Busy. Please wait.
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
or

Username is available taken
show password

why

Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.

By signing up, I agree to StudyStack's Terms of Service and Privacy Policy.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.

Remove ads
Don't know
Know
remaining cards
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards




share
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Chapitre 2

Woordenschat

WordTranslation
De mens(en) Un homme – être humain – une personne
Menselijk Humain(e)
Het lichaam (lichamen) = het lijf (lijven) Le corps
Het lichaamsdeel (delen) La partie du corps
Bloot = naakt Nu(e)
Het hoofd(en) = de kop(pen) La tête
De hersenen (soms: hersens) Le cerveau
Je hersens gebruiken Utiliser son cerveau (réfléchir)
Het haar !! De haar (haren) ≠ Het haar Le cheveu (=1) ≠ la chevelure Les cheveux – la chevelure
De keel (kelen) La gorge
De hals (halzen) Le cou
De nek(ken) Le cou
Het gezicht(en)=Het gelaat Le visage, la figure
Het oor (oren) L’oreille
Het oog (ogen) L’oeil
De neus (neuzen) Le nez
Het voorhoofd(en) Le front
De wang(en) La joue
De kin(nen) Le menton
De mond(en) La bouche
zijn mond houden (je mond houden) Tenir sa langue, se taire
De lip(pen) La lèvre
De tand(en) La dent
De tong(en) La langue
zijn tong uitsteken (je tong uitsteken) Tirer la langue
De arm(en) Le bras
De schouder(s) L’épaule
De elleboog(bogen) Le coude
De pols(en) Le poignet
De hand(en) La main
Wat is er aan de hand? Que se passe-t-il?
Uit de hand lopen Déraper
De vinger(s) Le doigt
Je vinger opsteken Lever le doigt
De duim(en) Le pouce
De wijsvinger(s) L’index
De middelvinger(s) Le majeur
De ringvinger(s) L’annulaire
De pink(en) L’auriculaire
De nagel(s) L’ongle
De vuist(en) Le poing
De rug(gen) Le dos
De buik(en) Le ventre
De borst(en) Le torse (homme) la poitrine (femme)
De navel(s) Le nombril
De bil(len) La fesse
Het been (benen) La jambe
De knie(ën) Le genout
De voet(en) Le pied
De teen (tenen) L’orteil
De hiel(en) Le talon
Het bloed Le sang
Het hart(en) Le coeur
Kloppen – klopte- h. geklopt Battre
Het bloedvat(en) = De ader(en/s) Vaisseau sanguin - veine
De spier(en) Le muscle
De huid(en) La peau
De zenuw(en) Le nerf
Het orgaan(ganen) L’organe
De maag (magen) L’estomac
De lever(s) Le foie
De nier(en) Le rein
De urine L’urine
De penis(sen) Le pénis
De vagina(‘s) Le vagin
Plassen – plaste – h.geplast Uriner
Poepen-poepte –h. gepoept (NL)=Drukken –drukte-h.gedrukt Déféquer
De long(en) Le poumon
De adem L’haleine
Ademen-ademde-h.geademd Respirer
De man(nen) Un homme
Vijf man Cinq hommes
De vrouw(en) La femme
Mannelijk Masculin
Vrouwelijk Féminin
Het wijf (wijven) Une “bonne femme”
Houden van – hield van-h. gehouden van Aimer
De liefde(s) L’amour
Verliefd (op) Amoureux (de)
De vriend(en) Le petit copain - amoureux
De vriendin(nen) La petite copine - amoureuse
De man(nen) Mari - époux
De vrouw(en) Femme – épouse
De partner(s) Le conjoint , compagnon
De hetero(‘s) Hétéro
Homoseksueel Homosexuel
De homo(‘s) Homo, gay
De lesbienne(s) Lesbienne
De prostituee(s) = De hoer(en) La prostituée
De prostitué(s) Le prostitué
Zoenen-zoende-h. gezoend = Kussen-kuste-h.gekust Embrasser , faire la bise
De zoen(en) = De kus (sen) Le bisou
Een zoen geven Faire un bisou
Het plezier Le plaisir
Plezier hebben Avoir du plaisir
