click below
click below
Normal Size Small Size show me how
M1 GK Alg Interne
| Question | Answer |
|---|---|
| Vanaf welke BMI spreek je van overgewicht? | BMI > 25kg/m2 |
| Vanaf welke BMI spreek je van obesitas? | =/> 30kg/m2 |
| Welke BMI geldt als normaal? | 18,5 - 24,9 kg/m2 |
| Wat is de functie van gezond vetweefsel? | Onder andere regulatie van energieverbruik, insulinegevoeligheid en eetlust via adipokines/hormonen |
| Wat gebeurt er bij disfunctioneel vetweefsel? | Chronische laaggradige inflammatie en verstoring van adipokines, met onder andere verhogde insulineresistentie en cardiometabole risico's |
| Welke 3 systemen spelen een belangrijke rol bij eetregulatie? | Hypothalamus (honger/verzadiging), mesolimbisch systeem (beloning) en prefrontale cortex (bewuste controle) |
| Welke neurotransmittersystemen spelen ril bij eten voor beloning? | Dopamine-, opioide-, en cannabinoidesystemen |
| Wat is het aanbevolen aantal gram vezels per dag? | Ongeveer 30-40 g/dag |
| Wat gebeuert er hormonaal bij slaaptekort? | Ghreline stijt en leptine daalt - snacktrek/eetlust neemt toe |
| Wta is de beweegrichtlijn? | Minimaal 150 min/week matig tot zwaar intensive inspanning, verspreid over meerdere dagen, plus minimaal 2x/week spierversterkende activiteiten |
| Wat is de hoeksteen van behandeling van obesitas? | Leefstijl- en gedragsverandering |
| Wat is het belangrijkste aandachtspunt bij sterk gewichtsverlies met GLP-1 therapie? | De energie-inname daalt sterk, waardoor risico op voedingsdeficienties en verlies van spiermassa ontstaat |
| Hoe ontstaan de meeste neoplasien? | Clonaal = uit een populatie precursor-/kankerstamcellen |
| Wat zijn driver mutations? | Mutaties die de tumorontwikkeling /-groei actief bevorderen |
| Wat zijn passenger mutations? | Mutaties die aanwezig zijn in tumorcellen maar niet direct bijdragen aan de tumorontwikkeling |
| Noem 3 manieren waarop tumorcellen aan het immuunsysteem kunnen ontsnappen | Niet goed activeren van T-cellen Immuunsuppressieve cytokinen uitscheiden Ontsnappen aan het effectieve immuunherkenning |
| Welke systemische symptomen kunnen bij gevorderde maligniteit optreden? | Gewichtsverlies, nachtzweten, koorts, vermoedheid, recidiverende infecties, anorexie |
| Waarom hebben patienten met kanker een verhoogd risico op trombose? | Door kanker-geassocieerde stollingsactivitatie/coagulopatie |
| Wat is cachexie? | Extreme en onbedoelde vermagering, gekenmerkt door ernstig verlies van spiermassa, lichaamsvet en algehele zwakte |
| Wanneer kan weefseldiagnose achterwege blijven? | As verkrijgen van weefsel te risicovol is en andere diagnoses onwaarschijnlijk zijn, of als alle andere gegevens sterk in een richting wijzen |
| Waaruit bestaat stagering? | Klinisch onderzoek, beeldvorming en relevante tumormarkers |
| Wat betekent metastasering op afstand meestal voor de behandeling? | Meestal palliatief |
| Wat betekent locoregionale lymfekliermetastasering voor de behangeling? | Meestal curatief |
| Noem de belangrijkste behandelmodaliteiten van kanker | Chirurgie, radiotherapie, systeemtherapie |
| Welke vormen van systeemtherapie worden gebruikt? | Chemotherapie, hormonale therapie,immunotherapie, small moplecules en atilichaam- / doelgerichte therapie |
