Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

MGZ 1

TermDefinition
Eilandjes van Langerhans Endocriene celgroepen in de pancreas die de bloedglucose reguleren ( alpha en beta cellen )
Betacel cel die insuline produceert
insuline hormoon dat glucoseopname en opslag bevordert
glycogeen opslagvorm van glucose
postprandiaal periode na een maaltijd
Diabetes mellitus 1 diabetes met een absoluut insuline tekort, autoimmuunsysteem valt eigen betacellen aan.
Diabetes mellitus 2 diabetes waarbij insuline werking onvoldoende is, door insuline resistentie
MODY monogene vorm van diabetes, door mutatie in een gen
Hyperglykemie < 4mmol/L te hoge bloedglucose. O.a veel dorst, plassen
hypoglykemie > 10 mmol/L te lage bloedglucose. O.a trillen, zweten, hartkloppingen
glucosurie glucose in urine, door hyperglykemie
polyurie veel urineren
polydipsie veel dorst
microvasculaire schade schade aan kleine bloedvaten
macrovasculaire schade schade aan grote bloedvaten, risico cardiovasculaire schade
metformine diabetes medicijn dat de aanmaak van glucose in de lever remt, gebruikt bij DM2
retinopathie schade aan bloedvaten in het oog
neuropathie schade aan zenuwen
biopsychosociaal model gezondheid bekijken vanuit biologische, psychologische en sociale factoren
stressor prikkel/gebeurtenis die een stressreactie kan veroorzaken
primary appraisal beoordeling of een situatie stressvol/bedreigend is
secondary appraisal beoordeling of je voldoende middelen hebt om ermee om te gaan
coping manier waarop iemand met stress of problemen omgaat
somatische attributie klacht toeschrijven aan een lichamelijke oorzaak
zelfeffectiviteit verwachting dat je zelf bepaald gedrag of een taak kunt uitvoeren
sociale norm wat binnen een groep als normaal/acceptabel wordt gezien
sociale invloed invloed van andere personen op gedrag
sociale controle mechanismen waarbij een groep gedrag probeert te sturen
positieve bekrachtiging positief gevolg na gedrag waardoor gedrag waarschijnlijker wordt
selectieve aandacht aandacht wordt vooral gericht op bepaalde signalen
symptoomperceptie proces waarbij lichamelijke signalen worden waargenomen en geinterperteerd
healthy aging gezond functioneren tijdens veroudering
somatische input geheel van input van lichamelijke sensaties of prikkels
waarneming combi van aandacht en somatische input
aandacht bestaat uit selectieve aandacht en negatieve affectiviteit
negatieve affectiviteit neiging om negatieve prikkel/emoties te ervaren is hoger
patient delay uitstelgedrag
predispositie vatbaarheid voor bepaalde aandoening
somatiek lichamelijk klachten
cognitie gedachten die iemand over ziekte heeft
SCEGS hoe ervaart iemand ziekte Somatiek, cognitie, emotie, gedrag, sociaal
precontemplatiefase iemand heeft het besef nog niet
contemplatie fase iemand beseft en overweegt iets
preparatie fase iemand stelt een plan op
actie fase iemand voert plan uit
fase van volhouden zorgen dat er geen terugval gebeurt
uitgang/terugval fase teruggevallen, opnieuw moeten beginnen
levensfase zorg geboortezorg, preventie, cure, care , palliatieve zorg
metabolisme geheel van biochemische processen in cellen
glycolyse afbraak van glucose tot pyruvaart, levert ATP en NADH op
pyruvaat product van glycolyse
lactaat product dat uit pyruvaat kan ontstaan, komt NAD+ bij vrij
NAD+ elektronen acceptor die nodig is voor glycolyse
NADH elektronendrager, levert elektronen aan oxidatieve fosfolyering
FADH2 elektronendrager, levert elektronen aan oxid
citroenzuurcyclus cyclus die vooral elektronendrager, NADH en FADH2 oplevert
Oxidatieve fosforylering mitochondriaal proces waarmee ATP wordt gevorm
ATP direct bruikbare energiedrager van de cel
Prtongradient verschil in H+ over mitochondriale binnenmembraana
ATP-synthase door H+ gradient stoormt H+ terug via enzym en ATP gevormd
mtDNA mitochondriaal DNA
MELAS erfelijke mitochnodiale aandoening met verstoorde oxphos, ATP probleem + verhoogd lactaat
hetroplasmie verschillende mtDNA naast elkaar
