click below
click below
Normal Size Small Size show me how
M1 Gk Thorax
M1 GK Thorax
| Question | Answer |
|---|---|
| Wanneer verricht je een arteriele bloedgasanalyse (ABGA)? | Bij een respiratoir probleem, verdenking op een zuur-base-stoornis, evaluatie zuurstoftherapie/behandeling van longaandoening, mogelijk acuut/chronisch zuurstoftekort |
| Wat zijn normale arteriele waarden voor pH, PaCO2, PaO2, HCO3-? | pH 7,35-7,45 PaCO2 4,7-6,0 kPa (35-45 mmHg) PaO2 10-13,3 kPa (80-100 mmHg) HCO3- 22-26 mmol/L |
| Wanneer spreek je van hypoxemie? | PaO2 < 8 kPa |
| Wanneer spreek je van hypercapnie? | PaCO2 > 7 kPa |
| Wat is een respiratoire insufficientie type 1? | Fahlende oxygenatie: hypoxemie met normale of verlaagde PaCO2 |
| Wat is een respiratoire insufficientie type 2? | Pompfalen: hypoxwmie met hypercapnie |
| Wat zijn de 4 mechanismen van hypoxemie? | Hypoventilatie, V/Q mismatch, rechts-links shunt, diffusieprobleem |
| Een patient heeft een LE, is er spraake van doode ruimte of shunt? | Dode ruimte: er is ventilatie zonder adequate perfusie |
| Een patient heeft een grote rechts-links shunt. Heeft extra O2 veel effect? | Nee. Bij een shunt bereikt bloed onvoldoende geventileerde/alveolaire gebieden, waarodoor extra O2 beperkt effect heeft |
| Waaruit bestaat de alveolaire gasvergelijking in principe? | PAO2 wordt bepaald door de ingeademde O2 spanning, de atmosferische druk, waterdampdruk, respiratoir quotient en PaCO2 |
| Wat is de normale A-a gradient? | Ongeveer 5-10 mmHg (1.2 kPa) |
| Wat betekend een verhoogde A-a gradient? | Er is een probleem in de gaswisseling, bijvoorbeeld V/Q mismatch, shunt of diffusieprobleem |
| Wat gebeurt er met PaCO2 bij hypoventilatie? | PaCO2 stijgt |
| Wat gebeuert met PaCO2 wanneer de alveolaire ventilatie toeneemt? | PaCO2 daalt |
| Wat gebeurt er met de arteriele pH wanneer de alveolaire ventilatie toeneemt? | De pH stijgt |
| Welke zuur-base regulatie werkt het snelst? | Chemische buffering direct; respiratoire compensatie binnen minuten; renale compensatie duurt uren tot dagen |
| Wat is de primaire afwijking bij een metabole zuur-base stoornis? | Een verandering in HCO3- |
| Wat is de primaire afwijking bij een respiratoir zuur-base stoornis? | Een verandering in PaCO2 |
| Wat is een metabole acidose? | Een daling van HCO3- |
| Casus: pH 6,88 + HCO3- 3mmol + PaCO2 2,3 kPa Welke stoornis? | Ernstige metabole acidose met respiratoire compensatie |
| Noem belangrijke oorzaken van metabole acidose. | Diarree, lactaatacidose/weefselhypoxemie, diabetes/ketoacidose, nierfalen, ingestie zuren/toxinen, verlies bicarbonaat |
| Wat is de formule voor de anion gap? | Na+ - CL- - HCO3- |
| Wat is ongeveer de normale anion gap? | 8-16 mmol/L |
| Waarvan is de O2 inhoud van het bloed afhankelijk? | Vooral van de Hb-concentratie, de Hb-sturatie en in geringe mate van vrij opgelost O2 |
| Hoeveel O2 kan 1g Hb maximaal binden? | Ongeveer 1,34ml O2 |
| Wat betekend een rechtsverschuiving van de Hb-O2-dissociatiecurve? | Hb laat O2 gemakkelijker los aan de weefsels |
| Waardoor ontstaat een rechtsverschuiving van de Hb-O2-curve? | Increase CO2, H+, temperatuur, 2,3-BPG of decrease pH |
| Wat is obstructief longlijden? | Een aandoening waarbij vooral de expiratoire luchtstroom beperkt is door berhoogde luchtweerstand |
| Wat gebeuert er met FEV1/FVC bij obstructief longlijden? | Deze verhouding daalt, typisch < 70% |