Plezier maken Faire plaisir
Plezierig = Plezant (B) Agréable, amusant
Vrijen – vrijde/vree – h. gevrijd/gevreeën Se caresser, s’embrasser
De seks Sexe, rapports sexuels
De seksualiteit La sexualité
Verleiden-verleidde-h.verleid Séduire
Seksueel Sexuel(le)
Sensueel Sensuel(le)
Erotisch Érotique
Sexy Sexy
Zwanger Enceinte
De zwangerschap(pen) La grossesse
De anticonceptie La contraception
Het voorbehoedmiddel(en) Moyen préventif, contraceptif
De pil(len) La pillule
Het condoom(s) Le préservatif
De abortus(sen) Avortement, interruption volontaire de grossesse
Ongesteld Indisposée, qui a ses règles
Voorlichten-lichtte voor –h. voorgelicht Informer, instruire
Seksuele voorlichting Faire l’éducation sexuelle de
Leven-leefde-h.geleefd Vivre
Het leven(s) La vie
De moeder(s) La mère
De vader(s) Le père
De ouder(s) Le parent
De zoon ( zonen, zoons) Le fils
De dochter(s) La fille
Geboren Né(e)
Geboren worden-werd geboren-is geboren Naître
De geboorte(n/s) La naissance
De verjaardag(en) L’anniversaire
De baby(‘s) Le bébé
Het kind(eren) L’enfant
Het meisje(s) =De meid(en) Fille , jeune femme
De jongen(s) Garçon
De peuter(s) Enfant (âgé de 2 à 4ans)
De kleuter(s) Enfant (de 4 à 6 ans)
De kinderwagen(s) Poussette
De wieg(en) Berceau
De luier(s) Couche (pampers)
Groeien – groeide-is gegroeid Croître, pousser
Opgroeien – groeide op – is opgegroeid Grandir, pousser
Zich ontwikkelen- ontwikkelde zich – h. zich ontwikkeld Se développer
De ontwikkeling Le développement
De fase La phase
Opvoeden (voedde op, h.opgevoed) Elever, éduquer
De opvoeding L'éducation
De leeftijd L'âge
De jeugd La jeunesse
Jong Jeune
Oud Vieux, âgé
De jongeren = de jeugd Les jeunes
De tiener L'adolescent
Volwassen Adulte
De volwassene L'adulte
Bejaard Âgé
De bejaarde La personne âgée
Dood < al sla je me dood Mort
De dood La mort
Sterven (stierf, is gestorven)= doodgaan (ging dood, is doodgegaan)= overlijden form (overleed, is overleden) Mourir, décéder
De overledene = de dode Le défunt, le mort
Het lijk Le cadavre
Begraven (begroef, begraven) Enterrer
De begraafplaats = het kerkhof Le cimetière
De begrafenis L'enterrement, les funérailles, les obsèques
Het graf La tombe
Zien (zag, gezien) Voir
Kijken (naar) (keek, gekeken) Regarder
Bekijken (bekeek, bekeken) Regarder (examiner)
Aankijken (keek aan, aangekeken) Regarder (considérer)
Opkijken (keek op, opgekeken) Lever les yeux
Opkijken tegen (keek op tegen, opgekeken tegen) Admirer
Staren (staarde, gestaard) Regarder fixement
Rondkijken (keek rond, rondgekeken) Regarder autour de soi, chercher
De blik Le regard, le coup d'oeil< een blik werpen op
De bril < een bril dragen Les lunettes < Porter des lunettes
De zonnebril Les lunettes de soleil
Contactlens La lentille de contact
Blind Aveugle
Zichtbaar Visible, apparent
Lijken (leek, geleken) Paraître, sembler
Lijken op (leek op, geleken op) Ressembler
Schijnen (scheen, geschenen) < naar het schijnt Paraître, sembler, avoir l'air
Blijken (bleek, is gebleken) Apparaître, ressortir
Merken (merkte, gemerkt) Remarquer, s'apercevoir de
Opmerken (merkte op, opgemerkt) Remarquer, observer
De aandacht = de attentie L'attention
Opletten (lette op, opgelet) Faire attention
Observeren (observeerde, geobserveerde) Observer
Gluren (gluurde, gegluurd) Epier, lorgner
Herkennen (herkende, herkend) Reconnaître
Opvallen (viel op, is opgevallen) Frapper (sortir du lot, être remarqué)