homoplasmie mtDNA kopien hebben zelfde variant
bottleneck effect willekeurige verdeling van mtDNA bij vorming van eicel
threshold-effect iets komt tot uiting na overschrijden van een bepaalde drempelwaarde
citrulline molecuul betrokken bij NO productie
NO (stikstofmonooxide) belangrijk voor vaatverwijding
TRH (Thyrotropin realsing hormoon) hypothalamushormoon dat hypofyse stimuleert
TSH hypofyse hormoon dat schildklier stimuleert
T3 ( tyroxine) schildklierhormoon, actieve vorm, stimuleert DNA transcriptie, metabolisme door vetaanmak/vetafbraak en reguleert energie opslag en verbruik
T4 (tyroxine) schildklierhormoon dat in grote hoeveelheid wordt geproduceerd, omgezet in T3
negatieve feedback eindproduct remt eerder schakels van regelkring
follikelcel schildkliercel betrokken bij productie T3 en T4
colloid folliculair lumen waarin materiaal ligt opgeslagen voor schildklierhormoon
Thyroglobuline eiwit waaraan tyrosines voor hormoonsynthese binen
Ziekte van Graves autoimmuunziekte waarbij TSHreceptor wordt gestimuleerd
thyreostatica middelen die schildklierhormoonproductie remmen
PTU thyreostaticum, remt omzetting T4 in T3
glycogenese maken van glucose uit glycogeen
glycogenolyse afbraak van glucose
gluconeogenese aanmaak van nieuw glucose
glucagon hormoon uit alpha cellen, glucose vrijmaken/ maken
ontsteking lokale reactie op weefselschade met exsudaat en infiltraat
calor warmte
dolor pijn
rubor roodheid
tumor zwelling
functio laesa functie verlies
exsudaat eiwitrijkvocht dat bij ontsteking uittreedt
oedeem vochtophoping in weefsel
iL-1 cytokine
iL-6 cytokine
TNF-a cytokine
cytokine signaalstof waarmee immuuncellen communiceren
chemokine signaalstof die cellen naar een locatie trekt, chemotaxis
vasodilatatie verwijding bloedvat
vasoconstricitie vernauwing van bloedvat
permeabiliteit mate waarin vaatwand stoffen doorlaat
chemotaxis gerichte verplaatsing van cellen naar chemisch signalen
fagocytose opname en afbraak van materiaal/pathogeen door neutrofielen en macrofagen
aangeboren afweer snelle, a specefieke afweer, PAMP en DAMP herkinning
verworven afweer langzame, specefiek afweer met geheugen
PAMP pathogeen geassocieerd moleculair patroon
DAMP schade geassocieerd moleculair patroon
TLR toll-like receptor, herkent PAMP en DAMP
monocyt myeloide immuuncel kan macrofaag worden
macrofaag fagocyterende immuuncel, opruimen en immuunactivatie
dendritische cel antigeenpresenterende cel
neutrofiel granulocyt die snel fagocyteert bij acute ontsteking
eosinofiel granulocyt belangrijk bij parasitaire wormen
basofiel granulocyt betrokken bij inflammatoire-allergische reacties, geeft histamine ad
mestcel weefselcel betrokken bij inflammatie, geeft histamine af
NK/cel lymfoide cel van aangeboren afweer, kan geinfecteerde cellen doden
complement cascade van oplosbare serumeiwitten
klasieke complementroute complementenactivatie door gebonden antistoffen
alertnatieve route complement activatie zonder voorafgaande antistofrespons
lectineroute ander antistofafhankelijke complementroute
C3a-C5a complementcomponenten die lokale inflatie bevorderen
opsonisatie pathogeen labelen voor snellere fagocytose
C3b complementcomponent voor opsonisatie
MAC membrane attack complex
lysis kapot gaan van cel door membraanschade
T/cel lymfocyt van verworven afweer, rijpt in thymus
CD8+ T-cel cytotoxische T-cel, doodt geinfecteerde cellen
CD4+ T-helpercel T-cel die andere immuuncellen hellpt activeren
Th1 T-helpercel type die macrofagen activeert
Th2 T-helpercel die b cellen activeert
Treg regulatoire T-cel, remt ander T-cellen
T-geheugencek langlevende cel voor snellere herrespons
Antigeenpresenterende cel cel die antigeen via MHC presenteert, dendritische cel, B-cel, macrofaag
MHC-l presenteerd cytosolaire peptiden, CD8+
MHC-ll Op APC, presenteer extracellulair afkomstig antigeen, CD4+
antigeen structuur die specifiek wordt herkend door immuunsysteem
B-cel lymfocyt betrokken bij humorale afweer
