click below
click below
Normal Size Small Size show me how
MGZ 1
| Term | Definition |
|---|---|
| Eilandjes van Langerhans | Endocriene celgroepen in de pancreas die de bloedglucose reguleren ( alpha en beta cellen ) |
| Betacel | cel die insuline produceert |
| insuline | hormoon dat glucoseopname en opslag bevordert |
| glycogeen | opslagvorm van glucose |
| postprandiaal | periode na een maaltijd |
| Diabetes mellitus 1 | diabetes met een absoluut insuline tekort, autoimmuunsysteem valt eigen betacellen aan. |
| Diabetes mellitus 2 | diabetes waarbij insuline werking onvoldoende is, door insuline resistentie |
| MODY | monogene vorm van diabetes, door mutatie in een gen |
| Hyperglykemie < 4mmol/L | te hoge bloedglucose. O.a veel dorst, plassen |
| hypoglykemie > 10 mmol/L | te lage bloedglucose. O.a trillen, zweten, hartkloppingen |
| glucosurie | glucose in urine, door hyperglykemie |
| polyurie | veel urineren |
| polydipsie | veel dorst |
| microvasculaire schade | schade aan kleine bloedvaten |
| macrovasculaire schade | schade aan grote bloedvaten, risico cardiovasculaire schade |
| metformine | diabetes medicijn dat de aanmaak van glucose in de lever remt, gebruikt bij DM2 |
| retinopathie | schade aan bloedvaten in het oog |
| neuropathie | schade aan zenuwen |
| biopsychosociaal model | gezondheid bekijken vanuit biologische, psychologische en sociale factoren |
| stressor | prikkel/gebeurtenis die een stressreactie kan veroorzaken |
| primary appraisal | beoordeling of een situatie stressvol/bedreigend is |
| secondary appraisal | beoordeling of je voldoende middelen hebt om ermee om te gaan |
| coping | manier waarop iemand met stress of problemen omgaat |
| somatische attributie | klacht toeschrijven aan een lichamelijke oorzaak |
| zelfeffectiviteit | verwachting dat je zelf bepaald gedrag of een taak kunt uitvoeren |
| sociale norm | wat binnen een groep als normaal/acceptabel wordt gezien |
| sociale invloed | invloed van andere personen op gedrag |
| sociale controle | mechanismen waarbij een groep gedrag probeert te sturen |
| positieve bekrachtiging | positief gevolg na gedrag waardoor gedrag waarschijnlijker wordt |
| selectieve aandacht | aandacht wordt vooral gericht op bepaalde signalen |
| symptoomperceptie | proces waarbij lichamelijke signalen worden waargenomen en geinterperteerd |
| healthy aging | gezond functioneren tijdens veroudering |
| somatische input | geheel van input van lichamelijke sensaties of prikkels |
| waarneming | combi van aandacht en somatische input |
| aandacht | bestaat uit selectieve aandacht en negatieve affectiviteit |
| negatieve affectiviteit | neiging om negatieve prikkel/emoties te ervaren is hoger |
| patient delay | uitstelgedrag |
| predispositie | vatbaarheid voor bepaalde aandoening |
| somatiek | lichamelijk klachten |
| cognitie | gedachten die iemand over ziekte heeft |
| SCEGS | hoe ervaart iemand ziekte Somatiek, cognitie, emotie, gedrag, sociaal |
| precontemplatiefase | iemand heeft het besef nog niet |
| contemplatie fase | iemand beseft en overweegt iets |
| preparatie fase | iemand stelt een plan op |
| actie fase | iemand voert plan uit |
| fase van volhouden | zorgen dat er geen terugval gebeurt |
| uitgang/terugval fase | teruggevallen, opnieuw moeten beginnen |
| levensfase zorg | geboortezorg, preventie, cure, care , palliatieve zorg |
| metabolisme | geheel van biochemische processen in cellen |
| glycolyse | afbraak van glucose tot pyruvaart, levert ATP en NADH op |
| pyruvaat | product van glycolyse |
| lactaat | product dat uit pyruvaat kan ontstaan, komt NAD+ bij vrij |
| NAD+ | elektronen acceptor die nodig is voor glycolyse |
| NADH | elektronendrager, levert elektronen aan oxidatieve fosfolyering |
| FADH2 | elektronendrager, levert elektronen aan oxid |
| citroenzuurcyclus | cyclus die vooral elektronendrager, NADH en FADH2 oplevert |
| Oxidatieve fosforylering | mitochondriaal proces waarmee ATP wordt gevorm |
| ATP | direct bruikbare energiedrager van de cel |
| Prtongradient | verschil in H+ over mitochondriale binnenmembraana |
| ATP-synthase | door H+ gradient stoormt H+ terug via enzym en ATP gevormd |