| Noem voorbeelden van obstructief longlijden? | Astma, COPD, chronische bronchitis, emfyseem |
| Wat is restrictief longlijden? | Een aandoening waarbij de longvolumes verminderd zijn doordat de longen/thorax moelijk kunnen expanderen |
| Noem voorbeelden van restrictief longlijden | Interstitiele fibrose, tuberculose, pneumothorax, myasthenia gravis |
| Wat betekend expiratoir stridor? | Vernauwing van de lagere luchtwegen |
| Wat betekend inspiratoir stridor? | Vernauwing van de hoge luchtwegen, wijst op een vernauwing boven de stembanden |
| Wat is Kussmaul-ademhaling? | Diepe ademhaling als compensatie voor metabole acidosis |
| Wat is astma? | Aanvalsgewijze, reversibele bronchusobstructie door verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor allergische en/of niet-allergische prikkels, met chronische inflammatie als pathologisch substraat |
| Welke mechanismen veroorzaken luchtwegvernauwing bij astma? | Bronchospasme, mucosaal oedeem, verhoogde slijmproductie |
| Welke klachten passen bij astma? | Aanvalsgewijze dyspneu, piepen en hoesten, klachten kunnen door triggers worden uitgelokt |
| Hoe toon je reversibele bronchusobstructie bij astma aan? | Spirometrie voor en na bronchusverwijdering; FEV1 neemt toe met >= 12% en >= 200 ml |
| Waarom kan spirometrie bij een astmapatient normaal zijn? | Omdat astma variabel en reversibel is; tussen aanvallen kan de longfunctie normaal zijn |
| Hoe presenteerd COPD zich typisch? | Geleidelijk progressieve dyspneu, hoesten/sputum, verlengd expirium, expiratoir piepen, soms crepitaties |
| Wat is een COPD exacerbatie? | Verslechtering binnen een of enkele dagen met toename van dyspneu en/of hoesten boven de normale dagvariatie |
| Wat zijn belangrijke factoren voor COPD-exacerbaties? | Virale en bacteriele luchtweginfecties 50-70% van de exacerbaties |
| Wat gebeurt er pathofysiologisch bij pneumonie? | Alveoli vullen zich met vocht en ontstekingscellen --> minder beschikbaar gaswisselingsoppervlak en slechtere ventilatie/perfusieverhouding |
| Welke bevindingen bij ausculatie kunnen bij pneumonie passen? | Crepitaties, bronchiaal/afwijkend ademgeruis, rhonchi, piepen, verlengd expirium, pleurawrijven |
| Wanneer denk je aan pneumonie? | Koorts, dyspneu, tachypneu/hypoxie, tachycardie, hypotensie, verwardheid, focale auscultatoire afwijlingen, verhoogd CRP, nieuw infiltraat op X-thorax |
| Wat is de systematische benadering van de x-thorax? | ABCDEFGHI Airway, bone, cardiac shadow, diaphragm, edge of mediastinum/external soft tissues, field of lung, gastric bubble, hilum, instrumentation |
| Hoe groot mag het hart ongeveer zijn op een staande PA-x-thorax? | De cardiale schaduwn hoort niet groter te zijn dan ongeveer 50% van de thoraxbreedte |
| Wat is het silhouette sign? | Het verdwijnen van de normale grens tussen structuren met verschillende radiosensiteit, bijvorbeeld hart en longen |
| Wat betekend een positieve silhouette sign in principe? | De normale contoour is verdwenen doordat een aangrenzende structuur dezelfde densiteit heeft; dit helpt de lokalisatie van pathologie bepalen |
| Patient met acuut ontstane thoracale pijn en dyspneu. Aan een zijde geen ademgeruis en hypersonore percussie. Wat denk je? | Pneumothorax |