plasma cel uitgerijpte b-cel die antistoffen produceert
B-geheugencel zorgt voor snelle en sterke respons bij herinfectie
antistof immuunoglobuline dat antigeen herkent, van plasmacel
fab antigeenbindend deel van antistof, herkent antigeen
fc staartgedeelte van antistof
IgM immunogloulineklasse, complementactivatie
IgD immunogloulineklasse, vooral op receptor naieve b-cel
IgA immunogloulineklasse, bescherming slijmvliezen
IgG immunogloulineklasse, Kan na class-switch worden geproduceerd,neutralisatie, opsonisatie en complementactivatie
IgE immunogloulineklasse, Kan na class-switch worden geproduceerd, allergische reactie en afweer tegen parasieten/wormen
isotype-switching b-cel verandert geproduceerde antistofklasse
affiniteitsmaturatie antistoffen gaan sterker aan antigeen binden
co-stimulatie extra activatiesignaal naast antigeenherkenning
epitheel aaneengesloten bedekkende cellaag die aan een lumen kan grenzen
endotheel epitheel dat de binnenkant van bloedvaten bekleed
bindweefsel weefsel met cellen en veel extracellulaire matrix
type weefsels spierweefsel, zenuwweefsel, epitheel, bind/steunweefsel
firoblast bindweefsel die o.a extracellulaire matrix produceert
collageen stevig structueel eiwit van bindweefsel
elastine eiwit dat weefsel elasticiteit geeft
tunica intima binnenste vaatlaag met endotheel en dun bindweefsel
functie tunica intima vaattonus, stolling, ontsteking en groeifactoren reguleren
lamina elastica interna elastische laag tussen intima en media, duidelijk bij arterien
tunica media middelste vaatlaaf met circulaire gladde spiercellen
gladde spiercellen vaatwand functie reguleren diameter van bloedvat
stenose vernauwing van bloedvat
arterie bloedvat dat van hart afvoert
arteriole klein slagvat dat weerstand en lokale doorbloeding reguleert
capillair klein vat gespecialiseerd in uitwisseling met weefsels
vene bloedvat dat naar hart toe stroomt
bloedstroom Q hoevelheid bloed per tijdseenheid stroomt
basisrelatie bloedstroom Q = ΔP/R
ΔP drukverschil dat bloedstroom aandrijft
R weerstand tegen bloedstroom
poiseuille bloedstoom afhankelijk van r^4
bloedstroomsnelheid v = Q / totale dwarsdoorsnede
Waarom flow langzaam in capillairen? Ze hebben samen een zeer grote totale dwarsdoorsnede
wandspanning T = ΔP × r
Wet van Laplace Wandspanning neemt toe met druk en straa
Hartminuutvolume Hartfrequentie × slagvolume
Hartfrequentie hartslagen per minuut
slagvolume volume bloed dat per systole wordt uitgepompt
Compliantie hoe goed een bloedvat omgaat met drukverandering/uitzetting
Veroudering en compliantie Arteriën worden stijver → compliantie daalt
Windketelfunctie Elastische arteriën vangen drukschommelingen op
Atherosclerose Proces waarbij een plaque in de arteriële vaatwand ontstaat
Foamcel Lipidenrijke macrofaag na opname van LDL
Fibro-inflammatoire plaque Plaque met ontsteking, lipiden/necrotische kern en littekenweefsel
Gecompliceerde plaque Verder gevorderde plaque met hoger risico op trombose
Trombose Vorming/aanwezigheid van een trombus in een bloedvat
Trombus blodstolsel in vaatstelsel
Trias van Virchow endotheelschade, afwijkende bloedstroom en hypercoagulabiliteit
endotheelschade schade aan vaatbkleding, bevordert trombusvorming
stase verminderde/stilstaande bloedstroom
hypercoagulabiliteit verhoogde neiging van het bloed om te gaan stollen
ontgroening aantal jongeren neemt af
dubbele vergrijzing meer ouderen en ouderen bereiken hogere leeftijd
vergrijzing meer ouderen
apoptose geprogameerde celdood
autofagie cellen beschadigde componenten en eiwitten afbreken
senescentie levende cel permanent stopt met delen
telomerase enzym dat telomeer verkorting gedeeltelijk tegengaat
telomeerverkorting Telomeren worden korter bij opeenvolgende celdelingen
telomeer DNA stuctuur aan uiteinden van chromosoom
lipofuscine Verouderingspigment dat zich in cellen kan ophopen
wear and tear Opeenhoping van mechanische slijtage