Horen (hoorde, gehoord) Entendre
Luisteren (naar) (luisterde, geluisterd) Ecouter
Beluisteren (beluisterde, beluisterd) Ecouter
Het geluid Le son
Klinken (klonk, geklonken) Sonner, retentir (paraître)
De klank La sonorité
Het lawaai = de herrie = het rumoer Le bruit, le vacarme, le brouhaha
< lawaai maken Faire du bruit
Hard = LUID (eng: loud) Fort, haut
Zacht Doux, bas
Rustig Calme,tranquille
Stil Calme, paisible, silencieux
< in stilte Dans le silence, en silence
Zwijgen (zweeg, gezwegen) Se taire
Doof Sourd
Opvangen (ving op, opgevangen) Saisir
Ruiken (rook, geroken) Sentir, renifler
De geur L'odeur, le parfum
Lekker Délicieux
Vies Sale, malpropre, obscène
Proeven (proefde, geproefd)(ita : provare) Goûter
De smaak Le goût
Smaken (naar) (smaakte, gesmaakt) Goûter, avoir un goût
Voelen (voelde, gevoeld) Sentir, percevoir
Genieten (van) (genoot, genoten) Jouir, bénéficier de
Zacht Mou, doux
Hard Dur
Koud Froid
Fris= koel Frais
Warm Chaud
Heet(eng : hot) Bouillant
Bewegen (bewoog, bewogen) Mouvoir, agiter
De beweging < bij de minste beweging Le mouvement < Au moindre mouvement
Het gebaar Le geste
Wenken (wenkte, gewenkt) Faire un signe
Uitbeelden (beeldde uit, uitgebeeld) Représenter, mimer, interpréter
Doen (deed, gedaan) Faire
De daad L'action
Het gedoe < wat een gedoe ! Les agissements
De actie L'action
De activiteit L'activité
Levendig Vif, animé
Zich inspannen (spande zich in, zich ingespannen) S'engager
De moeite L'effort
< moeite doen Faire des efforts
< moeite kosten coûter des efforts, avoir du mal
< moeite hebben met Avoir peine à
Handelen (handelde, gehandeld) Agir, procéder
Ophouden (hield op, opgehouden) Cesser
Ophouden (met) (hield op, is opgehouden) Arrêter
Tegenhouden (hield tegen, tegengehouden) Retenir
Vervolgen (vervolgde, vervolgd) < wordt vervolgd Poursuivre
Krijgen (kreeg, gekregen) Recevoir
Verkrijgen (verkreeg, verkregen) Obtenir
Terugkrijgen (kreeg terug, teruggekregen) Récupérer
Geven (gaf, gegeven < het geeft niet / dat geeft niet Donner < Ce n'est pas grave
Verlenen (verleende, verleend) Accorder
Verdelen (in) (verdeelde, verdeeld) Partager
Uitdelen (deelde uit, uitgedeeld) Distribuer, répartir
Voorzien van (voorzag van, voorzien van) Subvenir à
Gooien (gooide, gegooid) = werpen form (wierp, geworpen) Jeter
Strooien (strooide, gestrooid) Répandre
Gaan (ging, is gegaan) Aller
< hoe gaat het ? Comment ça va ?
< ga je gang ? Avancez
Binnengaan (ging binnen, is binnengegaan) Entrer
Voorbijgaan (ging voorbij, is voorbijgegaan) Passer, défiler, (ignorer)
Rondgaan (ging rond, is rondgegaan) Tourner autour
Heen = naartoe Vers où
Tegemoet A la rencontre de, au-devant de
Vandaan De
Terug De retour
Teruggaan (ging terug, is teruggegaan) Retourner, revenir en arrière
Zich begeven naar (begaf zich naar, zich begeven naar) form Se rendre (sur les lieux), se diriger
Lopen (liep, is gelopen) Marcher, courir
Lopend= te voet A pieds
Stappen (stapte, is gestapt) Marcher
< gaan stappen Sortir
De stap = De pas < Stap voor stap Le pas < Pas à pas
Wandelen (wandelde, is gewandeld) Se promener
Rondlopen (liep rond, rondgelopen) Se promener
Doorlopen (liep door, is doorgelopen) Continuer, Avancer
Rennen (rende, is gerend) Courir
Kruipen (kroop, is gekropen) Ramper
Sluipen (sloop, is geslopen) Marcher tout doucement (sur la pointe des pieds)