| mtDNA | mitochondriaal DNA |
| MELAS | erfelijke mitochnodiale aandoening met verstoorde oxphos, ATP probleem + verhoogd lactaat |
| hetroplasmie | verschillende mtDNA naast elkaar |
| homoplasmie | mtDNA kopien hebben zelfde variant |
| bottleneck effect | willekeurige verdeling van mtDNA bij vorming van eicel |
| threshold-effect | iets komt tot uiting na overschrijden van een bepaalde drempelwaarde |
| citrulline | molecuul betrokken bij NO productie |
| NO (stikstofmonooxide) | belangrijk voor vaatverwijding |
| TRH (Thyrotropin realsing hormoon) | hypothalamushormoon dat hypofyse stimuleert |
| TSH | hypofyse hormoon dat schildklier stimuleert |
| T3 ( tyroxine) | schildklierhormoon, actieve vorm, stimuleert DNA transcriptie, metabolisme door vetaanmak/vetafbraak en reguleert energie opslag en verbruik |
| T4 (tyroxine) | schildklierhormoon dat in grote hoeveelheid wordt geproduceerd, omgezet in T3 |
| negatieve feedback | eindproduct remt eerder schakels van regelkring |
| follikelcel | schildkliercel betrokken bij productie T3 en T4 |
| colloid | folliculair lumen waarin materiaal ligt opgeslagen voor schildklierhormoon |
| Thyroglobuline | eiwit waaraan tyrosines voor hormoonsynthese binen |
| Ziekte van Graves | autoimmuunziekte waarbij TSHreceptor wordt gestimuleerd |
| thyreostatica | middelen die schildklierhormoonproductie remmen |
| PTU | thyreostaticum, remt omzetting T4 in T3 |
| glycogenese | maken van glucose uit glycogeen |
| glycogenolyse | afbraak van glucose |
| gluconeogenese | aanmaak van nieuw glucose |
| glucagon | hormoon uit alpha cellen, glucose vrijmaken/ maken |
| ontsteking | lokale reactie op weefselschade met exsudaat en infiltraat |
| calor | warmte |
| dolor | pijn |
| rubor | roodheid |
| tumor | zwelling |
| functio laesa | functie verlies |
| exsudaat | eiwitrijkvocht dat bij ontsteking uittreedt |
| oedeem | vochtophoping in weefsel |
| iL-1 | cytokine |
| iL-6 | cytokine |
| TNF-a | cytokine |
| cytokine | signaalstof waarmee immuuncellen communiceren |
| chemokine | signaalstof die cellen naar een locatie trekt, chemotaxis |
| vasodilatatie | verwijding bloedvat |
| vasoconstricitie | vernauwing van bloedvat |
| permeabiliteit | mate waarin vaatwand stoffen doorlaat |
| chemotaxis | gerichte verplaatsing van cellen naar chemisch signalen |
| fagocytose | opname en afbraak van materiaal/pathogeen door neutrofielen en macrofagen |
| aangeboren afweer | snelle, a specefieke afweer, PAMP en DAMP herkinning |
| verworven afweer | langzame, specefiek afweer met geheugen |
| PAMP | pathogeen geassocieerd moleculair patroon |
| DAMP | schade geassocieerd moleculair patroon |
| TLR | toll-like receptor, herkent PAMP en DAMP |
| monocyt | myeloide immuuncel kan macrofaag worden |
| macrofaag | fagocyterende immuuncel, opruimen en immuunactivatie |
| dendritische cel | antigeenpresenterende cel |
| neutrofiel | granulocyt die snel fagocyteert bij acute ontsteking |
| eosinofiel | granulocyt belangrijk bij parasitaire wormen |
| basofiel | granulocyt betrokken bij inflammatoire-allergische reacties, geeft histamine ad |
| mestcel | weefselcel betrokken bij inflammatie, geeft histamine af |
| NK/cel | lymfoide cel van aangeboren afweer, kan geinfecteerde cellen doden |
| complement | cascade van oplosbare serumeiwitten |
| klasieke complementroute | complementenactivatie door gebonden antistoffen |
| alertnatieve route | complement activatie zonder voorafgaande antistofrespons |
| lectineroute | ander antistofafhankelijke complementroute |
| C3a-C5a | complementcomponenten die lokale inflatie bevorderen |
| opsonisatie | pathogeen labelen voor snellere fagocytose |
| C3b | complementcomponent voor opsonisatie |
| MAC | membrane attack complex |
| lysis | kapot gaan van cel door membraanschade |
| T/cel | lymfocyt van verworven afweer, rijpt in thymus |
| CD8+ T-cel | cytotoxische T-cel, doodt geinfecteerde cellen |
| CD4+ T-helpercel | T-cel die andere immuuncellen hellpt activeren |
| Th1 | T-helpercel type die macrofagen activeert |
| Th2 | T-helpercel die b cellen activeert |
| Treg | regulatoire T-cel, remt ander T-cellen |
| T-geheugencek | langlevende cel voor snellere herrespons |