AGE ( advanced glycation end product) Onherstelbaar veranderde/beschadigde eiwitten door glycatie
maillard reactie Reactie waarbij suikers aan eiwitten koppelen
eiwitaggregatie samenklonting van eiwitten
Glutathionperoxidase Enzym dat schadelijke zuurstofverbindingen helpt verminderen
catalase enzym dat reactieve zuurstofproducten helpt omzetten
SOD Superoxidedismutase; enzym betrokken bij verwerking van zuurstofradicalen
Antioxidanten stoffen due radicalen/ROS onschadleijk helpen maken (vitamine C/E)
effect van teveel ROS Oxidatieve beschadiging van cellulaire bestanddelen
ROS reactieve zuurstofverbindingen
oxidatieve stress schade door disbalans tussen ROS en antioxidanten
lateraal naar buiten
mediaal naar midden
ventraal buikzijde
dorsaal rugzijde
proximaal dichterbij centrum
distaal verder van centrum
anterior voorzijde
posterior achterzijde
flexie buigen
extensie strekken
doorsaalflexie van onder naar boven
plantairflexie van boven naar beneden
abductie lichaamsmiddellijn af
adductie naar lichaammiddellijn toe
exorotatie naar buiten draaien
endorotatie naar binnen draaien
inversie voetzool naar binnen
enversie voetzool naar buiten
femur bovenbotbeen
tibia scheenbeen
fibula kuitbeen
coxa heupbeen
talus bot dat deelmeent aan enkelgewricht
quadrioceps spiergroepvoorzijde bovenbeen, M rectus femoris, M sartorius
Hamstrings spiergroep achterzijde bovenbeen, M.bicep demoris, M.semimembranosus, M.semimemdinosus,
M tibialis anterior spier uit pretibiagrope
M.gastrocnemius grote kuitspier
Caput mediale/laterale gastrocnemius mediale/laterale kop gastrocnemius
M soleus kuitspier
M tibialis posterior spier uit kuitgroep
voorste kruisband ACL, stabilissert knieband
achterste kruisband PCL, stabiliseert knieband
voorste schuiflade test ACL getest
achterste schuiflade test PCL getest
enkelgewricht bestaat uit tibia, fibula en talus
mediale enkelband binnen enkel, ligamentum collaterale medial, pars tibiotalaris posterior, pars tibiocalcanea, pars tibiotalaris anterior, pars tibionavicularis
laterale enkelband buitenenkel, lig talofibulare anterius, lig talofibulare posterius, lig calcaneofibulare
achillespeesruptuur plantairflexie aangedaan
nature genetische factoren
nurture omgevingsfactoren
concordantie tweeling hebben zelfde eigenschap
monozygote tweeling eeneige tweeling,genetisch identiek
dizygote tweeling twee eigetweeling, helft identiek gelijk
karyotype afbeelding, ordening van chromosomen
consagnuiniteit bloedverwantschap
penetrantie mate waarin genotype tot fenotype leidt
incomplete penetrantie genotype aanwezig maar komt niet bij iedereen tot uiting
variabele expressie zelfde aandoening kan verschillende ernst/kenmerken geven
heteroplasmie mengsel van mtDNA varianten
homoplasmie mtDNA zijn zelfde variant
multifactorieel Fenotype wordt beïnvloed door genetische én omgevingsfactoren
codominantie beide allelen komen tot uiting
robertsoniaanse translocatie Fusie waarbij lange armen van acrocentrische chromosomen samengaan
kanker Genetisch veranderingsproces met gestoorde groeiregulatie, invasieve groei en mogelijke uitzaaiing
DNA-repair herstel van DNA schade
differentiatie ontwikkeling van cel naar gespecialiseerde celtype
proliferatie celdeling
proto-oncogen Normaal gen betrokken bij stimulering van celgroei/deling
oncogen Geactiveerd/veranderd gen dat ongecontroleerde groei kan stimuleren
oncogenmutatie geeft overactiviteit
tummorsuppresorgen remt celdeling en bevordert appoptose/repair
tumorsuppressormutaie verlies remmende functie
angiogenese aanleg van nieuwe bloedvaten
Hallmarks of cancer Kenmerkende processen waardoor tumorcellen kunnen groeien/overleven
Onderdrukte groeisuppressie Remmende signalen worden omzeild
Ontwijken van celdood Tumorcel voorkomt normale apoptose
replicatieve onsterfelijkheid tumorcellen blijven langdurig delen
tumorprogressie verdere ontwikkeling van tumor door interne/externe factoren
intrinsieke tumorfactoren O.a. virussen, hypoxie, celschade, groeifactoren, inflammatie
