Save
Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't know
Remaining cards (0)
Know
0:00
share
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Chap 24.1.

24.1. Communicatie en bedoelingen

WoordenVertalingen
Meedelen (deelde mee, h. meegedeeld) Informer, communiquer, annoncer
Melden (meldde, h. gemeld) Signaler, déclarer
Vermelden (vermeldde, h. vermeld) Indiquer, mentionner, préciser
De communicatie La communication
Het gesprek (-ken) La conversation, la discussion
Een gesprek voeren Dialoguer
Spreken (met/over) (sprak, h. gesproken) Parler
Ter sprake brengen - Ter sprake komen Soulever, aborder, évoquer
(Daar is) geen sprake van! C’est hors de question!
Dat spreekt voor zich = Dat spreekt vanzelf C’est évident, cela va de soi
Aanspreken (sprak aan, h. aangesproken) Appeler, interpeller
Bespreken (besprak, h. besproken) Discuter, débattre
Het gespreksonderwerp (-en) Le sujet de conversation
Praten (met/over) (praatte, h. gepraat) Parler, discuter
Een praatje maken Avoir une petite discussion
Uitpraten (praatte uit, h./is uitgepraat) Finir de parler, s’expliquer
Vragen (vroeg,h. gevraagd) Demander
Als je het mij vraagt À mon avis, si tu veux mon avis
De vraag (vragen) La question
Een vraag stellen Poser une question
Het verzoek (-en) La demande
De aanvraag (-en) La demande (officielle), la candidature, la requête
Het antwoord (-en) La réponse
Antwoorden (antwoordde, h. geantwoord) Répondre
Beantwoorden (beantwoordde, h. beantwoord) Répondre à
Zeggen (zei, h. gezegd) Dire
Dat wil zeggen C’est-à-dire
Nazeggen (zei na, h. nagezegd) Répéter
Vertellen (over) (vertelde, h. verteld) Raconter
Een verhaal vertellen Raconter une histoire
Bedoelen (met) (bedoelde, h. bedoeld) Vouloir dire
De bedoeling (-en) L’intention, l’idée
Hoezo? Comment ça? Que veux-tu dire par?
Menen (meende, h. gemeend) Vouloir dire
(Zich) uitdrukken (drukte uit, h. uitgedrukt) (S’) exprimer
De uitdrukking (-en) L’expression
Tot uitdrukking komen Se refléter
Uitdrukking geven aan iets Donner de l’expression à qqch
Uiten (uitte, h. geuit) Exprimer, manifester, montrer
Zich uiten (uitte, h. geuit) S’exprimer
De uiting (-en) L’expression
Formuleren (formuleerde, h. geformuleerd) Formuler
De formulering (-en) La formulation
Het gezegde (-n/-s) Le dicton
Het spreekwoord (-en) Le proverbe
Uitnodigen (nodigde uit, h. uitgenodigd) Inviter
Groeten (groette, h. gegroet) Saluer
Welkom Bienvenue
Welkom heten - Van harte welkom Accueillir
Inleiden (leidde in, h. ingeleid) Engager
Het verslag (-en) Le compte-rendu
De/het commentaar (commentaren) Le commentaire
Liegen (loog, h. gelogen) Mentir
Toegeven (gaf toe, h. toegegeven) Admettre, avouer
Erkennen (erkende, h. erkend) Reconnaître, admettre
Bekennen (bekende, h. bekend) Avouer, confesser
Opscheppen (schepte op, h. opgeschept) Se vanter
De smoes (smoezen) L’excuse, le prétexte
De blunder (-s) L’erreur
De opmerking (-en) La remarque
Een opmerking maken Faire une remarque
Zich verontschuldigen (verontschuldigde zich, h. zich verontschuldigd) = Zich excuseren (excuseerde zich, h. zich geëxcuseerd) S’excuser
Het excuus (excuses) L’excuse
Overtuigen (van) (overtuigde, h. overtuigd) Convaincre
Beloven (beloofde, h. beloofd) Promettre
Verzekeren (verzekerde, h. verzekerd) = Garanderen (garandeerde, h. gegarandeerd) Garantir
Suggereren (suggereerde, h. gesuggereerd) Suggérer
Bevestigen (bevestigde, h. bevestigd) Confirmer
Roepen (riep, h. geroepen) Crier
Schreeuwen (schreeuwde, h. geschreeuwd) Hurler
Fluisteren (fluisterde, h. gefluisterd) Chuchoter
Zuchten (zuchtte, h. gezucht) Soupirer
Hijgen (hijgde, h. gehijgd) Haleter
Brommen (bromde, h. gebromd) Parler bas
Mompelen (mompelde, h. gemompeld) Marmonner
Babbelen (babbelde, h. gebabbeld) = Kletsen (kletste, h. gekletst) Bavarder
Roddelen (roddelde, h. geroddeld) = Kletsen (kletste, h. gekletst) Papoter, commérer
Klagen (over) (klaagde, h. geklaagd) Se plaindre
Zeuren (zeurde, h. gezeurd) Geindre
Weigeren (weigerde, h. geweigerd) Refuser
Voorstellen (stelde voor, h. voorgesteld) = Suggereren (suggereerde, h. gesuggereerd) Suggérer, proposer
Aanvaarden (aanvaardde, h. aanvaard) = Accepteren (accepteerde, h. geaccepteerd) Accepter
Verlangen naar (verlangde naar, h. verlangd naar) Aspirer à
Eisen (eiste, h. geëist) Exiger
Waarschuwen (waarschuwde, h. gewaarschuwd) Avertir
Toelaten (liet toe, h. toegelaten) Permettre, tolérer, admettre
Toestaan ( stond toe, h. toegestaan) Permettre, autoriser, accorder
Vertalen (in/ naar) vertaalde, h. vertaald Traduire
De vertaler Le traducteur
De tolk L’interprète
De moedertaal La langue maternelle
De woordvoerder / de woordvoerster Le porte-parole, la porte-parole
Welbespraakt éloquent(e)
Mondeling Oral, verbal
Schriftelijk Écrit, par écrit
Uitmaken voor ( maakte uit voor, h. uitgemaakt voor) Traiter qqun de
Beledigen (beledigde, h. beledigd) = kwetsen (kwetste, h. gekwetst) Offenser, insulter
Vloeken (vloekte, h. gevloekt) Blasphémer, jurer
Schelden op (schold, h. scholden) Injurier, pester, jurer (contre qqun)
De kritiek La critique
Inhouden (hield in, h. ingehouden) Contenir, comporter, impliquer
Beweren (beweerde, h. beweerd) Prétendre, affirmer
De bewering L’affirmation, la thèse
Rechtvaardigen (rechtvaardigde, h. gerechtvaardigd) Justifier
Overdrijven (overdreef, h. overdreven) Grossir exagérer
Het bevel (-en) L’ordre, le commandement
Bevelen (beval, h. bevolen) Ordonner, commander
Created by: gfm33
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards