Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Temps Primitifs

Deuxième Page

VerbesTP's
fluiten siffler = floot, floten , heeft gefloten
gaan aller = ging, gingen , is gegaan
gelden valoir = gold, golden , heeft gegolden
genezen guérir = genas, genazen, heeft/is genezen
genieten jouir = genoot , genoten , heeft genoten
geven donner = gaf , gaven, heeft gegeven
gieten verser = goot , goten, heeft gegoten
glijden glisser = gleed,gleden, heeft/is gegleden
glimmen luire = glom , glommen , heeft gegtommen
graven creuser = groef, groeven, heeft gegraven
grijpen saisir = greep, grepen, heeft gegrepen
hangen pendre = hing , hingen, heeft gehangen
hebben avoir = had , hadden , heeft gehad
heffen soulever = hief , hieven, heeft geheven
helpen aider = hielp , hielpen, heeft geholpen
heten s'appeler = heette, heetten, heeft geheten
hijsen hisser = hees , hesen, heeft gehesen
houden tenir = hieid , hieiden, heeft gehouden
houwen tailler = hieuvv, hieuwen, heeft gehouwen
jagen chasser = joeg / jaagde, joegen / jaagden, heeft gejaagd
kiezen choisir = koos , kozen, heeft gekozen
kijken regarder = keek , keken, heeft gekeken
klimmen grimper = klom , klommen, heeft/is gekiommen
klinken résonner = klonk, klonken, heeft geklonken
(k)nijpen pincer = (k)neep, (k)nepen, heeft ge(k)nepen
komen venir = kwam, kwarrsen, is gekomen
kopen acheter = kocht, kochten, heeft gekocht
krijgen recevoir = kreeg, kregen, heeft gekregen
krimpen (se) rétrécir = kromp, krompen, is gekrompen
kruipen ramper = kroop, kropen, heeft/is gekropen
kunnen pouvoir = kon, konden, heeft gekund
lachen rire = lachte, lachten, heeft gelachen
laden charger = laadde, laadden, heeft geladen
laten laisser = liet, lieten, heeft gelaten
iezen lire = las , lazen , heeft gelezen
liegen mentir = loog , logen, heeft gelogen
Liggen être couché = lag, lagen, heeft gelegen
Lijden souffrir = leed , leden , heeft geleden
Lijken paraître = leek , îeken , heeft geteken
Lopen marcher, courir = liep , iiepen , heeft/is gelopen
maien moudre = maaide , maalden , heeft gemalen
melken traire = molk/ melkte, molken / melkten, heeft gemolken
meten mesurer = mat, maten, heeft gemeten
mijden éviter = meed, meden, heeft gemeden
moeten devoir = moest, moesten, heeft gemoeten
mogen pouvoir (perm.) = mocht, mochten, heeft gemoogd
nemen prendre = nam, namen, heeft genomen
prijzen louer, vanter = prees, prezen, heeft geprezen
raden deviner = raadde / ried, raadden / rieden, heeft geraden
rijden rouler = reed , reden, heeft/is gereden
rijzen s'élever = rees , rezen, is gerezen
roepen appeler = riep , riepen, heeft geroepen
ruiken sentir, flairer = rook, roken, heeft geroken
scheiden séparer = scheidde, scheidden, heeft/is gescheiden
scheiden invectiver = schold, scholden, heeft gescholden
schersden abîmer = schond, schonden , heeft geschonden
schenken donner, verser = schonk, schonken, heeft geschonken
scheppen créer = schiep, schiepen, heeft geschapen
scheren raser = schoor, schoren, heeft geschoren
schieten tirer (arme) = schoot, schoten, heeft geschoten
schijnen sembler, briller = scheen, schenen, heeft geschenen
schrijden marcher = schreed, schreden, heeft/is geschreden
schrijven écrire = schreef, schreven, heeft geschreven
schrikken s’effrayer = schrok , schrokken, is geschrokken
Created by: gfm33