externe tumorfactoren O.a. mutaties in proto-oncogenen/tumorsuppressorgenen
dysplasie ongeregelde celgroei en rijping
hyperchromasie Donker aankleurende celkern door toegenomen/verdicht kernmateriaal
pre-neoplastische laesie Afwijking die vooraf kan gaan aan neoplasie/kanker
benigne tumor Goedaardige tumor zonder invasieve/metastatische groei
maligne tumor Kwaadaardige tumor die kan infiltreren en metastaseren
invasie doorgroeien in omliggend weefsel
metastase verspreiding van maligne cellen naar niet aaneengesloten locatie
carcinoom maligne tumor van epitheliale oorsprong
Philadelphia-translocatie Chromosomale verandering die BCR-ABL-genfusie veroorzaakt
BCR-ABL Oncogene fusie met verhoogde tyrosinekinaseactiviteit
tyrosinekinase enzym dar fosfaatgroepen op tyrosineresiduen van eiwitten zet
imatinib remmer die aangrijpt op BCR-ABL tyrosinekinase
imatinibresistentie Kan ontstaan door mutatie van bindingsplaats
retinoblastoom verlies van tumorsuppressorgen. erfelijke variant een gen al gemuteerd dus maar een mutatie nog nodig
synthetic lethality gelijktijdig verlies van twee functies leidt tot tumorceldood
craniaal hoofd
caudaal voeten
saggitaal vlak verticale doorsnede die links en rechts onderscheidt
mediaan vlak sagitaal vlak precies door het midden
frontaak/cornaal vlak verticale doorsnede die voor en achter onderscheidt
transversaal vlak horizontale doorsnede
CT-orientatie Ct scan kijk je vanaf de voeten
thorax borst
cavitas thoracis borstholte
sternum borstbeen
costa rib
vertebra wervel
clavicula sleutelbeen
diaphragma middenrif
mediastinum centrale ruimte in thorax
trachea luchtpijp
oesophagus slokdarm
pulmo dexter rechterlong
pulmo sinister linker long
lobus pulmonalis longkwab
pleura visceralis longvlies om long
pleura parietalis bekleding van thoraxwand
pericard hartzakje
aorta ascendens stijgend aorta
aorta descendens dalende aorta
truncus pulmonalis longslagader vanuit rechterventrikel
arteria pulmonalis longslagader
venae pulmonales longader
vena cava inferior onderste holle ader
vena cava superior bovenste holle ader
atrium dextrum rechter boezem
atrium sinistrum linker boezem
ventriculus dexter rechter kamer
ventriculus sinister linker kamer
abdomen buik
gaster maag
hepar lever
vesica fellea galblaas
pancreas alvleesklier
splen/lien milt
ren nier
duodenum twaalfvingerige darm
jejnum deel dunne darm
ileum laatste deel dunne darm
coecum blinde darm
appendix vermiformis wormvormig aanhangsel
colon ascendens opstijgende dikke darm
colon transversum dwarslopende dikke darm
colon descendens dalende dikke darm
rectum endeldarm
peritoneum buikvlies
aorta abdominalis buik aorta
bifucatio aortae splitsing buikaorta
urerus baarmoeder
vena portae leverpoortader
vesuca urinaria urineblaas
colon sigmoideum s-vormige colon voor rectum
nierschors bevat o.a kronkelende tubuli
niermerg bevat lis van henle en verzamelbuis
nefron functionele eenheid van nier
nierlichaampje filtratiegedeelte van nefron
glomerulus capillair netwerk betrokken bij ultrafiltratie
proximale tubulus tubulus met veel microvilli en mitochondrien, actieve reabsorptie
lis van henle tubulair onderdeel dat door niermerg loopt
verzamelbuis (ductus colligens) bepaalt urine door laatste waterresorptie
area cribrosa gebied waar verzamelbuizen uitmonden
ultrafiltratie filtratie vanuit glomerulaire capilairen naar nierfiltraat
Juxtaglomerulaire/Ruyter-cellen produceren renine
renine bloeddruk en de vocht- en zoutbalans in het lichaam te reguleren door het eiwit angiotensinogeen (uit de lever) om in angiotensine
respiratie ademhaling/gaswisseling
farynx keelholte
larynx strottenhoofd
bronchus grote vertakking uit trachea
bronchiolus kleine luchtweg
bronchiolus terminalis einde geleidende luchtweg
Bronchiolus respiratorius begin respiratoire deel
ductus alveolaris alveolaire gang
sacculus alveolaris zakje alveoli
geleidende zone Transporteert, verwarmt, bevochtigt en reinigt lucht; geen gaswisseling