| Wat doet cisplatine? | Veroorzaakt DNA-schade/dubbelstrengsbreuken waardoor tumorcellen apoptose ondergaan |
| Wat zijn belangrijke bijwerkingen van cytotoxische chemotherapie? | Alopecia, beenmergdepressie, mucositis, misselijkheid/braken, neurotoxiciteit,, nefrotoxiciteit, cardiotoxiciteit, infertiliteit, vermoedheid |
| Waarom wordt chemotherapie vaan intermitterend gegeven? | Om normale wweefsel tijd te geven om te herstellen |
| Welke hormonale therapie is relevant bij ER-positief mammacarcinoom? | Endocriene/hormonale therapie |
| Wat is het belangrijk risico van immuuntherapie? | De immuuntherapie kan ook gezond eigen weefsel aanvallen, waardoor immuungerelateerde bijwerkingen ontstaan |
| Wat is adjuvante radiotherapie? | Radiotherapie of chemotherapie na primaire behandeling, bijvoorbeeld chirurgie, om het risico op recidief te verlagen door micrometastasen te behandelen |
| Wat zijn de 5 R's van de radiobiologische respons? | repair, redistribution, reoxygenation, repopulation, radiosensitivity |
| Wat zijn alarmsymptomen voor wervelmetastasen bij rugpijn? | Nachtelijke pijn, progressieve pijn, nieuwe lokale pijn, druk-/kloppijn over de wervelkolom en neurologische uitval |
| Welke neurologische symptomen passen bij een dreigende dwarslesie? | Krachtverlies, sensibiliteitstoornissen, loopstoornissen |
| Welke klachten passen bij hypercalciemie? | polyurie/polydipsie, dehydratie, obstipatie, misselijkheid/braken, buikpijn, botpijn, spierzwakte, cognitieve klachten, slaperigjeid/delier, coma |
| Wat zijn belangrijke oorzaken van hypercalciemie? | Primaire hyperparathyreoidie en maligniteit |
| Wat is de analytische precisie? | De mate waarin herhaalde/onafhanlijke metingen met elkaar overeenkomen |
| Wat is de analytische nauwkeurigheid? | De mate waarin een meetresultaat overeenkomt met de werkelijke waarde |
| Wat is intra-individuele biologische variatie? | Variatie binnen een persoon |
| Wat is interindividuele biologische variatie? | variatie tussen verschillende personen |
| Wat is sensitiviteit? | De kans dat een ziekte patient positief test TP / (TP + FN) |
| Wat is specificiteit? | De kans dat een niet-zieke patient negatief test TN / (TN + FP) |
| Wat is de positief voorspellende waarde (PPV)? | De kans dat iemand met een positieve test daadwerkelijk ziek is TP / (TP + FP) |
| Wat is de negatief voorspellende waarde (NPV)? | De kans dat iemand met een negatieve test daadwerkelijk niet ziek is TN / (TN + FN) |
| Wat gebeuert er met de PPV wanneer de prevalentie van een ziekte daalt? | De PPV daalt |
| Waarom betekent een test met 100% sensitiviteit niet automatisch dat een positieve uitslag ziekte bewijst? | Omdat sensitiviteit iets zegt over ziekte patienten, voor de kans dat iemand met een positieve test ziek is heb je de PPV, dus ook de specificiteit en prevalentie/pretest probability nodig |
| Vanaf welke MCV spreek je van microcytaire anemie? | < 80 fL |
| Welke MCV past bij normocytaire anemie? | 80- 100 fL |
| Vanaf welke MCV spreek je van macrocytaire anemie? | > 100 fL |
| Wat zijn belangrijke oorzaken van microcytaire anemie? | Ijzergebreksanemie, anemie bij chronische ziekte, Hb-pathie / thalassemie, Ioodvergifting |
| Wat zijn belangrijke oorzaken van normocytaire anemie? | Acuut bloedverlies, ACD, hemolyse, verdringing van erytropoese en beenmerghypoplasie/aplasie |