Zwerven (zwierf, is gezworven) Errer, rôder, vagabonder
Komen (kwam, is gekomen) Venir
Thuiskomen (kwam thuis, is thuisgekomen) Rentrer chez soi
Binnenkomen (kwam binnen, is binnengekomen) Entrer, rentrer
Terugkomen (kwam terug, is teruggekomen) Retourner
Belanden (belandde, is beland = Terechtkomen (kwam terecht, is terechtgekomen) Arriver
Naderen (naderde, is genaderd) S'approcher de
Benaderen (benaderde, benaderd) S'adresser (à quelqu'un)
Weg (adv.) < Weg moeten Partir
Weggaan (ging weg, is weggegaan) = Vertrekken (vertrok, is vertrokken) S'en aller
Verlaten (verliet, verlaten) Quitter
Achterblijven (bleef achter, is achtergebleven) Rester
Bijhouden (hield bij, bijgehouden) Suivre
Verdwijnen (verdween, is verdwenen) Disparaître
Verwijderen (verwijderde, verwijderd) < Zich verwijderen (verwijderde zich, zich verwijderd) Éloigner < S'éloigner
Weggooien (gooide weg, weggegooid) Jeter
Weglopen (liep weg, is weggelopen) S'en aller
Ervandoorgaan (ging ervandoor, is ervandoorgegaan) S'enfuir
Wegrijden (reed weg, is weggereden ) Partir
Vooruit (adv.) En avant
Achteruit (adv.) En arrière
Op en neer De haut en bas
Druk < De drukte < Het druk hebben (had het druk, het druk gehad) Animé < L'animation, le mouvement < Avoir la pression
Bezig Occupé
Bezig zijn (met) (was bezig, is bezig geweest) = in de weer zijn (met) (was in de weer, is in de weer geweest) Être occupé
Bezighouden (met) (j-hield bezig, beziggehouden) < Zich bezighouden (met) (hield zich bezig, zich beziggehouden) Occuper < S'occuper
Snel = Vlug = Gauw (adv.) Rapide
Hard (adv.) Vite
Meegaan (ging mee, is meegegaan) Accompagner (quelqu'un)
Meekomen (kwam mee, is meegekomen) Venir (avec quelqu'un)
Volgen (volgde, gevolgd) < Als volgt Suivre < Comme suit
Instappen (stapte in, is ingestapt) Entrer (dans)
Uitstappen (stapte uit, is uitgestapt) Descendre
Springen (sprong, is gesprongen) Sauter
Klimmen (klom, is geklommen) Escalader
Afkomen van (kwam af van, is afgekomen van) Provenir de
Afkomen op (kam af op, is afgekomen op) Se diriger vers
Zich haasten (haastte zich, zich gehaast)= Opscieten (schoot op, is opgeschoten) Se dépêcher
De haast< Haast hebben La hâte, l'empressement < Être pressé
Brengen (bracht, gebracht) < u wordt gebracht Apporter
Meebrengen (bracht mee, meegebracht) Apporter
Meenemen (nam mee, meegenomen) < Dat is mooi meegenomen Prendre < C'est toujours ça de pris
Halen (haalde, gehaald) Prendre
Afhalen < U wordt afgehaald Aller chercher < Vous serez pris en charge
Dragen (droeg, gedragen) Porter
Sjouwen (sjouwde, gesjouwd) Peiner
Meekrijgen (kreeg mee, meegekregen) Recevoir
Zetten (zette, gezet)= plaatsen (plaatste, geplaatst) Installer
Neerzetten (zette neer, neergezet) Poser, déposer
Terugzetten (zette terug, teruggezet)= Terugplaatsen (plaatste terug, teruggeplaatst) Reculer
Leggen (legde, gelegd) Coucher, poser
Neerleggen (legde neer, neergelegd) Poser, mettre
Vallen (viel, is gevallen) Tomber
Donderen (donderde, is gedonderd) Dégringoler
Struikelen (struikelde, is gestruikeld) Trébucher
Het evenwicht L'équilibre
Optillen (tilde op, opgetild)= opheffen (hief op, opgeheven) Lever, soulever
Stoppen in (stopte in, in ... gestopt)= steken in (stak in, in .. gestoken)=doen in (deed in, in ... gedaan) Fourrer (dans)
Duwen (duwde, geduwd) Pousser
Trekken (trok, getrokken) Tirer
Steken (met) (stak, gestoken) Blesser, Piquer
Aanraken (raakte aan, aangeraakt) Toucher
