Busy. Please wait.
Log in with Clever

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever

Username is available taken
show password

Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.

Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Didn't know it?
click below
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how


perfectum and imperfectum

infinitiefimperfectum perfectumengels
afwassen waste af/wasten af afgewassen (hebben) wash up
bakken bakte/bakten gebakken (hebben) bake
beginnen begon/begonnen begonnen (zijn) start
begrijpen begreep/begrepen begrepen (hebben) understand
behangen behing/behingen behangen (hebben) decorate
bewegen bewoog/bewogen bewogen (hebben) move
bezoeken bezocht/bezochten bezocht (hebben) visit
bijten beet/beten gebeten (hebben) bite
blazen blies/bliezen geblazen (hebben) blow
blijven bleef/bleven gebleven (zijn) stay
breken brak/braken gebroken (hebben) break
brengen bracht/brachten gebracht (hebben) bring
denken dacht/dachten gedacht (hebben) think
doen deed/deden gedaan (hebben) do
dragen droeg/droegen gedragen (hebben) wear
drinken dronk/dronken gedronken (hebben) drink
eten at/aten gegeten (hebben) eat
gaan ging/gingen gegaan (zijn) go
genezen genas/genazen genezen (hebben) cure
geven gaf/gaven gegeven (hebben) give
gieten goot/goten gegoten (hebben) pour
hangen hing/hingen gehangen (hebben) hang
hebben had/hadden gehad (hebben) have
helpen hielp/hielpen geholpen (hebben) help
houden (van) hield/hielden gehouden (hebben) hold
inbreken brak in/braken in ingebroken (hebben) break in
innemen nam in/namen in ingenomen (hebben) take in
kiezen koos/kozen gekozen (hebben) chose
kijken keek/keken gekeken (hebben) look
klimmen klom/klommen geklommen (hebben/zijn) climb
komen kwam/kwamen gekomen (zijn) come
kopen kocht/kochten gekocht (hebben) buy
krijgen kreeg/kregen gekregen (hebben) receive
kunnen kon/konden gekund (hebben) can
lachen lachte/lachten gelachen (hebben) laugh/smile
laten liet/lieten gelaten (hebben) let/leave
lezen las/lazen gelezen (hebben) read
liggen lag/lagen gelegen (hebben) lie (down)
lopen liep/liepen gelopen (hebben/zijn) run
meegaan ging mee/gingen mee meegegaan (zijn) go with
meenemen nam mee/namen mee meegenomen (hebben) take with
moeten moest/moesten gemoeten (hebben) must
mogen mocht/mochten gemogen (hebben) may
nakijken keek na/keken na nagekeken (hebben) examine
nemen nam/namen genomen (hebben) take
onderzoeken onderzocht/onderzochten onderzocht (hebben) research
ontbijten ontbeet/ontbeten ontbeten (hebben) breakfast
opstaan stond op/stonden op opgestaan (zijn) rise
oversteken stak over/staken over overgestoken (zijn) cross
overvallen overviel/overvielen overvallen (hebben) overtake
rijden reed/reden gereden (hebben/zijn) ride
roepen riep/riepen geroepen (hebben) shout
scheiden scheidde/scheidden gescheiden (zijn) divorce
schijnen scheen/schenen geschenen (hebben) shine
schrijven schreef/screven geschreven (hebben) write
slapen sliep/sliepen geslapen (hebben) sleep
sluiten sloot/sloten gesloten (hebben) close
snijden sneed/sneden gesneden (hebben) cut
spreken sprak/spraken gesproken (hebben) speak
springen sprong/sprongen gesprongen (hebben/sijn) jump
staan stond/stonden gestaan (hebben) stand
steken stak/staken gestoken (hebben) put
stelen stal/stalen gestolen (hebben) steal
sterven stief/stierven gestorven (zijn) die
stijgen steeg/stegen gestegen (zijn) increase
strijken streek/streken gestreken (hebben) iron
treffen trof/troffen getroffen (hebben) hit
trekken trok/trokken getrokken (hebben) draw
uitdoen deed uit/deden uit uitgedaan (hebben) turn off
uitgaan ging uit/gingen uit uitgegaan (zijn) go out
uitsteken stak uit/staken uit uitgestoken (hebben) put out
uittrekken trok uit/trokken uit uitgetrokken (hebben) pull out
vallen viel/vielen gevallen (zijn) fall
varen voer/voeren gevaren (hebben/zijn) sail
verbieden verbood/verboden verboden (hebben) forbid
vergeten vergat/vergaten vergeten (hebben/zijn) forget
verkopen verkocht/verkochten verkocht (hebben) sell
verliezen verloor/verloren verloren (hebben) lose
verstaan verstond/verstonden verstaan (hebben) comprehend
vertrekken vertrok/vertrokken vertrokken (zijn) leave/depart
vervangen verving/vervingen vervangen replace
vinden vond/vonden gevonden (hebben) find
vliegen vloog/vlogen gevlogen (hebben/zijn) fly
vragen vroeg/vroegen gevragen (hebben) question
vriezen het vroor het heeft gevroren freeze
wassen waste/wasten gewassen (hebben) wash
wegen woog/wogen gewogen (hebben) weigh
weten wist/wisten
wijzen wees/wezen gewezen (hebben) point
willen wou/wilde/wilden gewild (hebben) want
winnen won/wonnen gewonnen (hebben) win
worden werd/werden geworden (zijn) become
zeggen zei/zeiden gezegen (hebben) say
zien zag/zagen gezien (hebben) see
zijn was/waren geweest (zijn) be
zingen zong/zongen gezongen (hebben) sing
zitten zat/zaten gezeten (hebben) sit
zoeken zocht/zochten gezocht (hebben) search
zullen zou/zouden shall
zwemmen zwom/zwommen gezwommen (hebben/zijn) swim
verhuizen verhuisde verhuisd (zijn) move house
behalen behaalde behaald (hebben) achieve
blijven bleef gebleven (zijn) stay
gooien gooide gegooid (hebben) throw
ontmoeten ontmoette ontmoet (hebben) meet
duren duurde geduurd (hebben) last
ondertekenen ondertekende ontertekend (hebben) sign
wachten wachtte gewacht (hebben) wait
inzegenen zegende in ingezegend (hebben) bless
klaarmaken maakte klaar klaargemaakt (hebben) prepare
zich klaarmaken maakte zich klaar zich klaargemaakt (hebben) prepare themselves
aandoen deed aan/deden aan aangedaan (hebben) put on
aankomen kwam aan/kwamen aan aangekomen (zijn) arrive
Created by: suffolkscrapper
Popular Dutch sets




Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
restart all cards