Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards
share
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Chapitre 18

Les mots à relire

WoordVertaling
De baan = De rijstrook La voie, la chaussée (2)
Het verkeer Le traffic
De plattegrond Le plan
Het verkeerslachtoffer La victime de la route
HET wrak l’épave
De opstopping Le bouchon
De pech La malchance
De veerboot Le ferry
Het enkeltje = De enkele reis L’aller simple (2)
Het loket le guichet
Nakijken Contrôler
De bocht Le virage
Op en neer = heen en weer = heen en terug Aller-retour (3)
Stilstaan rester immobile
Langzaam = traag Lentement (2)
Het vervoermiddel = het voertuig Le transport en commun (2)
HET risico Le risque
Aanzetten Allumer
Vastmaken Attacher
De boot = het schip Le bateau (2)
De parkeergarage De parking
Vervoeren Transporter
Remmen Ralentir, freiner
Opstijgen Décoller
Ophalen Aller chercher quelqu’un
Veilig Sûr
De monteur Le mécanicien
Het gas le gaz
De lekke band le pneu crevé
Gebeuren Se produire
Lossen Décharger
De lading = de vracht La cargaison (2)
De gordel = de riem La ceinture (2)
Het lek la fuite
De rotonde Le rond-point
Het eenrichtingsverkeer La circulation à sens unique
Inrijden S’engager sur/dans
De hoek Le coin
Om de hoek Au coin
Afstempelen Timbrer
De bestelwagen La camionette
Het plaatsebewijs = Het biljet Le ticket de train (2)
Omdoen Mettre
De bemanning L’équipage
De parkeerplaats La place de parking
Aankomen = Arriveren Arriver (2)
De lijnbus La ligne de bus
De luchthaven = Het vliegveld L’aéroport (2)
Terugrijden Revenir, retourner
De zijstraat La rue transversale
De file L’embouteillage
In de file staan Etre dans un embouteillage
Remorquer Slepen
De verbinding = de aansluiting La correspondance (2)
Aanduiden indiquer
Direct = Rechtstreeks Direct
Onderweg En cours de route
Het stoplicht = Het verkeerslicht Le feu de signalisation (2)
De bromfiets = de brommer Le vélomoteur (2)
De verkeersveiligheid La sécurité routière
Kapot = stuk Cassé (2)
De spoorlijn La ligne de chemin de fer
Created by: gfm33