| Antigeenpresenterende cel | cel die antigeen via MHC presenteert, dendritische cel, B-cel, macrofaag |
| MHC-l | presenteerd cytosolaire peptiden, CD8+ |
| MHC-ll | Op APC, presenteer extracellulair afkomstig antigeen, CD4+ |
| antigeen | structuur die specifiek wordt herkend door immuunsysteem |
| B-cel | lymfocyt betrokken bij humorale afweer |
| plasma cel | uitgerijpte b-cel die antistoffen produceert |
| B-geheugencel | zorgt voor snelle en sterke respons bij herinfectie |
| antistof | immuunoglobuline dat antigeen herkent, van plasmacel |
| fab | antigeenbindend deel van antistof, herkent antigeen |
| fc | staartgedeelte van antistof |
| IgM | immunogloulineklasse, complementactivatie |
| IgD | immunogloulineklasse, vooral op receptor naieve b-cel |
| IgA | immunogloulineklasse, bescherming slijmvliezen |
| IgG | immunogloulineklasse, Kan na class-switch worden geproduceerd,neutralisatie, opsonisatie en complementactivatie |
| IgE | immunogloulineklasse, Kan na class-switch worden geproduceerd, allergische reactie en afweer tegen parasieten/wormen |
| isotype-switching | b-cel verandert geproduceerde antistofklasse |
| affiniteitsmaturatie | antistoffen gaan sterker aan antigeen binden |
| co-stimulatie | extra activatiesignaal naast antigeenherkenning |
| epitheel | aaneengesloten bedekkende cellaag die aan een lumen kan grenzen |
| endotheel | epitheel dat de binnenkant van bloedvaten bekleed |
| bindweefsel | weefsel met cellen en veel extracellulaire matrix |
| type weefsels | spierweefsel, zenuwweefsel, epitheel, bind/steunweefsel |
| firoblast | bindweefsel die o.a extracellulaire matrix produceert |
| collageen | stevig structueel eiwit van bindweefsel |
| elastine | eiwit dat weefsel elasticiteit geeft |
| tunica intima | binnenste vaatlaag met endotheel en dun bindweefsel |
| functie tunica intima | vaattonus, stolling, ontsteking en groeifactoren reguleren |
| lamina elastica interna | elastische laag tussen intima en media, duidelijk bij arterien |
| tunica media | middelste vaatlaaf met circulaire gladde spiercellen |
| gladde spiercellen vaatwand functie | reguleren diameter van bloedvat |
| stenose | vernauwing van bloedvat |
| arterie | bloedvat dat van hart afvoert |
| arteriole | klein slagvat dat weerstand en lokale doorbloeding reguleert |
| capillair | klein vat gespecialiseerd in uitwisseling met weefsels |
| vene | bloedvat dat naar hart toe stroomt |
| bloedstroom Q | hoevelheid bloed per tijdseenheid stroomt |
| basisrelatie bloedstroom | Q = ΔP/R |
| ΔP | drukverschil dat bloedstroom aandrijft |
| R | weerstand tegen bloedstroom |
| poiseuille | bloedstoom afhankelijk van r^4 |
| bloedstroomsnelheid | v = Q / totale dwarsdoorsnede |
| Waarom flow langzaam in capillairen? | Ze hebben samen een zeer grote totale dwarsdoorsnede |
| wandspanning | T = ΔP × r |
| Wet van Laplace | Wandspanning neemt toe met druk en straa |
| Hartminuutvolume | Hartfrequentie × slagvolume |
| Hartfrequentie | hartslagen per minuut |
| slagvolume | volume bloed dat per systole wordt uitgepompt |
| Compliantie | hoe goed een bloedvat omgaat met drukverandering/uitzetting |
| Veroudering en compliantie | Arteriën worden stijver → compliantie daalt |
| Windketelfunctie | Elastische arteriën vangen drukschommelingen op |
| Atherosclerose | Proces waarbij een plaque in de arteriële vaatwand ontstaat |
| Foamcel | Lipidenrijke macrofaag na opname van LDL |
| Fibro-inflammatoire plaque | Plaque met ontsteking, lipiden/necrotische kern en littekenweefsel |
| Gecompliceerde plaque | Verder gevorderde plaque met hoger risico op trombose |
| Trombose | Vorming/aanwezigheid van een trombus in een bloedvat |
| Trombus | blodstolsel in vaatstelsel |
| Trias van Virchow | endotheelschade, afwijkende bloedstroom en hypercoagulabiliteit |
| endotheelschade | schade aan vaatbkleding, bevordert trombusvorming |
| stase | verminderde/stilstaande bloedstroom |
| hypercoagulabiliteit | verhoogde neiging van het bloed om te gaan stollen |
| ontgroening | aantal jongeren neemt af |
| dubbele vergrijzing | meer ouderen en ouderen bereiken hogere leeftijd |
| vergrijzing | meer ouderen |
| apoptose | geprogameerde celdood |