alveolus longblaasje waar gaswisseling plaatsvindt
respiratoire zone gaswisseling plaatsvindt
rechterlong drie kwabben
linkerlong twee kwabben
fissura major scheidt longkwabbe via schuine fisur
fissura minor horizontale fissur in rechter long
inspiratie inademing
expiratie uitademing
ventilatie verplaatsing van lucht in/uit lingen
diffusie Passieve verplaatsing door concentratie/partiële-drukverschil
groot concentratie verschil diffusie sneller
groote diffusie oppervlak diffusie sneller
klein difussieasfstand difussie sneller
wet van boyle Druk verandert tegengesteld aan volume bij gegeven hoeveelheid gas
flow lucht Afhankelijk van drukverschil en luchtwegweerstand
Q = ΔP/R flow= drukverschil/ weerstand
grote bloedsomloop hart-lichaam- hart, o2 naar weefsels en CO2 terug
kleine bloedsomloop hart-longen-hart, gaswisseling in longen
recht boezem ontvangt arm en rechts kamer pomt naar longen
linker boezem ontvangt rijk en pomt weg naar luchaam
septum scheidingswand tussen kamers
tricuspidalisklep Av-klep rechts, driekleppig
mitralisklep AV-klep links, twee kleppig
AV-klep klep tussen atrium en ventrikel
diastole relaxatifase
systole contractiefase
EDV einddiastolisch volume
ESV eindsystolische volume
SV-volume SV=EDV-ESV
sinusknoop initieert elektrische activatie van hart
AV-knoop vertraagt elektrische geleiding tussen atria en ventrikels
purkinjevezels geleiden activatie door ventrikels
druk-volumeloop relatie tussen druk en volume van ventrikel tijdens hartcyclus
HCO3- bicarbonaat ( base )
Koolzuuranhydrase Enzym dat omzettingen in CO₂/H₂O/H₂CO₃-systeem versnelt
CO2 + H2O H2CO3 ( koolzuur )
H2CO3 valt uiteen in H+ en HCO3-
Hemoglobine en H+ Hb kan H⁺ binden en zo buffering ondersteunen
PH 7,35-7,45
acidose ph < 7,35
alkalose pH> 7,45
pCO2 (zuur) respiratoire component 35-45 mmHg
HCO3- (base) metabole component, 22-26mmol/L
BE base excess, -2 - +2 mmol/L
DKA ademhaling ventilatie neemt toe, co2 daalt
respiratoire zuur base verstoring door pCO2
metabool zuur base verstring door HCO3-
compensatie respiratoire acidose Nieren verhogen metabole basecomponent/HCO₃⁻
Compensatie respiratoire acidose Nieren verlagen metabole basecomponent/HCO₃⁻
Compensatie metabole acidose Ventilatie ↑ → pCO₂ ↓
Compensatie metabole alkalose Ventilatie ↓ → pCO₂ ↑
buffer Systeem dat veranderingen in H⁺ en daarmee pH beperkt
bradykinine stimuleert pijnreceptoren bij ontsteking
serotonine kan pijnreceptoren stimuleren
Prostaglandinen maken pijnreceptoren gevoeliger
Hydrostatische druk bevordert uittreden van vocht
Colloïd-osmotische/oncotische druk trekt vocht richting bloedbaan
viscositeit stroperigheid van vloeistof; beïnvloedt weerstand
degradatie Verlies/afbraak van oorspronkelijke eigenschappen
okazakifragmenten Relevant voor probleem van replicatie aan chromosoomuiteinden
filtratie Verplaatsing vanuit bloed naar voorurin
reabsorptie/resorptie Stoffen uit tubulus terug naar bloed
secretie stoffen van bloed naar tubulus
excretie uitscheiden via urine
klaring hoeveelheid plase die per tijdseenheid wordt gezuiverrd
paracellulair transport transport tussen cellen
transcellulair transport transport door cellen
vasopressine Bevordert waterretentie
osmoregulatie Regulatie van water/osmolariteit
barorceptor Detecteert veranderingen gerelateerd aan vaatvulling/druk
hypernatriemie te veel Na+
hyponatriemie te weinig Na+
hypovolemie te laag circulerend volume
hypervolemie te hoog circulerend volume
GFR maat die aangeeft hoe goed de nieren kunne filtreren
hypertoon concentratie opgeloste stoffen in cellen hoger, water cel uit
hypotoon conecntratie opgeloste stoffen lager in cellen, water stoomt cellen in
proxiamle tubulus langer dan distale tubulus en bevat veel mitochondrien en microvilli
juxtaglomulaire apparaat bestaat uit macula densa, extraglomulaire nesangiumcellen, cellen van Ruyter
macula densa deel van distale tubulus, sensor hoeveelheid natium en chloor ionen
mesangiumcellen ruimen dichtgeslibte membranen op.