| Wat zijn belangrijke oorzaken van macrocytaire anemie? | B12-/foliumzuurtekort, leverziekte/alcohol, hemolyse, hypothyreoidie, MDS |
| Wat gebeurt er met ferritine bij ijzergebrek? | Ferritine is verlaagd |
| Waarom moet ferritine samen met CRP worden geinterpreteerd? | Ferritine is een acute-fase-eiwit en kan bij inflammatie verhoogd zijn ondaks ijzergebrek |
| Welke ferritinewaarde sluit ijzergebrek bij verhoogd CRP pas echt uit? | Ongeveer > 100 microgram/L |
| Hoe ziet ijzergebreksanemie er typisch uit qua ferritine, serumijzer en transferrine? | Ferritine verlaagd Serumijzer verlaags Transferrine verhoogd |
| Hoe ziet ACD er typisch uit qua ferritine, serumijzer en transferrine? | Ferritine normaal/verhoogd Serumijzer verlaagd Transferrine verlaagd |
| Waarom kan bij ACD het serumijzer laag zijn terwijl ferritine hoog is? | Inflammatie zorgt ervoor dat ijzer wordt opgeslagen als ferritine en minder beschikbaar is voor erytropoese |
| Welke test kan onderscheid maken tussen ijzegebrek en ACD als het onduidelijk blijft? | Ijzerkleuring van het beenmerg |
| Wat is LDH bij hemolyse? | LDH is meestal verhoogd |
| Wat zeggen reticulocyten over de beenmergactiviteit? | Ze geven een indruk van hoe actief het beenmerg nieuwe erytrocytne produceert |
| Wat verwacht je bij hemolyse qua reticulocyten? | Verhoogd, omdat het beenmerg probeert het verlies te compenseren |
| Wat verwacht je bij beenmergverdringing qua reticulocyten? | Verhoogd, omdat de erytropoese onvoldoende is |
| Wat is de meestvorkomende anemie? | Ijzergebreksanemie |
| Bij welke patienten met ijzergebreksanemie is aanvullend GI-onderzoek belangrijk? | Bij mannen en vrouwen =/> 50 jaar met ijzergebreksanemie zonder hevig menstrueel bloedverlies, vanwege uitsluiten van GI maligniteit |
| Welke neurologische klachten zijn specifiek verdacht voor B12-deficientie? | Tintelingen of een doof gevoel in handen en voeten, op 'watten' lopen, coördinatie- en balansproblemen, spierzwakte en geheugen- of concentratieproblemen |
| Wat is pernicieuze anemie? | B12-deficientie door auto-immuun gastritis met antistoffen tegen intrinsic factor en/of parietale cellen |
| Waar wordt het B12-intrinsic-factorcomplex opgenomen? | In het terminale ileum |
| Bij welke aandoeninhen kan B12 absorptie verminderd zijn? | Maag-/ileumresectie, Crohn, coeliakie, intrinsic-factordeficientie |
| Waar wordt foliumzuur vooral opgenomen? | In het jejunum |
| Wat is hemolytische anemie? | Anemie door verhoogde afbraak van erytrocyten |
| Noem intracospusculaire oorzaken van hemolyse. | Hemoglobinopathieen, membraanstoornissen zoals sferocytose/elliptocytose, enzymopathieen |
| Noem extracorpusculaire oorzaken van hemolyse. | Microtrombi, infecties zoals malaria, medicatie, transfusiereacties/auto-immuniteit |
| Waneer moet je aan een hemoglobinopathie denken? | Bij microcytaire anemie met normale ijzerstatus en zonder inflammatie, zeker bij passende familie-/etniciteitsanamnese |
| Wat is het verschil tussen een structurele Hb-pathie en een expressiestoornis? | Structureel = abnormale Hb-structuur, zoals sikkelcelziekte Expressie = verminderde productie van globineketens, zoals thalassemie |
| Wat is kenmerkend voor ß-thalassemie major? | Ernstige anemie vanaf ongeveer 3-6 maanden, transfusieafhankelelijkheid en risoco op ijzerstapeling met hart-leverfalen |
