Busy. Please wait.

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
We do not share your email address with others. It is only used to allow you to reset your password. For details read our Privacy Policy and Terms of Service.

Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
Didn't know it?
click below
Knew it?
click below
Don't know
Remaining cards (0)
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

F2N: verbes irrég

FR2NL: Verbes irréguliers

VerbeInfinitief (infinitif)Imperfectum/OVT (imparfait)Perfectum/VTT (passé composé)
nettoyer afwassen waste af / wasten af (hebben) afgewassen
cuire bakken bakte / bakten (hebben) gebakken
commencer beginnen begon / begonnen (zijn) begonnen
visiter bezoeken bezocht / bezochten (hebben) bezocht
rester blijven bleef / bleven (zijn) gebleven
casser breken brak / braken (hebben) gebroken
apporter brengen bracht / brachten (hebben) gebracht
penser denken dacht / dachten (hebben) gedacht
faire doen deed / deden (hebben) gedaan
porter dragen droeg / droegen (hebben) gedragen
boire drinken dronk / dronken (hebben) gedronken
manger eten at / aten (hebben) gegeten
aller gaan ging / gingen (zijn) gegaan
donner geven gaf / gaven (hebben) gegeven
suspendre hangen hing / hingen (hebben) gehangen
avoir hebben had / hadden (hebben) gehad
aider helpen hielp / hielpen (hebben) geholpen
avaler innemen nam in / namen in (hebben) ingenomen
choisir kiezen koos / kozen (hebben) gekozen
regarder kijken keek / keken (hebben) gekeken
venir komen kwam / kwamen (zijn) gekomen
acheter kopen kocht / kochten (hebben) gekocht
recevoir krijgen kreeg / kregen (hebben) gekregen
pouvoir (capacité) kunnen kon / konden (hebben) gekund
rire lachen lachte / lachten (hebben) gelachen
lire lezen las / lazen (hebben) gelezen
être allongé/couché liggen lag / lagen (hebben) gelegen
courrir lopen liep / liepen (hebben/zijn) gelopen
suivre qqn meegaan ging me / gingen me (zijn) meegegaan
chanter zingen zong / zongen (hebben) gezongen
être assis zitten zat / zaten (hebben) gezeten
chercher zoeken zocht / zochten (hebben) bezocht
nager zwemmen zwom / zwommen (hebben/zijn) gezwommen
emporter meenemen nam mee / namen mee (hebben) meegenomen
devoir moeten moest / moesten (hebben) gemoeten
aimer mogen mocht / mochten (hebben) gemogen
prendre nemen nam /namen (hebben) genomen
examiner onderzoeken onderzocht / onderzochten (hebben) onderzocht
déjeuner ontbijten ontbeet / ontbeten (hebben) ontbeten
se lever opstaan stond op / stonden op (zijn) opgestaan
traverser oversteken stak over / staken over (zijn) overgestoken
conduire rijden reed / reden (hebben/zijn) gereden
crier roepen riep / riepen (hebben) geroepen
briller schijnen de zon scheen de zon heeft geschenen
écrire schrijven schreef / schreven (hebben) geschreven
dormir slapen sliep / sliepen (hebben) geslapen
fermer sluiten sloot / sloten (hebben) gesloten
parler spreken sprak / spraken (hebben) gesproken
être debout staan stond / stonden (hebben) gestaan
repasser strijken streek / streken (hebben) gestreken
tirer trekken trok / trokken (hebben) getrokken
enlever uitdoen deed uit / deden uit (hebben) uitgedaan
sortir de uitgaan ging uit / gingen uit (zijn) uitgegaan
avancer uitsteken stak uit / staken uit (hebben) uitgestoken
tomber vallen viel / vielen (zijn) gevallen
naviguer varen vaarde / vaarden (hebben/zijn) gevaren
oublier vergeten vergat / vergaten (hebben/zijn) vergeten
se vendre verkopen verkcht / verkochten (hebben) verkocht
perdre qqch verliezen verloor / verloren (hebben) verloren
comprendre verstaan verstond / verstonden (hebben) verstaan
partir vertrekken vertrok / vertrokken (zijn) vertrokken
trouver vinden vond / vonden (hebben) gevonden
voler vliegen vloog / vlogen (hebben/zijn) gevlogen
demander vragen vroeg / vroegen (hebben) gevraagd
geler vriezen het vroor het heeft gevroren
laver wassen waste / wasten (hebben) gewassen
peser wegen woog / wogen (hebben) gewogen
savoir weten wist / wisten (hebben) geweten
indiquer wijzen wees / wezen (hebben) gewezen
vouloir willen wou-wilde / wilden (hebben) gewild
gagner winnen won / wonnen (hebben) gewonnen
devenir worden werd / werden (zijn) geworden
dire zeggen zei / zeiden (hebben) gezegd
voir zien zag / zagen (hebben) gezien
être zijn was / waren (zijn) geweest
mettre aandoen deed aan / deden aan (hebben) aangedaan
arriver aankomen kwam aan / kwamen aan (zijn) aangekomen
Created by: pat1314



Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
restart all cards