| autofagie | cellen beschadigde componenten en eiwitten afbreken |
| senescentie | levende cel permanent stopt met delen |
| telomerase | enzym dat telomeer verkorting gedeeltelijk tegengaat |
| telomeerverkorting | Telomeren worden korter bij opeenvolgende celdelingen |
| telomeer | DNA stuctuur aan uiteinden van chromosoom |
| lipofuscine | Verouderingspigment dat zich in cellen kan ophopen |
| wear and tear | Opeenhoping van mechanische slijtage |
| AGE ( advanced glycation end product) | Onherstelbaar veranderde/beschadigde eiwitten door glycatie |
| maillard reactie | Reactie waarbij suikers aan eiwitten koppelen |
| eiwitaggregatie | samenklonting van eiwitten |
| Glutathionperoxidase | Enzym dat schadelijke zuurstofverbindingen helpt verminderen |
| catalase | enzym dat reactieve zuurstofproducten helpt omzetten |
| SOD | Superoxidedismutase; enzym betrokken bij verwerking van zuurstofradicalen |
| Antioxidanten | stoffen due radicalen/ROS onschadleijk helpen maken (vitamine C/E) |
| effect van teveel ROS | Oxidatieve beschadiging van cellulaire bestanddelen |
| ROS | reactieve zuurstofverbindingen |
| oxidatieve stress | schade door disbalans tussen ROS en antioxidanten |
| lateraal | naar buiten |
| mediaal | naar midden |
| ventraal | buikzijde |
| dorsaal | rugzijde |
| proximaal | dichterbij centrum |
| distaal | verder van centrum |
| anterior | voorzijde |
| posterior | achterzijde |
| flexie | buigen |
| extensie | strekken |
| doorsaalflexie | van onder naar boven |
| plantairflexie | van boven naar beneden |
| abductie | lichaamsmiddellijn af |
| adductie | naar lichaammiddellijn toe |
| exorotatie | naar buiten draaien |
| endorotatie | naar binnen draaien |
| inversie | voetzool naar binnen |
| enversie | voetzool naar buiten |
| femur | bovenbotbeen |
| tibia | scheenbeen |
| fibula | kuitbeen |
| coxa | heupbeen |
| talus | bot dat deelmeent aan enkelgewricht |
| quadrioceps | spiergroepvoorzijde bovenbeen, M rectus femoris, M sartorius |
| Hamstrings | spiergroep achterzijde bovenbeen, M.bicep demoris, M.semimembranosus, M.semimemdinosus, |
| M tibialis anterior | spier uit pretibiagrope |
| M.gastrocnemius | grote kuitspier |
| Caput mediale/laterale gastrocnemius | mediale/laterale kop gastrocnemius |
| M soleus | kuitspier |
| M tibialis posterior | spier uit kuitgroep |
| voorste kruisband | ACL, stabilissert knieband |
| achterste kruisband | PCL, stabiliseert knieband |
| voorste schuiflade test | ACL getest |
| achterste schuiflade test | PCL getest |
| enkelgewricht | bestaat uit tibia, fibula en talus |
| mediale enkelband | binnen enkel, ligamentum collaterale medial, pars tibiotalaris posterior, pars tibiocalcanea, pars tibiotalaris anterior, pars tibionavicularis |
| laterale enkelband | buitenenkel, lig talofibulare anterius, lig talofibulare posterius, lig calcaneofibulare |
| achillespeesruptuur | plantairflexie aangedaan |
| nature | genetische factoren |
| nurture | omgevingsfactoren |
| concordantie | tweeling hebben zelfde eigenschap |
| monozygote tweeling | eeneige tweeling,genetisch identiek |
| dizygote tweeling | twee eigetweeling, helft identiek gelijk |
| karyotype | afbeelding, ordening van chromosomen |
| consagnuiniteit | bloedverwantschap |
| penetrantie | mate waarin genotype tot fenotype leidt |
| incomplete penetrantie | genotype aanwezig maar komt niet bij iedereen tot uiting |
| variabele expressie | zelfde aandoening kan verschillende ernst/kenmerken geven |
| heteroplasmie | mengsel van mtDNA varianten |
| homoplasmie | mtDNA zijn zelfde variant |
| multifactorieel | Fenotype wordt beïnvloed door genetische én omgevingsfactoren |
| codominantie | beide allelen komen tot uiting |
| robertsoniaanse translocatie | Fusie waarbij lange armen van acrocentrische chromosomen samengaan |
| kanker | Genetisch veranderingsproces met gestoorde groeiregulatie, invasieve groei en mogelijke uitzaaiing |
| DNA-repair | herstel van DNA schade |
| differentiatie | ontwikkeling van cel naar gespecialiseerde celtype |
| proliferatie | celdeling |
| proto-oncogen | Normaal gen betrokken bij stimulering van celgroei/deling |