| Welke bevindingen passen bij een spanningspneumothorax? | Acute dyspneu/pijn, unilateraal afwezig ademgeruis, hypersonore percussie, tracheadeviatie en gestuwde halsvenen |
| Wat is het hartminuutvolume? | De hoeveelheid bloed die het hart per minuut rondpompt HF x slagvolume |
| Wat is het slagvolume? | Einddiastolisch volume - eindsystolisch volume |
| Wat is de ejectiefractie? | Het percentage van het eindiastolische volume dat per slag wordt uitgepompt |
| Wat is een normale EF? | > 55% |
| Wat is preload? | De vullingsdruk/voorbelasting van het ventrikel aan het einde van de diastole |
| Wat is afterload? | De weerstand die het ventrikel moet overwinnen om bloed ui te pompen |
| Wat gebeuert er met het slagvolume bij een hogere preload in een normaal hart? | Het slagvolume neemt toe door het Frank-Starlingmechanisme |
| Wat is forward failuer? | Het hart kan onvoldoende bloed naar voren naar de weefsels pompen |
| Wat is backward failure? | Bloed hoopt zich voor het falende hart --> venuze stuwing / congestie |
| Welke klachten doen denken aan hartfalen? | Dyspneu, verminderde inspanningsintolerantie, orthopneu, paroxismale nachtelijke dyspneu, vermoeidheid, perifeer oedeem, nycturie |
| Patient is benauwd, plast s'nachts veel, heeft enkeloedeem en wordt benauwd bij platliggen | Hartfalen |
| Welke lichamelijke bevindingen passen bij congestief hartfalen? | Gestuwde halsvenen, crepitaties, pleuravocht, perifeer oedeem, hepatomegalie/ascites, verhoogde CVD/JVP |
| Wat is BNP? | Een hormoon uit ventriculaire myocyten dat wordt afgegeven bij rek van de hartwant door druk- of volumeoverbelasting |
| Wat is het effect van BNP? | Bevordert diurese en vasodilatatoe en remt RAAS --> verlaagt preload and afterload |
| Wat betekend nat bij hartfalen? | Congestie/verhoogde vullingsdrukken |
| Wat betekend warm bij hartfalen? | Adequate cardiac output / perfusie |
| Patient heeft oedeem, dyspneu, verhoogde JVP e warme extremiteiten. Welke fenotype hartfalen? | Nat-warm |
| Wat zijn tekenen van hypoperfusie? | Koude extremiteiten, oligurie, verwardheid, verhoogd lactaat en verhoogd creatinine |
| Wat zijn tekenen van congestie? | Oedeem, dyspneu, verhogde JVP, crepitaties, hepatomegalie, orthopneu, ascites |
| Wat is HFpEF? | Hartfalen met behouden EF, >/= 50% |
| Wat is HFrEF? | Hartfalen met verminderde EF, < 40% |
| Wat is de basisbehandeling van overvulling bij hartfalen? | Lisdiureticum, bijvoorbeeld furosemide |
| Welke vier medicatiegroepen vormen de basis bij HFrEF/HFmEF? | RAS-remmer, betablokker, SGLT2-remmer, aldosteroneantagonist |
| Wat controleer je na starten/aanpassen van diureticum, RAS-remmer of aldosteronantagonist? | Na 1-2 weken eGFR/creatinine, Na en K |
| Waarom geeft AF een risico op CVA? | Door stase in de atria kan trombusvorming optreden --> embolisatie --> bijvoorbeeld CVA |
| Wat is een polsdeficit? | De auscultatoire hartfrequentie is hoger dan de palpabele polsfrequentie, bijvoorbeeld bij AF |
| Noem belangrijke risicofactoren voor AF | Hogere leeftijd, hypertensie, coronairlijden, kleplijden, hyperthyroidie, OSAS, DVT/LE, inflammatie/infectie, operatie en alcoholgebruik |
| Wat is pulsus alternans? | Regelmatig ritme waarbij de polsamplitude afwisselnd sterk en zwak is, past bij ernstig hartfalen |
| Wat is pulsus paradoxus? | Een abnormale sterke afname van de polsamplitude tijdens inspiratie |
| Wat suggereert een lateraal verplaatste ictus cordis? | Cardiomegalie |
