Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

TW Chap 20

Ruimte

WoordVertaling
De plaats = de plek L’endroit, la place
Ter plaatse = ter plekke Sur place
De ruimte L’espace
Ruim Spacieux
De opening L’ouverture
Het gat Le trou
Waar
Zijn Être
Liggen Être (couché)
Zitten Être (assis)
Op school zitten < Laat maar zitten Etre à l’école < Laisser tomber
Zich bevinden Se trouver
De afstand La distance
De richting La direction
Uitkijken op = uitzien op Donner sur = avoir vue sur
Het zien ernaar uit dat Il semble que
Het uitzicht La vue
Naast À côté
Vlak naast Proche, à côté
Tegenover En face
Dicht Près
Dicht bij Près de
Dichtbij = vlakbij Proche
Vlak Juste à côté
Dichtsbijzijnd Le plus proche
Nabij Proche, près
De buurt Le quartier
In de buurt van Dans les environs de
De wijk Le quartier
Ver Loin
Ver weg Loin d’ici
De verte lointain
Zover Jusqu’ici/la
Het is zover Ça y est
Voor zover ik het weet De ce que j'en sais
Tot zover Jusqu'à présent
Verderop Plus loin, un peu plus loin
Boven Au dessus, sur
Onder (prep) Sous
Beneden = onder (prep) Sous, en dessous
Onder (adv) En bas
Beneden (adv) En bas
Bovenste Le plus haut
Bovenaan En haut, en tête
Onderste Le plus bas
Onderaan En bas, au pied, au fond
De bodem Le fond
Onderstebonven Saans dessus dessous
Het midden Le milieu
In het midden van Au milieu de
Midden (adv) Entre les deux
Het centrum = Het hart = De binnenstad Le centre
Links À gauche
Rechts À droite
Aan het eind links/rechts A la fin de la route aller à gauche/ à droite.
De tweede straat links/rechts La deuxième rue à gauche/droite.
Linker A gauche
Rechter A droite
De rechterhand « A main droite »
Rechtdoor (adv) Tout droit
Alsmaar rechtdoor Toujours tout droit
Dwars Contraire
Horizontaal Horizontal
Verticaal Vertical
De kant = De zijde Le côté
Aan de linkerkant/rechterkant Sur le côté gauche/droit
Aan de ene kant … (maar) aan de andere kant … D’une part … mais d’autre part …
Binnen À l’intérieur
Buiten Dehors.
De binnenkant Côté intérieur
De buitenkant Côté extérieur
De voorkant Le devant.
De achterkant L’arrière
De bovenkant Le dessus
De onderkant Le dessous
De zijkant Le coté, le flanc
De overkant L’autre côté, le côté opposé
Opzij (adv) De côté
Vanbinnen (adv) À l’intérieur
Overal (adv) Partout
Nergens (adv) Nulle part
Ergens (adv) Quelque part
Ergens anders Ailleurs
Hier (adv) Ici
Hierboven/hieronder ci-dessus / ci-dessous
Hier en daar Ici et là
Daar (adv)
Ginds (adv form) Là-bas
Dit (pron) / deze (pron) Ce/celle (-ci)
Dat (pron) / die (pron) Ce/celle (là)
Thuis À la maison
Apart = Afzonderlijk individuel
Langs (prep) Le long de
Om (prep) = Rond(om) (prep) Autour (de)
Rond … (+ een plaats) Près de …
Omheen Tout autour de
Door (prep) D’un bout à l’autre
Door de deur A la porte?
Op Sur
Op de hoek Dans le coin
Omhoog (adv) En haut
Omlaag (adv) En bas
Af (adv) En bas, séparé de
Aan (prep) De / À
Tussen Entre
Voor (prep) Devant
Vooraan / vooraan Devant, en tête.
Voorste Premier
Achter (prep) Derrière
Achteraan/achteraan Au bout
Achterste Dernier
Bij (prep) Près de
Tegen (prep) Contre
In (prep) Dans
Te (prep form) "à" (Il habite à Amsterdam)
Uit Dehors.
Vanaf (prep) Depuis, à partir de
Voorbij (prep) Au delà de
Naar (prep) Vers
Uitgebreid = Uitvoerig Vaste
Beperkt Limité
Het gebied (-en) = de streek (streken) = de regio (-‘s) La région
< op het gebied van < dans le domaine de
Elders Ailleurs
Plaatselijk = lokaal Local
Regionaal Régional
Landelijk National
Mondiaal = wereldwijd Mondial
De positie (-s) La position
Spreiden (spreidde, heeft gespreid) Répandre
Zich uitstrekken (strekte zich uit, heeft zich uitgestrekt) S’étendre
De aanwezigheid (-heden) La présence
De tijd Le temps
< op tijd < à temps
< een tijdje < un petit temps
< na een tijdje = na korte tijd < après un petit temps
< na verloop van tijd < au bout d’un certain temps
< de laatste tijd < le dernier temps
< in de tussentijd < entre-temps
< hebt u de tijd ? < avez-vous l’heure ?
< de tijd nemen < prendre le temps
< van tijd tot tijd < de temps en temps
< enige tijd < temporairement
Het tijdstip (-pen) Le moment
< een tijdstip vastleggen Fixer un moment
Tijdelijk Temporaire
Verleden = vorig Passé
Het verleden < in het verleden Le passé < dans le passé
Geleden = terug Il y a
< kort geleden < il y a peu
