Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

04 Beroep en arbeid

Chapitre n°9 du Tematische Woordenschat

WordTranslation
om de beurt chacun son tour
de dobbelsteen (-stenen) les dés
de kaart (-en) les cartes
kaarten (kaartte, heeft gekaart) jouer aux cartes (jouait aux cartes, a joué aux cartes)
kaartspelen (speelde kaart, heeft kaartgespeeld) jouer aux cartes (jouait aux cartes, a joué aux cartes)
het kaartspel le jeu de cartes
het geluk le bonheur
boffen (bofte, heeft geboft) avoir de la chance (avait de la chance, a eu de la chance)
geluk hebben (had geluk, heeft geluk gehad) avoir de la chance (avait de la chance, a eu de la chance)
het biljart le billard
biljarten (biljartte, heeft gebiljart) jouer au billard (jouait au billard, a joué au billard)
schaken (schaakte, heeft geschaakt) jouer aux échecs (jouait aux échecs, a joué aux échecs)
het raadsel (-s) la devinette
de puzzel (-s) le puzzle
puzzelen (puzzelde, heeft gepuzzeld) faire des puzzles ( faisait des puzzles, a fait des puzzles)
de loterij (-en) la loterie
(zich) bewegen (bewoog (zich), heeft (zich) bewogen) (se) mouvoir, (se) mouvait, a mû (s'est mû)
de sport (-en) le sport
sporten (sportte, heeft gesport) faire du sport (faisait du sport, a fait du sport)
beoefenen ( beoefende, heeft beoefend) exercer, pratiquer
de sportclub le club de sport
de amateur (-s) l'amateur
de prof(essional) (-s) le professionnel
de sportieveling (-en) le sportif
sportief sportif, -ive
de conditie la condition
spelen (spelen ? (speelde), heeft gespeeld) jouer (jouait, a joué)
eerlijk honnête
vals faux, faussement, inexact
vals spelen tricher
de (spel)regel (-s) le(s) règle(s) (du jeu)
de prijs (prijzen) le(s) prix
een prijs winnen gagner un prix
verdienen ( verdiende, heeft verdiend) mériter (méritait, a merité)
de plaats (-en) l'endroit ( les endroits)
winnen (van) (won (van), heeft gewonnen (van)) gagner (de), (gagnait (de), a gagné (de))
de overwinning (-en) la victoire (les victoires)
overwinnen (overwon, heeft overwonnen) vaincre (vainquait, a vancu) triompher (thriomphait, a thriomphé)
de winnaar (-s) le gagnant, le vainqueur
de winnares (-sen) la gagnante
de prestatie (-s) la prestation
presteren (preesteerde, heeft gepresteerd) prester (prestait, a presté)
de voorsprong (-en) l'avance
de achterstand (-en) l'arriéré, le retard
de kampioen (-en) le champion
het kampioenschap (-pen) le championat
de medaille (-s) la médaille
de beker (-s) la coupe
verliezen (van) (verloor (van), heeft verloren (van)) perdre (de) (perdait (de), a perdu (de))
opgeven (gaf op, heeft opgegeven) abandonner (abandonnait, a abandonné)
de verliezer (-s) le perdant
verslaan (versloeg, heeft verslagen) battre, vaincre
de blessure (-s) la blessure
wedden (wedde, heeft gewed) parier (pariait, a parié)
het seizoen (-en) la saison
de wedstrijd (-en) = de match (-es,-en) un match, une rencontre, une course
het terrein (-en) = het veld (-en) le terrain
het record (-s) le record
het wereldrecord le record mondial
het duel (-len,-s) le duel
het toernooi (-en) le tournoi
de ronde (-s, -n) une manche, un round, un tour
de Olympische spelen les Jeux Olympiques
olympisch olympique
de finale (-s) la finale
het stadion (-s) le stade
de sporthal (-len) gymnase, salle ou hall de sport
de supporter le supporter
de competitie (-s) la compétition
degraderen ( degradeerde, is gedegradeerd) dégrader (dégradait, est dégradé)
promoveren (promoveerde, is gepromoveerd) monter (montait, a monté)
gooien (gooide, heeft gegooid) = werpen (wierp, heeft geworpen) lancer (lançait, a lancé), jeter (jetait, a jeté)
springen (sprong, heeft gesprongen) sauter (sautait, a sauté)
de sprong (-en) le saut
rennen (rende, heeft gerend) courir (courait, a courru)
hardlopen (liep hard, heeft hardgelopen) courir (courait, a courru), faire de la course à pied
de koers (-en) la course
de race (-s) la course
wielrennen cyclisme
aan wielrennen doen faire du cyclisme
de (wiel)renner (-s) = de coureur (-s) le courreur, le cycliste
de start (-s) le départ
Created by: gfm33