| oncogen | Geactiveerd/veranderd gen dat ongecontroleerde groei kan stimuleren |
| oncogenmutatie | geeft overactiviteit |
| tummorsuppresorgen | remt celdeling en bevordert appoptose/repair |
| tumorsuppressormutaie | verlies remmende functie |
| angiogenese | aanleg van nieuwe bloedvaten |
| Hallmarks of cancer | Kenmerkende processen waardoor tumorcellen kunnen groeien/overleven |
| Onderdrukte groeisuppressie | Remmende signalen worden omzeild |
| Ontwijken van celdood | Tumorcel voorkomt normale apoptose |
| replicatieve onsterfelijkheid | tumorcellen blijven langdurig delen |
| tumorprogressie | verdere ontwikkeling van tumor door interne/externe factoren |
| intrinsieke tumorfactoren | O.a. virussen, hypoxie, celschade, groeifactoren, inflammatie |
| externe tumorfactoren | O.a. mutaties in proto-oncogenen/tumorsuppressorgenen |
| dysplasie | ongeregelde celgroei en rijping |
| hyperchromasie | Donker aankleurende celkern door toegenomen/verdicht kernmateriaal |
| pre-neoplastische laesie | Afwijking die vooraf kan gaan aan neoplasie/kanker |
| benigne tumor | Goedaardige tumor zonder invasieve/metastatische groei |
| maligne tumor | Kwaadaardige tumor die kan infiltreren en metastaseren |
| invasie | doorgroeien in omliggend weefsel |
| metastase | verspreiding van maligne cellen naar niet aaneengesloten locatie |
| carcinoom | maligne tumor van epitheliale oorsprong |
| Philadelphia-translocatie | Chromosomale verandering die BCR-ABL-genfusie veroorzaakt |
| BCR-ABL | Oncogene fusie met verhoogde tyrosinekinaseactiviteit |
| tyrosinekinase | enzym dar fosfaatgroepen op tyrosineresiduen van eiwitten zet |
| imatinib | remmer die aangrijpt op BCR-ABL tyrosinekinase |
| imatinibresistentie | Kan ontstaan door mutatie van bindingsplaats |
| retinoblastoom | verlies van tumorsuppressorgen. erfelijke variant een gen al gemuteerd dus maar een mutatie nog nodig |
| synthetic lethality | gelijktijdig verlies van twee functies leidt tot tumorceldood |
| craniaal | hoofd |
| caudaal | voeten |
| saggitaal vlak | verticale doorsnede die links en rechts onderscheidt |
| mediaan vlak | sagitaal vlak precies door het midden |
| frontaak/cornaal vlak | verticale doorsnede die voor en achter onderscheidt |
| transversaal vlak | horizontale doorsnede |
| CT-orientatie | Ct scan kijk je vanaf de voeten |
| thorax | borst |
| cavitas thoracis | borstholte |
| sternum | borstbeen |
| costa | rib |
| vertebra | wervel |
| clavicula | sleutelbeen |
| diaphragma | middenrif |
| mediastinum | centrale ruimte in thorax |
| trachea | luchtpijp |
| oesophagus | slokdarm |
| pulmo dexter | rechterlong |
| pulmo sinister | linker long |
| lobus pulmonalis | longkwab |
| pleura visceralis | longvlies om long |
| pleura parietalis | bekleding van thoraxwand |
| pericard | hartzakje |
| aorta ascendens | stijgend aorta |
| aorta descendens | dalende aorta |
| truncus pulmonalis | longslagader vanuit rechterventrikel |
| arteria pulmonalis | longslagader |
| venae pulmonales | longader |
| vena cava inferior | onderste holle ader |
| vena cava superior | bovenste holle ader |
| atrium dextrum | rechter boezem |
| atrium sinistrum | linker boezem |
| ventriculus dexter | rechter kamer |
| ventriculus sinister | linker kamer |
| abdomen | buik |
| gaster | maag |
| hepar | lever |
| vesica fellea | galblaas |
| pancreas | alvleesklier |
| splen/lien | milt |
| ren | nier |
| duodenum | twaalfvingerige darm |
| jejnum | deel dunne darm |
| ileum | laatste deel dunne darm |
| coecum | blinde darm |
| appendix vermiformis | wormvormig aanhangsel |
| colon ascendens | opstijgende dikke darm |
| colon transversum | dwarslopende dikke darm |
| colon descendens | dalende dikke darm |
| rectum | endeldarm |
| peritoneum | buikvlies |
| aorta abdominalis | buik aorta |
| bifucatio aortae | splitsing buikaorta |
| urerus | baarmoeder |
| vena portae | leverpoortader |
| vesuca urinaria | urineblaas |
| colon sigmoideum | s-vormige colon voor rectum |
| nierschors | bevat o.a kronkelende tubuli |
| niermerg | bevat lis van henle en verzamelbuis |
| nefron | functionele eenheid van nier |
| nierlichaampje | filtratiegedeelte van nefron |
| glomerulus | capillair netwerk betrokken bij ultrafiltratie |
