Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

TW Chap 18

Verkeer en Vervoer

WoordVertaling
Het vervoer = het transport Le transport
Het openbaar vervoer Le transport public
Vervoeren Transporter
Het vervoermiddel = het voertuig Le moyen de transport
Per En, par
De bus Le bus
De tram Le tram
De lijn <de lijnbus La ligne / la ligne du bus
De buschauffeur Le chauffeur de bus
De halte < de bushalte L’arrêt / l’arrêt de bus
De taxi Le taxi
De metro Le métro
Instappen Monter (dans le bus)
Uitstappen Descendre (du bus)
Missen Rater (le bus)
De rij < in de rij staan La file, la rangée > Faire la file
Rijden Conduire
Doorrijden Poursuivre sa route, ne pas s’arrêter
Aankomen = arriveren Arriver
De aankomst L’arrivée
Vertrekken Quitter
Het vertrek Le départ
Stoppen Arrêter
Via Par, via, en passant par
Het kaartje Le ticket
Het plaatsebewijs = het biljet Le billet de trein
Het ticket Le billet d’avion/ de bâteau
De strippenkaart Cartes pour les transports en commun, carnet de tickets de métro
De strip La bande
De zone La zone
Afstempelen composter
Het enkeltje = de enkele reis Un ticket pour un aller simple
Het retour Un ticket pour un aller-retour
Op en neer = heen en weer = heen en terug +/-“faire un aller-retour”
De reiziger / de reizigster Le voyageur
De passagier Le passager
Het loket Le gichet
De bestemming La destination
De klas(se) La classe
Eerste klas(se) Première classe
Tweede klas(se) 2e classe
Het tarief = de prijs Le prix, le tarif
De rit La promenade, le trajet, le parcours
Het abonnement L’abonnement
De trein Le train
De stoptrein L’omnibus
De intercity Le train express
Het station La gare
Het perron Le quai
Het spoor La voie, les rails
De spoorlijn (-en) La ligne de chemin de fer
De conducteur (-s) / de conductrice (-s) Le conducteur / la conductrice
Het metrostation (-s) La gare des métros
De dienstregeling (-en) L’horaire
De vertraging (-en) > Vertraging hebben Le retard > Avoir du retard
Overstappen (stapte over, is overgestapt) Changer de train
De aansluiting (-en) = de verbinding (-en) La correspondance
Direct = rechtstreeks Direct
De coupé (-s) Le compartiment
De wagon (-s) Le wagon
De restauratie (-s) Le wagon-restaurant
Het vliegtuig (-en) L’avion
Vliegen (vloog, is gevlogen) Voler (en avion)
De luchthaven (-s) = het vliegveld (-en) L’aéroport
De steward (-s) / de stewardess (-en) Le steward, l’hôtesse (de l’air)
De piloot (-loten) Le pilote
De bemanning L’équipage
Inchecken (checkte in, ingecheckt) Se faire enregistrer
De bagage Le bagage
Opstijgen (steeg op, opgestegen) Décoller
De vlucht (-en) Le vol
Landen (landde, is geland) Atterrir
De landing (-en) L’atterrissage
Annuleren (annuleerde, geannuleerd) Annuler
De luchtvaart L’aviation
De helikopter(-s) L’hélicoptère
De boot (boten) = Het schip (schepen) Le bateau
De veerboot (boten) Le ferry-boat
De motorboot (boten) Le bateau à moteur
De scheepvaart La navigation
De haven(s) Le port
Aan boord < aan boord gaan À bord < embarquer
Varen (voer, h./ is gevaren) Naviguer
De kapitein(s) Le capitaine
De schipper(s) Le batelier
De matroos (trozen) Le matelot
De hut(ten) La cabine
Het zeil(en) La voile
Laden (laadde; h. geladen) Charger
De lading(en) = De vracht(en) La cargaison
Lossen (loste, h. gelost) Décharger
Drijven (dreef, h./is gedreven) Flotter
Zinken (zonk, is gezonken) Couler
Het wrak(ken) L’épave
Het kanaal (kanalen) Le canal
De gracht(en) Le canal
De container(s) Le conteneur
De fiets(en) Le vélo
Fietsen (fietste, h./is gefietst) Faire du vélo