Schuiven (schoof, geschoven) Glisser
Rukken (rukte, gerukt) Arracher
Stoten (stootte, gestoten) Cogner
Schudden (schudde, geschud) Secouer
Reiken (reikte, gereikt) Tendre
Uitsteken (stak uit, uitgestoken) Étendre
Vouwen (vouwde, gevouwen) Plier
De trap(-pen)= de schop(-pen) Le coup de pied
Trappen (trapte, getrapt)= schoppen (schopte, geschopt) Donner un coup de pied
Pakken (pakte, gepakt)= nemen (nam, genomen) < (de koffers) pakken Prendre < faire les valises
de bus/de trein nemen prendre le bus/le train
Afpakken (pakte af, afgepakt)= Afnemen (nam af, afgenomen) Chiper (quelque chose à quelqu'un)
Aanpakken (pakte aan, aangepakt)= Aannemen (nam aan, aangenomen) Prendre, saisir
Grijpen (greep, gegrepen) < de kans grijpen S'emparer de, saisi sur le vif < Saisir la chance
Vangen (ving, gevangen) Attraper
Vasthouden (hield vast, vastgehouden) Tenir
Loslaten (liet los, losgelaten) Détacher
Binden (bond, gebonden) Lier, relier
Vastmaken (maakte vast, vastgemaakt) Attacher, accrocher, fixer
Vastgrijpen (greep vast, vastgegrepen)= Vastpakken (pakte vast, vastgepakt) S'accrocher à
Vastleggen (legde vast, vastgelegd) Engager
Sluiten (sloot, gesloten) Fermer (à clé)
Opendoen (deed open, opengedaan) Ouvrir
Dichtdoen (deed dicht, dichtgedaan)= toedoen (deed toe, toegedaan) Fermer
Staan (stond, gestaan) Être debout
Liggen (lag, gelegen) Être couché
Zitten (zat, gezeten) < het zien zitten / het niet zien zitten < laat maar zitten < het zit erop Être assis < savoir que faire / ne pas savoir que faire < laisse tomber < c'est fini
Hangen (hing, gehangen) Pendre
Opstaan (stond op, is opgestaan) Se lever
Plaatsnemen (nam plaats, plaatsgenomen) Prendre place
Omdraaien (draaide om, omgedraaid) = Omkeren (keerde om, omgekeerd) Tourner, retourner
Zich omdraaien (draaide zich om, zich omgedraaid) = Zich omkeren (keerde zich om, zich omgekeerd) Se tourner, se retourner
Omslaan (sloeg om, omgeslagen) Tourner
De steun(-en) Le soutien, l'appui
Steunen (op) (steunde, gesteund) S'appuyer sur
Leunen (leunde, geleund) S'appuyer
Achterover (adv.) En arrière
Voorover (adv.) En avant
Stilzitten (zat stil, stilgezeten) Ne pas bouger
Ophangen (hing op, opgehangen) Suspendre, accrocher
Moe Fatigué
Vermoeien (vermoeide, vermoeid) Fatiguer
Uitgeput Épuisé
Slapen (sliep, geslapen) Dormir
De slaap< in slaap vallen Le sommeil< s'endormir
Rusten (rustte, gerust) Se reposer
De rust (eng: rest) Le repos
Uitrusten (rustte uit, uitgerust) Récupérer (du repos)
Wakker< wakker worden< wakker maken Éveillé < Se réveiller < Réveiller
Gapen (gaapte, gegaapt)= Geeuwen (geeuwde, gegeeuwd) Bâiller
Uitslapen (sliep uit, uitgeslapen) Faire la grasse matinée
Wekken (wekte, gewekt) Se réveiller
Dynamisch Dynamique
Slaan (sloeg, geslagen) Frapper
Kloppen (klopte, geklopt) Battre
< dat klopt < c'est juste, c'est exact
De klap(-pen) = De slag(-en) < en klap geven Le coup, la claque < donner une claque
Een klap geven Donner un coup
Scheuren (scheurde, h. gescheurd) Déchirer
Buigen (boog, h. gebogen) Plier,
Bukken (bukte, h. gebukt) Se baisser
Bijten (beet, h. gebeten) Mordre
Trillen (trilde,h. getrild) = beven (beefde, h. gebeefd) Trembler
Wijzen (wees, h. gewezen) Montrer
Aanwijzen (wees aan, h. aangewezen) Indiquer
Tonen (toonde, h. getoond)(B) Montrer
Verbergen (verborg, h. verborgen) = verstoppen (verstopte, h. verstopt) Cacher