| proximale tubulus | tubulus met veel microvilli en mitochondrien, actieve reabsorptie |
| lis van henle | tubulair onderdeel dat door niermerg loopt |
| verzamelbuis (ductus colligens) | bepaalt urine door laatste waterresorptie |
| area cribrosa | gebied waar verzamelbuizen uitmonden |
| ultrafiltratie | filtratie vanuit glomerulaire capilairen naar nierfiltraat |
| Juxtaglomerulaire/Ruyter-cellen | produceren renine |
| renine | bloeddruk en de vocht- en zoutbalans in het lichaam te reguleren door het eiwit angiotensinogeen (uit de lever) om in angiotensine |
| respiratie | ademhaling/gaswisseling |
| farynx | keelholte |
| larynx | strottenhoofd |
| bronchus | grote vertakking uit trachea |
| bronchiolus | kleine luchtweg |
| bronchiolus terminalis | einde geleidende luchtweg |
| Bronchiolus respiratorius | begin respiratoire deel |
| ductus alveolaris | alveolaire gang |
| sacculus alveolaris | zakje alveoli |
| geleidende zone | Transporteert, verwarmt, bevochtigt en reinigt lucht; geen gaswisseling |
| alveolus | longblaasje waar gaswisseling plaatsvindt |
| respiratoire zone | gaswisseling plaatsvindt |
| rechterlong | drie kwabben |
| linkerlong | twee kwabben |
| fissura major | scheidt longkwabbe via schuine fisur |
| fissura minor | horizontale fissur in rechter long |
| inspiratie | inademing |
| expiratie | uitademing |
| ventilatie | verplaatsing van lucht in/uit lingen |
| diffusie | Passieve verplaatsing door concentratie/partiële-drukverschil |
| groot concentratie verschil | diffusie sneller |
| groote diffusie oppervlak | diffusie sneller |
| klein difussieasfstand | difussie sneller |
| wet van boyle | Druk verandert tegengesteld aan volume bij gegeven hoeveelheid gas |
| flow lucht | Afhankelijk van drukverschil en luchtwegweerstand |
| Q = ΔP/R | flow= drukverschil/ weerstand |
| grote bloedsomloop | hart-lichaam- hart, o2 naar weefsels en CO2 terug |
| kleine bloedsomloop | hart-longen-hart, gaswisseling in longen |
| recht boezem | ontvangt arm en rechts kamer pomt naar longen |
| linker boezem | ontvangt rijk en pomt weg naar luchaam |
| septum | scheidingswand tussen kamers |
| tricuspidalisklep | Av-klep rechts, driekleppig |
| mitralisklep | AV-klep links, twee kleppig |
| AV-klep | klep tussen atrium en ventrikel |
| diastole | relaxatifase |
| systole | contractiefase |
| EDV | einddiastolisch volume |
| ESV | eindsystolische volume |
| SV-volume | SV=EDV-ESV |
| sinusknoop | initieert elektrische activatie van hart |
| AV-knoop | vertraagt elektrische geleiding tussen atria en ventrikels |
| purkinjevezels | geleiden activatie door ventrikels |
| druk-volumeloop | relatie tussen druk en volume van ventrikel tijdens hartcyclus |
| HCO3- | bicarbonaat ( base ) |
| Koolzuuranhydrase | Enzym dat omzettingen in CO₂/H₂O/H₂CO₃-systeem versnelt |
| CO2 + H2O | H2CO3 ( koolzuur ) |
| H2CO3 | valt uiteen in H+ en HCO3- |
| Hemoglobine en H+ | Hb kan H⁺ binden en zo buffering ondersteunen |
| PH | 7,35-7,45 |
| acidose | ph < 7,35 |
| alkalose | pH> 7,45 |
| pCO2 (zuur) | respiratoire component 35-45 mmHg |
| HCO3- (base) | metabole component, 22-26mmol/L |
| BE | base excess, -2 - +2 mmol/L |
| DKA ademhaling | ventilatie neemt toe, co2 daalt |
| respiratoire | zuur base verstoring door pCO2 |
| metabool | zuur base verstring door HCO3- |
| compensatie respiratoire acidose | Nieren verhogen metabole basecomponent/HCO₃⁻ |
| Compensatie respiratoire acidose | Nieren verlagen metabole basecomponent/HCO₃⁻ |
| Compensatie metabole acidose | Ventilatie ↑ → pCO₂ ↓ |
| Compensatie metabole alkalose | Ventilatie ↓ → pCO₂ ↑ |
| buffer | Systeem dat veranderingen in H⁺ en daarmee pH beperkt |
| bradykinine | stimuleert pijnreceptoren bij ontsteking |
| serotonine | kan pijnreceptoren stimuleren |
| Prostaglandinen | maken pijnreceptoren gevoeliger |
| Hydrostatische druk | bevordert uittreden van vocht |
| Colloïd-osmotische/oncotische druk | trekt vocht richting bloedbaan |
| viscositeit | stroperigheid van vloeistof; beïnvloedt weerstand |
| degradatie | Verlies/afbraak van oorspronkelijke eigenschappen |
| okazakifragmenten | Relevant voor probleem van replicatie aan chromosoomuiteinden |
