Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Rem'Aide - TP

Temps Primitifs en Néerlandais

TraductionTP
cuire bakken bakte(n) gebakken
éclater, crever barsten barstte(n) is gebarsten
gâter bederven bedierf - bedierven bedorven
tromper bedriegen bedroog - bedrogen bedrogen
commencer beginnen begon - begonnen begonnen
ranger, abriter bergen borg(en) geborgen
décider besluiten besloot - besloten besloten
ordonner bevelen beval - bevalen bevolen
visiter bezoeken bezocht(en) bezocht
succomber bezwijken bezweek - bezweken is bezweken
prier bidden bad - baden gebeden
offrir bieden bood - boden geboden
mordre bijten beet - beten gebeten
lier binden bond - bonden gebonden
souffler blazen blies - bliezen geblazen
apparaître, s'avérer blijken bleek - bleken is gebleken
rester blijven bleef - bleven is gebleven
briller blinken blonk(en) geblonken
rôtir braden braadde - braadden gebraden
casser breken brak- braken is/heeft gebroken
apporter brengen bracht(en) gebracht
brasser brouwen brouwde(n) gebrouwen
courber buigen boog - bogen gebogen
penser denken dacht(en) gedacht
faire doen deed - deden gedaan
porter dragen droeg(en) gedragen
flotter drijven dreef - dreven gedreven
presser dringen drong(en) is/heeft gedrongen
boire drinken dronk(en) gedronken
ruisseler druipen droop - dropen is/heeft gedropen
plonger duiken dook - doken is/heeft gedoken
forcer dwingen dwong(en) gedwongen
manger eten at - aten gegeten
siffler fluiten floot - floten gefloten
aller gaan ging(en) is gegaan
valoir gelden gold(en) gegolden
guérir genezen genas - genazen genezen
jouir genieten genoot - genoten genoten
donner geven gaf - gaven gegeven
verser gieten goot - goten gegoten
glisser glijden gleed - gleden gegleden
luire glimmen glom - glommen geglommen
creuser graven groef - groeven gegraven
saisir grijpen greep - grepen gegrepen
pendre hangen hing(en) gehangen
avoir hebben had - hadden gehad
soulever heffen hief - hieven geheven
aider helpen hielp(en) geholpen
s'appeler heten heette(n) geheten
tenir houden hield(en) gehouden
tailler houwen hieuw(en) gehouwen
chasser jagen joeg(en) gejaagd
choisir kiezen koos - kozen gekozen
regarder kijken keek - keken gekeken
grimper klimmen klom - klommen geklommen
résonner klinken klonk(en) geklonken
pincer knijpen kneep - knepen geknepen
venir komen kwam - kwamen is gekomen
acheter kopen kocht(en) gekocht
recevoir krijgen kreeg - kregen gekregen
rétrécir krimpen kromp(en) is gekrompen
ramper kruipen kroop - kropen is gekropen
pouvoir kunnen kon - konden gekund
rire lachen lachte(n) gelachen
charger laden laadde(n) geladen
laisser laten liet(en) gelaten
lire lezen las - lazen gelezen
mentir liegen loog - logen gelogen
être couché liggen lag - lagen gelegen
souffrir lijden leed - leden geleden
paraître lijken leek - leken geleken
marcher lopen liep(en) gelopen
moudre malen maalde(n) gemalen
traire melken molk(en) gemolken
mesurer meten mat - maten gemeten
éviter mijden meed - meden gemeden
devoir moeten moest(en) gemoeten
pouvoir (permission) mogen mocht(en) gemoogd
prendre nemen nam - namen genomen
rencontrer ontmoeten ontmoette(n) ontmoet
louer, vanter prijzen prees - prezen geprezen
deviner raden raadde(n) geraden
rouler, aller (véhicule) rijden reed - reden gereden
s'élever rijzen rees - rezen is gerezen
appeler roepen riep(en) geroepen
sentir ruiken rook - roken geroken
séparer scheiden scheidde(n) heeft/is gescheiden
insulter schelden schold(en) gescholden
abîmer schenden schond(en) geschonden
offrir schenken schonk(en) geschonken
créer scheppen schiep(en) geschapen
raser scheren schoor - schoren geschoren
tirer (arme) schieten schoot - schoten geschoten
sembler schijnen scheen - schenen geschenen
marcher schrijden schreed - schreden is/heeft geschreden
écrire schrijven schreef - schreven geschreven
