Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Voorzetsels 15

Werkwoorden/uitdrukkingen met vast voorzetsel

VraagAntwoord
… wie kan ik me richten voor meer informatie. (zich) richten tot
Italië is rijk … kunstschatten. rijk zijn aan
De kinderen roepen … hun vriendjes. roepen naar
Ze roept … hulp. roepen om
Hij is boos en roept … haar. roepen tegen
Het ruikt hier … rozen. ruiken naar
Ik heb mijn pen geruild … een potlood. ruilen voor
Hij huilt omdat hij ruzie gemaakt heeft … zijn broer. ruziën/ ruzie maken met
Ze hebben ruzie gemaakt … dat nieuwe computerspel. ruziën/ ruzie maken over
De receptionist schaamde zich … zijn slechte Frans. (zich) schamen voor
De stad is gescheiden … een christelijk en een islamitisch deel. scheiden in
Hij is gisteren gescheiden … zijn tweede vrouw. scheiden van
De supporters van de ploeg scholden … / … de tegenpartij. schelden op / tegen
Er scheelt iets … mijn fiets. iets schelen aan
Ze schelen niet veel … leeftijd. schelen in (verschillen)
De agent schoot … de inbreker. schieten op
Hij is erg in zijn schik … de nieuwe inrichting. in zijn schik zijn met
De personeelsleden schreeuwen … maatregelen. schreeuwen om
Je moet niet zo … mij schreeuwen. schreeuwen tegen
Hij schrijft een briefje … zijn vrouw. schrijven naar
Ze schrijven in de krant … onze school. schrijven over
Ik schrok … zijn reactie. schrikken van
De winkelier is schuldig … de explosie in zijn zaak. schuldig zijn aan
Dat slaat nergens …. slaan op
Hij is er… geslaagd de fiets te repareren. slagen in (iets kunnen doen)
Created by: dirk.bouckaert