Vroeger (adj) Ancien
Vroeger (adv) = voorheen Autrefois
Eerder = vroeger Antérieur
Onlangs = laatst Dernièrement, récemment
< voor het laatst < Dernièrement
Afgelopen = voorbij Terminé
Jongstleden = afgelopen Dernier, dernière
Voormalig Précédent(e)
Nu = nou Maintenant
< nu en dan Parfois
Tegenwoordig = thans De nos jours
Heden < tot (op) heden Présent
Tot nog toe = tot nu toe Jusqu’à présent
Huidig Actuel(le)
Hedendaags Actuel, contemporain
Later Plus tard
Volgend Suivant
Aanstaand Prochain(e)
Komend Prochain(e)
De toekomst < in de toekomst Le futur < dans le futur
Toekomstig Futur, à venir
Voortaan Désormais, dorénavant
De maand (-en) Le mois
Het jaar (jaren) L’année
De eeuw (-en) Le siècle
Het millenium (millenia) Le millénaire
Het seizoen (-en) La saison
De lente (-s) = het voorjaar Le printemps
De zomer (-s) L’été
De herfst(-en) = het najaar L’automne
De winter(-s) L’hiver
De dag (dagen) < per dag < van dag tot dag < van de ene dag op de andere < dag en nacht Le jour < par jour < de jour en jour < d’un jour à l’autre < jour et nuit
Vandaag de dag Aujourd’hui
De week (weken) < door de week < twee weken = Veertien dagen La semaine < pendant la semaine < deux semaines = Quatorze jours
Het weekend(s) < in het weekend Le week-end < durant le week-end
Dagelijks Tous les jours
Wekelijks Toutes les semaines
Maandelijks Tous les mois
Jaarlijks Annuel
(‘s) zondags, (‘s) maandags,… Tous les dimanches, lundis
De datum (s/data) < een datum prikken La date < fixer une date
Op (prép) Sur, à
Vandaag (adv) Aujourd’hui
Gisteren (adv) < gister(en)ochtend < gister(en)middag < gister(en)avond Hier < hier matin < hier après-midi < hier soir
Eergisteren Avant-hier
Morgen < tot morgen Demain < à demain
Overmorgen Après-demain
Uitstellen (stelde uit, h. uitgesteld) Remettre (à plus tard)
De ochtend(en) = De morgen(s) Le matin
< morgenochtend < demain matin
Zondagmorgen = Zondagochtend Dimanche matin
De middag(dagen) < voor de middag < tussen de middag < laat op de middag < woensdagmiddag Le midi < avant midi < à l’heure du déjeuner/du midi < la fin de l’après-midi < mercredi après-midi
De namiddag(dagen) L’après-midi
De voormiddag(dagen) La matinée
De avond(en) < maandagavond Le soir < le lundi soir
De nacht(en) < midden in de nacht < middernacht La nuit < milieu de la nuit < minuit
’s morgens = ’s ochtends Le matin
’ s middags < om twaalf uur ’s middags L’après-midi < à 12h de l’après-midi.
’s avonds Les soir
’s nachts La nuit
Overdag Le jour
Vanmorgen = Vanochtend Ce matin
Vanmiddag Cet(te) après-midi
Vanavond Ce soir
Vannacht Cette nuit
Vroeg < in de vroege ochtend Tôt < tôt dans la matinée
Laat < hoe laat < te laat Tard < Quelle heure < trop tard
Midden Milieu
Het moment(en) = Het ogenblik(ken) Le moment
< op dit moment/ogenblik < en ce moment
< op een gegeven moment < à un moment donné
< moment(je) = Ogenblik(je) < un moment ! un instant !
Momenteel Pour le moment
Tegelijk = Tegelijkertijd En même temps
Dadelijk = Zo Immédiat(ement)
Straks < tot straks Tout à l’heure < à tout à l’heure
Even(tjes) < even later Un moment < un moment plus tard
De seconde(s/n) La seconde
De minuut(nuten) La minute
Het kwartier(en) Le quart d’heure
Het uur (uren) < om… uur < om een uur of… < een halfuur L’heure < à … heure < à une heure… < Une demie-heure
De klok(ken) L’horloge
Aanvankelijk (adv) = oorspronkelijk (adv) = eerst (adv) Initialement, d’origine, au début
In eerste instantie En premier lieu, dans un premier temps
Het einde (einden, eindes) = het slot La fin
Iets het einde vinden Apprécier qqch
Tot slot Enfin, en conclusion
Eindigen (eindigde, is geëindigd) Finir, terminer
Beëindigen (beëindigde, beëindigd) Terminer, mettre fin
Eindelijk (adv) = ten slotte Enfin, en conclusion
Uiteindelijk Finalement, au final
Duren (duurde, geduurd) Durer
Langdurig Durable
Direct (adj) = meteen (adv) = onmiddellijk (adj) directement
Daarna (adv) = vervolgens (adv) = naderhand (adv) = nadien (adv) Ensuite, après
Verder (adv) En outre, par ailleurs
Dan (adv) Ensuite
Toen Quand
Nadat (conj) Après que
Indertijd (adv) Jadis, à l’époque
Prompt (adv) Rapidement
Achteraf (adv) Ultérieurement, à posteriori
Eens (adv) = eenmaal (adv) Une fois
Zelden (adv) Rarement
Soms (adv) Parfois
Af en toe = soms (adv) De temps en temps
Created by: gfm33