prendre peur schrikken schrok - schrokken is geschrokken
glisser schuiven schoof - schoven geschoven
frapper slaan sloeg(en) geslagen
dormir slapen sliep(en) geslapen
s'user slijten sleet - sleten gesleten
se glisser sluipen sloop - slopen is geslopen
fermer sluiten sloot - sloten gesloten
fondre smelten smolt(en) is/heeft gesmolten
jeter, lancer avec force smijten smeet - smeten gesmeten
moucher snuiten snoot - snoten gesnoten
couper snijden sneed - sneden gesneden
renifler snuiven snoof - snoven gesnoven
tendre spannen spande(n) gespannen
causer du regret spijten het speet me het heeft me gespeten
filer spinnen spon - sponnen gesponnen
fendre splijten spleet - spleten is/heeft gespleten
parler spreken sprak - spraken gesproken
sauter springen sprong(en) gesprongen
cracher spugen spoog - spogen gespogen
jaillir (=jet) spuiten spoot - spoten gespoten
être debout staan stond gestaan
piquer, fourrer steken stak, staken gestoken
voler (=dérober) stelen stal, stalen gestolen
mourir sterven stierf - stierven is gestorven
augmenter stijgen steeg - stegen is gestegen
amidonner stijven steef - steven gesteven
puer stinken stonk(en) gestonken
lutter, combattre strijden streed - streden gestreden
repasser strijken streek - streken gestreken
marcher treden trad -traden getreden
toucher, atteindre treffen trof - troffen getroffen
tirer trekken trok - trokken getrokken
éplucher uit|pluizen ploos...uit - plozen...uit uitgeplozen
cesser uit|scheiden scheidde...uit - scheidden...uit is uitgescheiden
tomber vallen viel - vielen is gevallen
attraper vangen ving(en) gevangen
naviguer varen voer(en) gevaren
se battre vechten vocht(en) gevochten
interdire verbieden verbood - verboden verboden
attrister verdrieten verdroot - verdroten verdroten
disparaître verdwijnen verdween - verdwenen is verdwenen
comparer vergelijken vergeleek - vergeleken vergeleken
oublier vergeten vergat - vergaten is/heeft vergeten
vendre verkopen verkocht(en) verkocht
quitter verlaten verliet(en) verlaten
perdre verliezen verloor - verloren verloren
pouvoir vermogen vermocht(en) vermocht
dévorer verslinden verslond(en) verslonden
comprendre verstaan verstond(en) verstaan
partir vertrekken vertrok - vertrokken is vertrokken
imaginer verzinnen verzon - verzonnen verzonnen
disparaître verzwinden verzwond(en) is verzwonden
trouver vinden vond(en) gevonden
tresser vlechten vlocht(en) gevlochten
voler (=dans l'air) vliegen vloog - vlogen gevlogen
plier vouwen vouwde(n) gevouwen
demander vragen vroeg(en) gevraagd
geler vriezen vroor - vroren gevroren
laver wassen waste(n) gewassen
peser wegen woog - wogen gewogen
jeter werpen wierp(en) geworpen
savoir weten wist(en) geweten
tisser weven weefde(n) geweven
reculer, céder wijken week - weken is geweken
attribuer wijten weet - weten geweten
montrer wijzen wees - wezen gewezen
vouloir willen wilde - wilden gewild
enrouler winden wond(en) gewonden
gagner winnen won - wonnen gewonnen
devenir worden werd(en) is geworden
venger wreken wreekte(n) gewroken
frotter wrijven wreef - wreven gewreven
tordre wringen wrong(en) gewrongen
dire zeggen zei - zeiden gezegd
envoyer zenden zond(en) gezonden
voir zien zag - zagen gezien
être zijn was - waren is geweest
chanter zingen zong(en) gezongen
couler (= sombrer) zinken zonk(en) gezonken
être assis zitten zat - zaten gezeten
chercher zoeken zocht(en) gezocht
sucer zuigen zoog - zogen gezogen
se soûler zuipen zoop - zopen gezopen
Auxiliaire du futur zullen zou - zouden
ingurgiter zwelgen zwolg(en) gezwolgen
enfler zwellen zwol - zwollen is/heeft gezwollen
nager zwemmen zwom - zwommen is/heeft gezwommen
jurer (serment) zweren zwoer(en) gezworen
errer zwerven zwierf - zwierven is/heeft gezworven
se taire zwijgen zweeg - zwegen gezwegen
Created by: gfm33