Welcome to StudyStack, where users create FlashCards and share them with others. Click on the large flashcard to flip it over. Then click the green, red, or yellow box to move the current card to that box. Below the flashcards are blue buttons for other activities that you can try to study the same information.
Test Android StudyStack App
Please help StudyStack get a grant! Vote here.
or...
Reset Password Free Sign Up

Free flashcards for serious fun studying. Create your own or use sets shared by other students and teachers.


incorrect cards (0)
correct cards (0)
remaining cards (0)
Save
0:01
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the Correct box, the DOWN ARROW key to move the card to the Incorrect box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

Correct box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards


Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Imperfectum

Je ziet een zin in presens. Maak een nieuwe zin met het imperfectum.

QuestionAnswer
Ik bijt in de appel. Ik beet in de appel.
De bus komt aan. De bus kwam aan.
Elke morgen bakt oma taart. Elke morgen bakte oma taart.
We begrijpen het niet. We begrepen het niet.
Jullie bewegen te weinig. Jullie bewogen te weinig.
De afwasser wast de borden niet goed af. De afwasser waste de borden niet goed af.
Je doet een jas aan. Je deed een jas aan.
Hij bezoekt zijn grootvader te weinig. Hij bezocht zijn opa te weinig.
De kinderen blijven vaak logeren bij oma en opa. De kinderen bleven vaak logeren bij oma en opa.
Elke dag drinkt Louis een glaasje wijn. Elke dag dronk Louis een glaasje wijn.
De bakker brengt het brood rond. De bakker bracht het brood rond.
Mark en Mieke blazen zeepbellen. Mark en Mieke bliezen zeepbellen.
De kelner breekt een glas. De kelner brak een glas.
Jij denkt veel aan hem. Jij dacht veel aan hem.
De kinderen gaan vaak naar het bos. De kinderen gingen vaak naar het bos.
Ik draag altijd dure kledij. Ik droeg altijd dure kledij.
Papa hangt de was buiten. Papa hing de was buiten.
Wij houden van elkaar. Wij hielden van elkaar.
Elke avond kijkt zij naar het nieuws. Elke avond keek ze naar het nieuws.
De zieke geneest langzaamaan. De zieke genas langzaamaan.
Ik kies bewust voor groene energie. Ik koos bewust voor groene energie.
Die tafel neemt te veel plaats in. Die tafel nam te veel plaats in.
Kleine Martha helpt haar mama met het bakken van een appelcake. Kleine Martha hielp haar mama met het bakken van een appelcake.
Jullie hebben geluk. Jullie hadden geluk.
Elke maand geven wij elkaar een verrassing. Elke maand gaven wij elkaar een verrassing.
Julie lacht altijd. Julie lachte altijd.
Ik loop regelmatig naar het park. Ik liep regelmatig naar het park.
De kat ligt graag in de zetel. De kat lag graag in de zetel.
Ik koop verse groeten in de buurtwinkel. Ik kocht verse groenten in de buurtwinkel.
Mijn broer kan een marathon lopen. Mijn broer kon een marathon lopen.
Lies klimt verschillende moeilijke routes. Lies klom verschillende moeilijke routes.
Voor het slapengaan lees ik een boek. Voor het slapengaan las ik een boek.
Het kindje krijgt een knuffelbeer. Het kindje kreeg een knuffelbeer.
Ik kom te voet naar school. Ik kwam te voet naar school
De wetenschapper onderzoekt de gevolgen van de klimaatsverandering. De wetenschapper onderzocht de gevolgen van de klimaatsverandering.
Hij ontbijt nooit. Hij ontbeet nooit.
Jullie moeten op tijd thuis zijn. Jullie moesten op tijd thuis zijn.
Een man overvalt de bank. Een man overviel de bank.
Wij staan op tijd op. Wij stonden op tijd op.
Peter schrijft een sprookje. Peter schreef een sprookje.
De cubaan springt graag op de trampoline. De cubaan sprong graag op de trampoline.
De auto's rijden veel te snel. De auto's reden veel te snel.
U snijdt de ajuin in kleine stukjes. U sneed de ajuin in kleine stukjes.
De lerares sluit de deur. De lerares sloot de deur.
Je spreekt veel te snel. Je sprak veel te snel.
Ze slapen een gat in de dag. Ze sliepen een gat in de dag.
De zon schijnt de hele dag. De zon scheen de hele dag.
We roepen om hulp. We riepen om hulp.
Je steelt snoepjes uit de winkel! Je stal snoepjes uit de winkel!
Jullie gaan elk weekend uit. Jullie gingen elk weekend uit.
Het water stijgt. Het water steeg.
Juul doet zijn jas uit. Juul deed zijn jas uit.
De mensen staan niet graag in de rij. De mensen stonden niet graag in de rij.
Ik trek aan het touw en het licht gaat uit. Ik trok aan het touw en het licht ging uit.
Hij steekt een bloem in haar haar. Hij stak een bloem in haar haar.
Oma sterft aan een slopende ziekte. Oma stierf aan een slopende ziekte.
Mijn vader strijkt zijn kleren niet. Mijn vader streek zijn kleren niet.
Nene vraagt iets. Nene vroeg iets.
Ik weeg te veel. Ik woog te veel.
Wij wassen ons met milieuvriendelijke zeep. Wij wasten ons met milieuvriendelijke zeep.
Het vliegtuig vliegt heel laag. Het vliegtuig vloog heel laag.
Jullie weten niets! Jullie wisten niets.
De wielrenner wint zijn eerste wedstrijd. De wielrenner won zijn eerste wedstrijd.
Najet zingt als een nachtegaal. Najet zong als een nachtegaal.
Jullie zijn stout! Jullie waren stout!
Ik zoek een vriend om samen muziek te maken. Ik zocht een vriend om samen muziek te maken.
Hij zwemt zoals de beste. Hij zwom zoals de beste.
Ik zie de vogel vliegen! Ik zag de vogel vliegen.
We zitten in de bibliotheek. We zaten in de bibliotheek.
Created by: neneb on 2013-11-10



bad sites Copyright ©2001-2014  StudyStack LLC   All rights reserved.