Busy. Please wait.

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.

Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Don't know
remaining cards
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
restart all cards
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

STUART Dutch verbs

Dutch irregular verbs

to talk praten (ik praatte, ik heb gepraat)
to think denken (ik dacht, ik heb gedacht)
to read lezen (ik las, ik heb gelezen)
to begin beginnen (ik begon, ik ben begonnen)
to bring brengen (ik bracht, ik heb gebracht)
to accept aanvaarden (ik aanvaardde, ik heb aanvaard)
to move bewegen (ik bewoog, ik heb bewogen)
to bid bieden (ik bood, ik heb geboden)
to forbid verbieden (ik verbood, ik heb verboden)
to drink drinken (ik dronk, ik heb gedronken)
to sleep slapen (ik sliep, ik heb geslapen)
to laugh lachen (ik lachte, ik heb gelachen)
to walk lopen (ik liep, ik heb gelopen)
to break breken (ik brak, ik heb gebroken)
to choose kiezen (ik koos, ik heb gekozen)
to hold houden (ik hield, ik heb gehouden)
to stand staan (ik stond, ik heb gestaan)
to come komen (ik kwam, ik ben gekomen)
to bind binden (ik bond, ik heb gebonden)
to turn out, prove, emerge blijken (bleek, gebleken)
it proved to be a lie Het bleek een leugen te zijn
it turned out to be a trick Het bleek een trucje te zijn.
to look (a) like lijken (leek, geleken)
he looks like his sister Hij lijkt op zijn zus
He doesn't look his age Hij lijkt jonger dan hij is
to seem schijnen (scheen, geschenen)
He seems to be ill Hij schijnt ziek te zijn.
to shine schijnen (scheen, geschenen)
He seems to me rather stupid. Hij lijkt me nogal dom. (lijken: something seems to be the case - but it has not been proven)
He has turned out to be rather stupid. Hij blijkt nogal dom te zijn. (blijken: something has proved to be the case)
to have to / must (only used in the negative) hoeven (hoefde, gehoeven)
You don't need to come with me. Jij hoeft niet mee.
I don't need to do that. Dat hoef ik niet te doen.
I don't need that. Dat hoef ik niet.
to need to / must / have to moeten (moest, gemoeten)
He needed to leave early Hij moest vroeg weg. / Hij moest eerder weg.
to know (people) kennen (kende, gekend)
to know (facts) weten (wist, geweten)
I know him Ik ken hem.
I know that Ik weet dat.
to be able to / can kunnen (kon, gekund)
I can do that for you. Ik kan dat voor je doen.
I know how to play chess Ik kan schaken.
I never knew that Ik heb dat nooit geweten.
I never knew him Ik heb hem nooit gekend
I have never been able to do that Ik heb dat nooit gekund
I think he is stupid (According to me he is stupid) Volgens mij is hij dom.
I think he is ill. Volgens mij is hij ziek.
Can you give me a hand? Kun je me even helpen?
Created by: peerke