| filtratie | Verplaatsing vanuit bloed naar voorurin |
| reabsorptie/resorptie | Stoffen uit tubulus terug naar bloed |
| secretie | stoffen van bloed naar tubulus |
| excretie | uitscheiden via urine |
| klaring | hoeveelheid plase die per tijdseenheid wordt gezuiverrd |
| paracellulair transport | transport tussen cellen |
| transcellulair transport | transport door cellen |
| vasopressine | Bevordert waterretentie |
| osmoregulatie | Regulatie van water/osmolariteit |
| barorceptor | Detecteert veranderingen gerelateerd aan vaatvulling/druk |
| hypernatriemie | te veel Na+ |
| hyponatriemie | te weinig Na+ |
| hypovolemie | te laag circulerend volume |
| hypervolemie | te hoog circulerend volume |
| GFR | maat die aangeeft hoe goed de nieren kunne filtreren |
| hypertoon | concentratie opgeloste stoffen in cellen hoger, water cel uit |
| hypotoon | conecntratie opgeloste stoffen lager in cellen, water stoomt cellen in |
| proxiamle tubulus | langer dan distale tubulus en bevat veel mitochondrien en microvilli |
| juxtaglomulaire apparaat | bestaat uit macula densa, extraglomulaire nesangiumcellen, cellen van Ruyter |
| macula densa | deel van distale tubulus, sensor hoeveelheid natium en chloor ionen |
| mesangiumcellen | ruimen dichtgeslibte membranen op. |
| podocyten | op capipllairen in glomerlus, zorgen voor ultrafiltratie, maken nieuw membraan aan wat door mesangiumcellen is verwijderd |
| trabekels | grote vertakkingen podocyten |
| pedikels | kleine vertakking podocyten |
| hongercentrum | altijd aan, gestimuleert door ghreline uit lege maagwand |
| verzadigings centrum | gestimuleert door cholecytokinine (CCK), glucagon en somatostanine. gesecreteerd als vet als in darm komt |
| coeliakie | chronische darmziekte waarbij darmen overgevoelig zijn voor gluten en erdoor beschadigd raken |
| cystische fibrose (taaislijmziekte) | CF tast transport van chloride ionen aan, invloed op water en zout transport in en uit cel. ook wordt slijm in bepaalde organen erg dik |
| aorta klep | tussen aorta en linker ventrikel |
| pulmonalisklep | tussen a.pulmonalis en rechter ventrikel |
| arcus aortae | ontspringt in a. branchiocephalica, a.subclavia sinistra en a. common carotis sinistra. |
| a. branchiocephalica | splitst in a. common carotis dextra en a.subclavia dextra |
| apex | bovenste punt van de long |
| basis | onderste punt van de long |
| recessus costodiaphragmaticus | ruimte in longholte tussen ribben en diaphragma, de longen vullen deze ruimte bij inademing |
| ligamentum falciforme | scheidt de linker en rechter leverkwab |
| farmacotherapie | interactie tussen farmacon en patient |
| farmacokinetiek | wat doet het lichaam met geneesmiddel |
| farmacodynamiek | wat doet het geneesmiddel met het lichaam |
| agonist | bindt aan receptor van cel en vindt signaaltransdcutie in cel plaats |
| antagonist | kan minder goed aan receptor binden, geen effect volgt |
| inverse agonist | tegenovergestelde effect van agonist |
| partiele agonist | effect is minder dan bij volle agonist |
| werkzaamheid | max effect dat een farmacon kan geven |
| potency | mate waarin farmacon na binding receptor kan activeren |
| EC50 | concentratie bij respons van 50% |
| affiniteit | hoe goed een geneesmiddel aan receptor kan binden |
| Ka-waarde | concentratie geneesmiddel dat nodig is om aan 50% van receptoren te binden, hoe lager hoe hoger affiniteit |
| specificiteit | eigenschap van farmacon slechts een beperkt type receptoren kan binden |
| selectiviteit | beperkt aantal effecten dat farmacon tot stand kan brengen |
| intraveneuze toeding | snel, want komt direct in bloedbaan maar ook snel uit bloedbaan verdwenen |
| orale toediening | langer want medicijn moet via spijsverteringskanaal opgenomen worden |
| nociceptie | pijn die wordt uitgeoefend |
| pijngewaarwording | in de hersenen |
| pijnbeleving | het leiden van pijn |
| pijngedrag | hoe iemand zich voelt en gedraagt met de pijn |
| C vezels (geen myelineschede) | signaleren nociceptoren en pijn onstaat, doffe zeurende pijn dus neuropatische pijn |
| A-delta-vezels (wel myelineschede) | signaleren nociceptoren en pijn onstaat, acute pijn. prikkel drempel hoog voor deze vezels |