podocyten op capipllairen in glomerlus, zorgen voor ultrafiltratie, maken nieuw membraan aan wat door mesangiumcellen is verwijderd
trabekels grote vertakkingen podocyten
pedikels kleine vertakking podocyten
hongercentrum altijd aan, gestimuleert door ghreline uit lege maagwand
verzadigings centrum gestimuleert door cholecytokinine (CCK), glucagon en somatostanine. gesecreteerd als vet als in darm komt
coeliakie chronische darmziekte waarbij darmen overgevoelig zijn voor gluten en erdoor beschadigd raken
cystische fibrose (taaislijmziekte) CF tast transport van chloride ionen aan, invloed op water en zout transport in en uit cel. ook wordt slijm in bepaalde organen erg dik
aorta klep tussen aorta en linker ventrikel
pulmonalisklep tussen a.pulmonalis en rechter ventrikel
arcus aortae ontspringt in a. branchiocephalica, a.subclavia sinistra en a. common carotis sinistra.
a. branchiocephalica splitst in a. common carotis dextra en a.subclavia dextra
apex bovenste punt van de long
basis onderste punt van de long
recessus costodiaphragmaticus ruimte in longholte tussen ribben en diaphragma, de longen vullen deze ruimte bij inademing
ligamentum falciforme scheidt de linker en rechter leverkwab
farmacotherapie interactie tussen farmacon en patient
farmacokinetiek wat doet het lichaam met geneesmiddel
farmacodynamiek wat doet het geneesmiddel met het lichaam
agonist bindt aan receptor van cel en vindt signaaltransdcutie in cel plaats
antagonist kan minder goed aan receptor binden, geen effect volgt
inverse agonist tegenovergestelde effect van agonist
partiele agonist effect is minder dan bij volle agonist
werkzaamheid max effect dat een farmacon kan geven
potency mate waarin farmacon na binding receptor kan activeren
EC50 concentratie bij respons van 50%
affiniteit hoe goed een geneesmiddel aan receptor kan binden
Ka-waarde concentratie geneesmiddel dat nodig is om aan 50% van receptoren te binden, hoe lager hoe hoger affiniteit
specificiteit eigenschap van farmacon slechts een beperkt type receptoren kan binden
selectiviteit beperkt aantal effecten dat farmacon tot stand kan brengen
intraveneuze toeding snel, want komt direct in bloedbaan maar ook snel uit bloedbaan verdwenen
orale toediening langer want medicijn moet via spijsverteringskanaal opgenomen worden
nociceptie pijn die wordt uitgeoefend
pijngewaarwording in de hersenen
pijnbeleving het leiden van pijn
pijngedrag hoe iemand zich voelt en gedraagt met de pijn
C vezels (geen myelineschede) signaleren nociceptoren en pijn onstaat, doffe zeurende pijn dus neuropatische pijn
A-delta-vezels (wel myelineschede) signaleren nociceptoren en pijn onstaat, acute pijn. prikkel drempel hoog voor deze vezels
locaalanestetica lidocaine
niet-opoodiden paracetamol en NSAIDs
opioiden morfine, oxycodon ( afgeleid van morfine )
analgetica bij neurotische pijn antidepressiva en anti-epileptica remmen heropname van noradrenaline en serotonine
paracetmol pijn als kortsremmend. remt de prosstaglandine productie in hypothalamus.