Tevoorschijn komen (kwam tevoorschijn, is tevoorschijn gekomen) Se manifester, apparaître
Leiden (leidde, h. geleid) Conduire
Uitkleden (kleedde uit, h. uitgekleed) Déshabiller
Aankleden (kleedde aan, h. aangekleed) Habiller
Inpakken (pakte in, h. ingepakt) Emballer
Verplaatsen (verplaatste, h. verplaatst) Déplacer
Verschuiven (verschoof, h. verschoven) Déplacer, pousser
Rollen (rolde, h./is gerold) (rolde, h. gerold) Rouler
Opwinden (wond op, h. opgewonden) Allumer
Wiebelen (wiebelde, h. gewiebeld) Se balancer
Het teken(s) Un signe
Een teken geven Faire signe à qqn
Knikken (knikte, h. geknikt) Faire un signe de tête
Glimlachen (glimlachte, h. geglimlacht) Sourire
Zwaaien (zwaaide, h. gezwaaid) Agiter
Strelen (streelde, h. gestreeld) Caresser
Knijpen (in) (kneep, h. geknepen) Pincer
Klappen (klapte, h. geklapt) = in de handen klappen = applaudisseren (applaudisseerde, h. geapplaudisseerd) Applaudir, battre des mains
Ademen (ademde, h. geademd) Respirer
Slikken (slikte, h. geslikt) Avaler
Zuigen (zoog, h. gezogen) Sucer
Spugen (spuggde, h. gespuugd) Cracher
Snurken (snurkte, h. gesnurkt) Ronfler
Blazen (blies, h. geblazen) Souffler
Fluiten (floot, h. gefloten) Siffler
Mooi(e) Beau/belle
Knap(pe) Beau/belle/joli(e)
Aantrekkelijk Attirant
Lelijk Laid
Eruitzien (als/alsof) Avoir l’air, sembler
Lijken op (leek op, h. geleken op) Ressembler à
Het uiterlijk L’apparence
Bleek Pâle
Groot Grand
Hoe groot…? Combien mesure…?
Klein Petit
De lengte(n/s) Taille
De houding La position
Wegen (woog, h. gewogen) Peser
Het gewicht Le poids
Dik Gros
Dun Fin
Het figuur(guren) La figure
Mager Maigre
Slank Mince
Afvallen (viel af, is afgevallen) Maigrir
Het dieet(Eng: Diet) Le régime
Het haar Les cheveux
Lang Long
Kort Court
Donker Foncé
Blond Blond
De krul(len) Boucle
Knippen (knipte, h. geknipt) Couper
De baard(en) La barbe
De snor(en) La moustache
Kaal Chauve
In de war zitten (zat in de war, h. in de war gezeten) Être embrouillé, être emmêlé
De stijl(en) Le style
Smaakvol = stijlvol Élégant = stylé
De mode(s) La mode
In de mode À la mode
Net Soigné
Netjes Convenable
Keurig Irréprochable
Slordig Négligent
Het bad(en) Le bain
De douche(s) La douche
Een bad/douche nemen Prendre un bain/une douche
Douchen (douchte, h. gedoucht) Se doucher
Zich wassen (waste (zich), h. (zich) gewassen) Se laver
De zeep (zepen) Le savon
Vuil Sale
Schoon Propre
De handdoek(en) La serviette (de toilette), l’essuie (B)
Zich opfrissen (friste zich op, h. zich opgefrist) Se rafraîchir
De hygiëne L’hygiène
De tandenborstel(s) La brosse à dent
De tandpasta(‘s) Le dentifrice
Poetsen (poetste, h. gepoetst) Frotter
Je tanden poetsen Te brosser les dents
(zich) scheren (schoor (zich), h. (zich) geschoren) Raser
Het scheermesje(s) La lame de rasoir
Het scheerschuim La mousse à raser
De kam(men) Le peigne
Kammen (kamde, h. gekamd) Peigner
De borstel(s) La brosse
Borstelen (borstelde, h. geborsteld) Brosser
De gel(s) Le gel
De wastafel(s) = de wasbak(ken) Le lavabo
De shampoo Le shampoing
De kapper(s)/ De kapster(s) Le coiffeur/ la coiffeuse
De/het kapsalon(s) Le salon de coiffure
Het kapsel(s) La coiffure
de föhn(en/s) Le sèche-cheveux
(zich) opmaken (maakte (zich) op, h. (zich) opgemaakt) Se maquiller
De make-up Le maquillage
Het parfum(s) Le parfum
De crème(s) La crème
De zonnebrandcrème(s) La crème solaire
Het poeder(s) La poudre
Created by: gfm33