle hoofd van links naar rechts. Hoofdpijn = meningitis Kernig: been van de patiënt omhoog terwijl de knie gebogen is. Pijn/weerstand = irriterende meningitis Brudzinski's teken: Reflexmatig knieën buigen bij opheffen hoofd |
| De eerste behandeling bij acuut linker ventrikel falen is: A) Furosemide B) Nitroglycerine C) Betablokkers | A) Furosemide Bij acuut linker ventrikel falen (acuut longoedeem / acute decompensatio cordis) is de eerste stap gericht op: vochtontlasting (decongestie) en verbeteren van de longstuwing |
| Een regelmatig smal complex tachycardie met AV dissociatie past bij: A) SVT B) SVT met abberantie C) Tweedegraads hartblok D) Derdegraads hartblok | D) Derdegraads AV-block -SVT is een tachycardie met een smal QRS-complex, zonder AV-dissociatie. -SVT met abberantie kan smal QRS-complex geven, maar AV-dissociatie is niet typisch. -2e graads blok geen AV-dissociatie, maar eerder traag/onregelmatig/ |
| Bij de primaire assessment zoeken we in de D naar levensbedreigende ziekten met directe behandelconsequenties die een probleem in bewustzijn kunnen geven. Daarbij hoort niet: A) hypoglycemie B) status epilepticus C) encefalitis D) opiaatintoxicatie | C) Encefalitis |