| locaalanestetica | lidocaine |
| niet-opoodiden | paracetamol en NSAIDs |
| opioiden | morfine, oxycodon ( afgeleid van morfine ) |
| analgetica bij neurotische pijn | antidepressiva en anti-epileptica remmen heropname van noradrenaline en serotonine |
| paracetmol | pijn als kortsremmend. remt de prosstaglandine productie in hypothalamus. |
| NSAIDs | remmen COX enzym dus remmen pijn en ontsteking Bijwerkingen -probleem in bloedstolling -grotere kans op maagbloedingen - verlies nier functie |
| COX 2 enzym | zet arachidonzuur dat vrij komt bij weefselschade om in prostaglandines, die maken weer zenuwuiteindes gevoeliger en spelen rol bij lokale ontsteking |
| prosstaglandines | zorgen temp verhoging |
| opioiden | binden aan u-receptor van cellen. In CZ Ca2+ opname geremd en geen synapsen. geen impulsoverdracht, dus geen pijn Bijwerkingen - jeuk -mictie problemen -obstipatie door minder dramperistalstiek -sedatie: afname bewustzijn -respiratoire depressie |
| COX 1 enzym | zorgt voor goede nier doorbloeding, protectie maagwand en functie van trombocyten |
| somatisch ZS | Regelt vooral bewuste bewegingen van skeletspieren |
| autonoom ZS | Regelt automatisch je organen, klieren en gladde spieren |
| sympatisch ZS | autonoom, Maakt lichaam klaar voor actie/stress → fight or flight |
| parasympatisch ZS | autonoom, Zorgt voor rust en herstel → rest and diges |
| trombocyten | bloedplaatjes, zorgen voor bloedstolling |
| mictie problemen | plas problemen |
| renale perfusie | doorbloeding |
| G1-fase | chromosomen bevatten een DNA-molecuul |
| s-fase | DNA replicatie |
| G2-fase | fase waarin chromosomen uit 2 DNA-moleculen bestaan |
| m-fase | celdeling |
| necrose | ongecontroleerde celdood. |
| stadia kankerr | normale cel- laaggradig- hooggradig-carcinoom |
| mutaties door | intern: DNA repicatie gaat fout extern: radiatie en chemicalen |
| carcinoom | wanneer epitheliale cellen vanuit de mucosa door basaalmembraan heen gaan naar de submocosa, spierwand en vertweefsel |
| ABL | produceert bloedcellen |
| BCR | gen dat altijd aan staat |
| invasief carcinoom | lamina muscularis mucosa overschreden door tmorcellen |
| hematogene metastasering | metastaseren door bloedvaten |
| lymfogene metastastering | metastaseren door lymfevaten |
| poliep | uitgroei van epitheel |
| noxe | constante irritatie dor steeltjes op poliepen |
| NRAS | eiwit die rol speelt in celdifferentiatie |
| KRAS | aan en uitzetten van genen |
| EGFR-receptor | groeifactor bindt hieraan en stimuleert KRAS |
| coupe | plakje weefsel voor onder microscoop 4micro |
| he kleuring | weefsels kleuren |
| hematine | kleurt kern paars/blauw |
| eosine | kleurt cytoplasma roze |
| fixeren | legt alle chemische processen in cel stil |
| lichtmicroscopie | Gebruikt zichtbaar licht. Voor algemene structuur van cellen/weefsels. Vaak kleuring nodig, bv. H&E. |
| Fluorescentiemicroscopie | Gebruikt fluoroforen die na excitatie licht uitzenden. Hiermee kun je specifieke structuren/moleculen zichtbaar maken |
| Immuno-elektronenmicroscopie (immuno-EM | antistoffen met elektrondense labels, vaak gouddeeltjes → heel precies bepalen waar een bepaald eiwit zit. |
| Scanning-elektronenmicroscopie (SEM) | Elektronen scannen het oppervlak → gedetailleerd, 3D-achtig beeld van het oppervlak. |
| Transmissie-elektronenmicroscopie (TEM | Elektronen gaan door een ultradunne coupe → interne ultrastructuur bekijken. Zeer hoge resolutie. |
| lipogenese | vet aanmaak uit suiker en koolhydraten |
| frontaalkwab | intiligentie, sociaal zijn |
| temporaal kwab | geheugen, gedrag, gehoorvermogen |
| hersenstam | alle atomatische functies |
| kleine hersenen | controle over denken, motivatie, emotie en balans, evenwicht, coordinatie |
| partietaal kwab | oog hand coordinatie |
| occipitaal kwab | verwerken van visuele informatie |
| beta oxidatie | vetzuren afbreken om energie te maken |
| Albumine | Het houdt vocht vast in de bloedvaten, zodat het niet weglekt naar de omliggende weefsels. |
| glucose-alanine cyclus | spieren en de lever nauw samenwerken om energie te produceren en giftig ammoniak veilig uit het lichaam te verwijderen |