NSAIDs remmen COX enzym dus remmen pijn en ontsteking Bijwerkingen -probleem in bloedstolling -grotere kans op maagbloedingen - verlies nier functie
COX 2 enzym zet arachidonzuur dat vrij komt bij weefselschade om in prostaglandines, die maken weer zenuwuiteindes gevoeliger en spelen rol bij lokale ontsteking
prosstaglandines zorgen temp verhoging
opioiden binden aan u-receptor van cellen. In CZ Ca2+ opname geremd en geen synapsen. geen impulsoverdracht, dus geen pijn Bijwerkingen - jeuk -mictie problemen -obstipatie door minder dramperistalstiek -sedatie: afname bewustzijn -respiratoire depressie
COX 1 enzym zorgt voor goede nier doorbloeding, protectie maagwand en functie van trombocyten
somatisch ZS Regelt vooral bewuste bewegingen van skeletspieren
autonoom ZS Regelt automatisch je organen, klieren en gladde spieren
sympatisch ZS autonoom, Maakt lichaam klaar voor actie/stress → fight or flight
parasympatisch ZS autonoom, Zorgt voor rust en herstel → rest and diges
trombocyten bloedplaatjes, zorgen voor bloedstolling
mictie problemen plas problemen
renale perfusie doorbloeding
G1-fase chromosomen bevatten een DNA-molecuul
s-fase DNA replicatie
G2-fase fase waarin chromosomen uit 2 DNA-moleculen bestaan
m-fase celdeling
necrose ongecontroleerde celdood.
stadia kankerr normale cel- laaggradig- hooggradig-carcinoom
mutaties door intern: DNA repicatie gaat fout extern: radiatie en chemicalen
carcinoom wanneer epitheliale cellen vanuit de mucosa door basaalmembraan heen gaan naar de submocosa, spierwand en vertweefsel
ABL produceert bloedcellen
BCR gen dat altijd aan staat
invasief carcinoom lamina muscularis mucosa overschreden door tmorcellen
hematogene metastasering metastaseren door bloedvaten
lymfogene metastastering metastaseren door lymfevaten
poliep uitgroei van epitheel
noxe constante irritatie dor steeltjes op poliepen
NRAS eiwit die rol speelt in celdifferentiatie
KRAS aan en uitzetten van genen
EGFR-receptor groeifactor bindt hieraan en stimuleert KRAS
coupe plakje weefsel voor onder microscoop 4micro
he kleuring weefsels kleuren
hematine kleurt kern paars/blauw
eosine kleurt cytoplasma roze
fixeren legt alle chemische processen in cel stil
lichtmicroscopie Gebruikt zichtbaar licht. Voor algemene structuur van cellen/weefsels. Vaak kleuring nodig, bv. H&E.
Fluorescentiemicroscopie Gebruikt fluoroforen die na excitatie licht uitzenden. Hiermee kun je specifieke structuren/moleculen zichtbaar maken
Immuno-elektronenmicroscopie (immuno-EM antistoffen met elektrondense labels, vaak gouddeeltjes → heel precies bepalen waar een bepaald eiwit zit.
Scanning-elektronenmicroscopie (SEM) Elektronen scannen het oppervlak → gedetailleerd, 3D-achtig beeld van het oppervlak.
Transmissie-elektronenmicroscopie (TEM Elektronen gaan door een ultradunne coupe → interne ultrastructuur bekijken. Zeer hoge resolutie.
lipogenese vet aanmaak uit suiker en koolhydraten
frontaalkwab intiligentie, sociaal zijn
temporaal kwab geheugen, gedrag, gehoorvermogen
hersenstam alle atomatische functies
kleine hersenen controle over denken, motivatie, emotie en balans, evenwicht, coordinatie
partietaal kwab oog hand coordinatie
occipitaal kwab verwerken van visuele informatie
beta oxidatie vetzuren afbreken om energie te maken
Albumine Het houdt vocht vast in de bloedvaten, zodat het niet weglekt naar de omliggende weefsels.
glucose-alanine cyclus spieren en de lever nauw samenwerken om energie te produceren en giftig ammoniak veilig uit het lichaam te verwijderen
Created by: isen
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards