Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Voorzetsels 11

Werkwoorden/uitdrukkingen met vast voorzetsel

VraagAntwoord
Luister goed, je kan nog iets … hem leren. leren van iemand
De buurjongen leert … kok. leren voor iets
Wil jij … de kinderen letten ? letten op
Hij leeft … een klein loontje. leven van (inkomen)
Ze leeft … haar vak. leven voor (passie)
Hij las in de krant … acupunctuur. lezen over
Ze liegt … haar leeftijd. liegen over
Beloof dat je nooit … me zal liegen. liegen tegen
Dat ik me slecht voel, ligt … het weer. liggen aan
Hij leed … kanker. lijden aan (ziekte)
De bevolking lijdt … oorlog en armoede. lijden onder (situatie)
Ze lijkt echt … haar papa. lijken op
Luister je soms … klassieke muziek? luisteren naar
Hij wil niets meer … mij te maken hebben. te maken hebben met
Er mankeert iets … de motor; hij maakt een raar geluid. mankeren aan
Ik heb echt medelijden … je. medelijden hebben met
De verdachte is medeplichtig … moord. medeplichtig zijn aan
De wielrenner dingt … naar de eerste plaats. meedingen naar
Doe je mee … onze quiz? meedoen aan
Mag ik … jullie meedoen ? meedoen met
Ga maar … mij mee naar het secretariaat. meegaan met
Meng de bloem … de melk en de eieren. mengen met
Hij mengde zich ineens … ons gesprek. zich mengen in
Ik heb niets … het lawaai gemerkt ! merken van
Het bedrijf mikt … een nog hogere omzet. mikken op
Created by: dirk.bouckaert