| Wat kan een heffende ictus suggereren? | Linkerventrikelhypertrofie / drukbelasting |
| Waar ausculteer je de aortaklep? | Rechts parasternaal 2e ICR |
| Waar ausculteer je de pulmonalisklep? | Links parasternaal 2e ICR |
| Waar ausculteer je de tricuspidalisklep? | Linksonder parasternaal 4e ICR |
| Waar ausculteer je de mitralisklep? | Ter hoogte van de apex, 5e ICR |
| Holosystolische souffle, best hoorbaar bij de apex en uitstralend naar de oksel. Wat past hierbij? | Mitralisinsufficientie |
| Wat zijn klassieke alarmsymptomen bij ernstige aortastenose? | Dyspneu, syncope, pijn op de borst hartfalen is prognostisch een zeer ongunstig teken |
| Welke patienten vallen direct in een zeer hoge risicocategorie van CVRM? | Doorgemaakte HVZ, bepaalde patienten met diabetes/CNS, systolische RR 180 mmHg, familiaire hypercholesterolemie |
| Wat is eenbelangrijke medicatiecombinatie die je juist niet moet geven? | ACE-remmer + ARB, vanwege verhoogd risico op nierfalen |
| Wanneer is medicamenteuze bloeddrukbehandeling in ieder geval geindiceerd? | Bij systolische RR =/> 180 mmHg, bij lagere waarden wordt behandeling bepaald door het CVR |
| Wat kan inspiratoire stridor betekenen bij ABCDE? | Een bedreigende/verstopte hoge luchtweg |
| Wat beoordeel je bij B van ABCDE? | Saturatie, cyanose, thoraxvorm/beweging, tracheapositie, ademarbeid, auscultatie, percussie, ademfrequentie, eventueel subcutaal emfyseem/ribfracturen |
| Wat beoordeel je bij C van ABCDE? | Huidskleur/transpiratie, bloedverlies, halsvenen, hartauscultatie, extremiteitstemperatuur, pols, abdomen/trauma, HF, RR, CRT |
| Wat beoordeel je bij D van ABCDE? | Bewustzijn, neurologische afwijkingen, pupillen, glucose en eventueel insulten |
| Wat betekent AVPU? | alert, responds to voice, responds to pain, unresponsive |
| Wlke typen shock moet je kennen? | Distributieve, hypovolemische, cardiogene, obstructieve shock |
| Noem oorzaken van distributieve shock. | Septisch, anafylactisch, neurogeen |
| Noem oorzaken van hypovolemische shock | Vooral bloedverlies/vochtverles |
| Noem oorzaken van cardiogene shock | Bijvoorbeeld myocardinfarct, ernstige ritmestoornissen, ernstige kleplijden |
| Noem oorzaken van obstructieve shock | Longembolie, spanningspneumothorax, harttamponade |
| Een patient is hypotensief, tachycard, koud en klap en heeft gestuwde halsvenen. Welke type shock moet je overwegen? | Obstructieve of cardiogene shock |
| Bij welke shock moet je niet zomaar een grote hoeveelheid vocht geven? | Cardiogene shock = het falende hart kan het extra volume niet effectief verwerken, waardoor de belasting kan toenemen |
| Wat zijn belangrijke DD bij acute thoracale pijn? | Myocardinfarct/ACS, longembolie, pneumothorax, pneumonie/pleuritis, pericarditis, aortadissectie, ribfractuur, andere musculoskeletale oorzaken |
| Welke kenmerken passen bij myocardinfarct? | Acute drukkende thoracale pijn > 15min, niet verdwijnen in rust, eventueel uitstraling naar kaak/linkerarm, vegetatieve symptome zoals zweten en misselijkheid |
| Wat is het verschil tussen STEMI en NSTEMI? | STEMI (volledige afsluiting van een kransslagader) heeft ST-elevatie passend bij acute transmuralere ischemie; bij NSTEMI (gedeeltelijke of ernstige vernauwing van kansslagader) is er wel myocardschade maar kleiner en geen typische ST-elevatie |