Trappen (trapte, h. getrapt) Pédaler
De bromfiets(en) =De brommer(s) Le vélomoteur
De motor(fiets)(en) La moto
Starten (startte, h./is gestart) Démarrer
Rijden (reed, h./ is gereden) Rouler
Autorijden (reed auto, h. autogereden) Conduire
De rit(ten) < een ritje maken La promenade < faire une promenade
Inrijden (reed in, h./is ingereden) Roder
De auto (auto’s) = De wagen(s) < met de auto A voiture < avec la voiture
De caravan(s) La caravane
De vrachtwagen(s) Le camion
De bestelwagen(s) La fourgonnette
de chauffeur (-s) le chauffeur
de bestuurder (-s) (M) le conducteur
de bestuurster (-s) (F) la conductrice
de automobilist (-en) l’automobiliste
meerijden (reed mee, is meegereden) accompagner
ophalen (haalde op, h. opgehaald) emporter, ramasser
de lift (-s) le trajet fait dans la voiture de qq’un d’autre
liften (liftte, h. gelift) faire de l’auto-stop
het rijbewijs (-wijzen) le permis de conduire
het verkeer la circulation, le trafic
de file (-s) < in de file staan le bouchon, l’embouteillage < être dans les embouteillages
de opstopping (-en) le bouchon, l’embouteillage
vertragen (vertraagde, h. vertraagd) < vertraagd verkeer (B) Ralentir
stilstaan (stond stil, h. stilgestaan) rester immobile
het stoplicht (-en) = het verkeerslicht (-en) le feu de signalisation
de brug (-gen) le pont
de tunnel (-s) le tunnel
de rotonde (-n, -s) le rond-point
de straat (straten) < op straat la rue < dans la rue
de zijstraat (-straten) la rue transversale
smal Étroit
breed Large
de hoek (-en) < om de hoek le coin < au coin de la rue
de plattegrond (-en) le plan
aanwijzen (wees aan, h. aangewezen) montrer, indiquer
aanduiden (duidde aan, h. aangeduid) indiquer
het eenrichtingsverkeer la circulation à sens unique
de weg (wegen) < de weg vragen < de weg wijzen < op weg naar la route, la voie < demander le chemin < indiquer le chemin < en chemin vers
onderweg en cours de route
de bocht (-en) le tournant, le virage
Langzaam = traag Lentement
Snel = vlug Rapidement
veilig sûr, en sécurité
de veiligheid la sécurité, la protection
voorkomen (voorkwam, h. voorkomen) prévenir, empêcher
remmen (remde, h. geremd) ralentir, freiner
de gordel (-s) = de riem (-sen) la ceinture de sécurité
Omdoen (deed om, h. mgedaan) Mettre
Vastmaken (maakte vast, h. vastgemaakt) Attacher, fixer
Het ongeluk = Het ongeval L’accident
Gebeuren (gebeurde, is gebeurd) Se produire
Botsen (botste, h. gebotst) Heurter
De klap Le bruit (fort)
Frontaal Frontal
De verkeersveiligheid La sécurité routière
Het verkeersslachtoffer La victime de la route
Het risico Le risque
Glad Glissant
De garage Le garage
De monteur Le mécanicien
Nakijken (keek na, h. nagekeken) Contrôler
De motor Le moteur
Aanzetten (zette aan, h. aangezet). Allumer
Afzetten (zette af, h. afgezet). Eteindre
De accu La batterie
Kapot =Stuk Cassé
De pech La malchance
Lek La fuite
De band Le pneu
De lekke band Le pneu crevé
Slepen (sleepte, h. gesleept) Remorquer
Tanken (tankte, h. getankt) Faire le plein
Het gas Le gas
Gas geven Mettre les gas
De benzine L’essence
De diesel Le diesel
Parkeren (parkeerde h. geparkeerd). Stationner
De parkeergarage = De parking Le parking
De parkeerplaats La place de parking
Rechts Droitier (à droite)
Rechtsaf (adv) À droite
Links Gaucher (à gauche)
Linksaf (adv) À gauche
Inslaan (sloeg in, is ingeslagen). Prendre (une rue)
Afslaan (sloeg af, is afgeslagen) Changer de direction
De baan = De rijstrook La route
Terugrijden (reed terug, is teruggereden) Revenir (sur ses pas)
Created by: gfm33