Busy. Please wait.
Log in with Clever

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever

Username is available taken
show password

Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.

Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Didn't know it?
click below
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Temps Primitifs

Deuxième Page

fluiten siffler = floot, floten , heeft gefloten
gaan aller = ging, gingen , is gegaan
gelden valoir = gold, golden , heeft gegolden
genezen guérir = genas, genazen, heeft/is genezen
genieten jouir = genoot , genoten , heeft genoten
geven donner = gaf , gaven, heeft gegeven
gieten verser = goot , goten, heeft gegoten
glijden glisser = gleed,gleden, heeft/is gegleden
glimmen luire = glom , glommen , heeft gegtommen
graven creuser = groef, groeven, heeft gegraven
grijpen saisir = greep, grepen, heeft gegrepen
hangen pendre = hing , hingen, heeft gehangen
hebben avoir = had , hadden , heeft gehad
heffen soulever = hief , hieven, heeft geheven
helpen aider = hielp , hielpen, heeft geholpen
heten s'appeler = heette, heetten, heeft geheten
hijsen hisser = hees , hesen, heeft gehesen
houden tenir = hieid , hieiden, heeft gehouden
houwen tailler = hieuvv, hieuwen, heeft gehouwen
jagen chasser = joeg / jaagde, joegen / jaagden, heeft gejaagd
kiezen choisir = koos , kozen, heeft gekozen
kijken regarder = keek , keken, heeft gekeken
klimmen grimper = klom , klommen, heeft/is gekiommen
klinken résonner = klonk, klonken, heeft geklonken
(k)nijpen pincer = (k)neep, (k)nepen, heeft ge(k)nepen
komen venir = kwam, kwarrsen, is gekomen
kopen acheter = kocht, kochten, heeft gekocht
krijgen recevoir = kreeg, kregen, heeft gekregen
krimpen (se) rétrécir = kromp, krompen, is gekrompen
kruipen ramper = kroop, kropen, heeft/is gekropen
kunnen pouvoir = kon, konden, heeft gekund
lachen rire = lachte, lachten, heeft gelachen
laden charger = laadde, laadden, heeft geladen
laten laisser = liet, lieten, heeft gelaten
iezen lire = las , lazen , heeft gelezen
liegen mentir = loog , logen, heeft gelogen
Liggen être couché = lag, lagen, heeft gelegen
Lijden souffrir = leed , leden , heeft geleden
Lijken paraître = leek , îeken , heeft geteken
Lopen marcher, courir = liep , iiepen , heeft/is gelopen
maien moudre = maaide , maalden , heeft gemalen
melken traire = molk/ melkte, molken / melkten, heeft gemolken
meten mesurer = mat, maten, heeft gemeten
mijden éviter = meed, meden, heeft gemeden
moeten devoir = moest, moesten, heeft gemoeten
mogen pouvoir (perm.) = mocht, mochten, heeft gemoogd
nemen prendre = nam, namen, heeft genomen
prijzen louer, vanter = prees, prezen, heeft geprezen
raden deviner = raadde / ried, raadden / rieden, heeft geraden
rijden rouler = reed , reden, heeft/is gereden
rijzen s'élever = rees , rezen, is gerezen
roepen appeler = riep , riepen, heeft geroepen
ruiken sentir, flairer = rook, roken, heeft geroken
scheiden séparer = scheidde, scheidden, heeft/is gescheiden
scheiden invectiver = schold, scholden, heeft gescholden
schersden abîmer = schond, schonden , heeft geschonden
schenken donner, verser = schonk, schonken, heeft geschonken
scheppen créer = schiep, schiepen, heeft geschapen
scheren raser = schoor, schoren, heeft geschoren
schieten tirer (arme) = schoot, schoten, heeft geschoten
schijnen sembler, briller = scheen, schenen, heeft geschenen
schrijden marcher = schreed, schreden, heeft/is geschreden
schrijven écrire = schreef, schreven, heeft geschreven
schrikken s’effrayer = schrok , schrokken, is geschrokken
Created by: gfm33
Popular Dutch sets




Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
restart all cards