Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why

Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.

By signing up, I agree to StudyStack's Terms of Service and Privacy Policy.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.

Remove ads
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards




share
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

F2N: verbes irrég

FR2NL: Verbes irréguliers

VerbeInfinitief (infinitif)Imperfectum/OVT (imparfait)Perfectum/VTT (passé composé)
nettoyer afwassen waste af / wasten af (hebben) afgewassen
cuire bakken bakte / bakten (hebben) gebakken
commencer beginnen begon / begonnen (zijn) begonnen
visiter bezoeken bezocht / bezochten (hebben) bezocht
rester blijven bleef / bleven (zijn) gebleven
casser breken brak / braken (hebben) gebroken
apporter brengen bracht / brachten (hebben) gebracht
penser denken dacht / dachten (hebben) gedacht
faire doen deed / deden (hebben) gedaan
porter dragen droeg / droegen (hebben) gedragen
boire drinken dronk / dronken (hebben) gedronken
manger eten at / aten (hebben) gegeten
aller gaan ging / gingen (zijn) gegaan
donner geven gaf / gaven (hebben) gegeven
suspendre hangen hing / hingen (hebben) gehangen
avoir hebben had / hadden (hebben) gehad
aider helpen hielp / hielpen (hebben) geholpen
avaler innemen nam in / namen in (hebben) ingenomen
choisir kiezen koos / kozen (hebben) gekozen
regarder kijken keek / keken (hebben) gekeken
venir komen kwam / kwamen (zijn) gekomen
acheter kopen kocht / kochten (hebben) gekocht
recevoir krijgen kreeg / kregen (hebben) gekregen
pouvoir (capacité) kunnen kon / konden (hebben) gekund
rire lachen lachte / lachten (hebben) gelachen
lire lezen las / lazen (hebben) gelezen
être allongé/couché liggen lag / lagen (hebben) gelegen
courrir lopen liep / liepen (hebben/zijn) gelopen
suivre qqn meegaan ging me / gingen me (zijn) meegegaan
chanter zingen zong / zongen (hebben) gezongen
être assis zitten zat / zaten (hebben) gezeten
chercher zoeken zocht / zochten (hebben) bezocht
nager zwemmen zwom / zwommen (hebben/zijn) gezwommen
emporter meenemen nam mee / namen mee (hebben) meegenomen
devoir moeten moest / moesten (hebben) gemoeten
aimer mogen mocht / mochten (hebben) gemogen
prendre nemen nam /namen (hebben) genomen
examiner onderzoeken onderzocht / onderzochten (hebben) onderzocht
déjeuner ontbijten ontbeet / ontbeten (hebben) ontbeten
se lever opstaan stond op / stonden op (zijn) opgestaan
traverser oversteken stak over / staken over (zijn) overgestoken
conduire rijden reed / reden (hebben/zijn) gereden
crier roepen riep / riepen (hebben) geroepen
briller schijnen de zon scheen de zon heeft geschenen
écrire schrijven schreef / schreven (hebben) geschreven
dormir slapen sliep / sliepen (hebben) geslapen
fermer sluiten sloot / sloten (hebben) gesloten
parler spreken sprak / spraken (hebben) gesproken
être debout staan stond / stonden (hebben) gestaan
repasser strijken streek / streken (hebben) gestreken
tirer trekken trok / trokken (hebben) getrokken
enlever uitdoen deed uit / deden uit (hebben) uitgedaan
sortir de uitgaan ging uit / gingen uit (zijn) uitgegaan
avancer uitsteken stak uit / staken uit (hebben) uitgestoken
tomber vallen viel / vielen (zijn) gevallen
naviguer varen vaarde / vaarden (hebben/zijn) gevaren
oublier vergeten vergat / vergaten (hebben/zijn) vergeten
se vendre verkopen verkcht / verkochten (hebben) verkocht
perdre qqch verliezen verloor / verloren (hebben) verloren
comprendre verstaan verstond / verstonden (hebben) verstaan
partir vertrekken vertrok / vertrokken (zijn) vertrokken
trouver vinden vond / vonden (hebben) gevonden
voler vliegen vloog / vlogen (hebben/zijn) gevlogen
demander vragen vroeg / vroegen (hebben) gevraagd
geler vriezen het vroor het heeft gevroren
laver wassen waste / wasten (hebben) gewassen
peser wegen woog / wogen (hebben) gewogen
savoir weten wist / wisten (hebben) geweten
indiquer wijzen wees / wezen (hebben) gewezen
vouloir willen wou-wilde / wilden (hebben) gewild
gagner winnen won / wonnen (hebben) gewonnen
devenir worden werd / werden (zijn) geworden
dire zeggen zei / zeiden (hebben) gezegd
voir zien zag / zagen (hebben) gezien
être zijn was / waren (zijn) geweest
mettre aandoen deed aan / deden aan (hebben) aangedaan
arriver aankomen kwam aan / kwamen aan (zijn) aangekomen
Created by: pat1314