| Wat is een sikkelcelcrisis? | Vaso-occlusie door stijve/plakkerige sikkelvormige erytrocyten, vaak met hevige pijn |
| Warom hebben sommige Hb-pathieen een selectief voordeel tegen malaria? | Omdat malariaparasieten zich minder goed kunnen vermenigvuldigen in bepaalde afwijkende erytrocyten |
| Wat is leukemie? | Een hematologische maligniteit met klonale/disfunctionele proliferatie van hematopoetische voorlopercellen |
| Wat is het belangrijkste verschil tussen acute en chronische leukemie? | Acuut = betreft vooral immature blasten met uitrijpingsstop en snelle progressie Chronisch = betreft meer mature cellen en verloopt vaak aanvankelijk indolenter |
| Wanneer spreek je bij acute leukemie van een hiig blastpercentage? | Bij 20% of hoger |
| Wat zijn typische gevolgen van beenmergverdringing bij leukemie? | Anemie, infecties, bloedingen door respectievelijk tekort aan erytrocyten, leukocyten, trombocyten |
| Welke cellijnen vallen onder lymfoide leukemie? | B-cellen, T-cellen, NK-cellen |
| Welke cellijnen vallen onder myeloide leukemie? | Granulocyten, monocyten, bloedplaatjes/megakaryocytaire lijn |
| Hoe onderscheid je AML en ALL? | Met immunofenotypering via flowcytometrie |
| Welke leukemie is het meest voorkomend bij kinderen? | ALL |
| Welke leukemie komt het meest voor bij volwassenen? | CLL |
| Welk kenmerk kan bij ALL voorkomendoor thymus/mediastinale betrokkenheid? | Een mediastinale massa met dyspneu of thoracale klachten |
| Welk kenmnerk op bloeduitstrijk past bij AML? | Auer rods |
| Wat is kenmerkend voor CLL op bloeduitstrijk? | Smudge cells |
| Wat is het Philadelphia chromosoom? | Een kenmerkende chromosomale afwijking van chromosoom 22 = ongecontroleerd groei van witte bloedcellen |
| Welke fasen kent CML? | Chronische fase - accelerated fase - blast crisis |
| Wat kenmerkt een blast crisis bij CML? | Een acute-leukemie-achtige fase met > 20% blasten |
| Wat is multipel myeloom? | Een beenmergmaligniteit waarbij plasmacellen ongecontroleerd prolifereren |
| Wat doen de afwijkende plasmacellen bij multipel myeloom met het bot? | Ze stimuleren osteoclasten en remmen osteoblasten = osteolyse |
| Wat zijn belangrijke kenmerken van multipel myeloom? | Botpijn, fracturen, nemie, trombocytopenie, hypercalciemie, mogelijke nierproblemen |
| Welke hormonen maakt de schildklier? | T3, T4, calcitonine |
| Welk schildklierhormoon heeft een sterker/sneller effect op de receptor? | T3 |
| Welk schildklierhormoon wordt het meest uitgescheiden? | T4 |
| Hoeveel procent van T4 is gebonden aan plasma-eiwitten? | Ongeveer 99,9% |
| Wat is the hypothalamus-schildklier pathway? | Hypothalamus - TRH - hypofyse - TSH - schildklier - T3/T4 |
| Wat is het typische labbeeld bij primaire hypothyreoidie? | TSH verhoogd fT4 verlaagd |
| Wat zijn typische klachten van hypothyreoidie? | koude-intolerantie, gewichtstoename, obstipatie, bradycardie, traagheid, lethargie/slaperigheid, non-pitting oedeem, myxoedeem |
| Wat is de belangrijkste ooraake van primaire hypothyreoidie? | Hashimoto's |
| Wat is Hashimoto's? | Een chronische auto-immuunziekte waarbij de schildklier geleidelijk wordt vernietigt |
| Welke antistof is vaak aantoonbaar bij Hashimoto? | Anti-TPO |
| Is anti-TPO bewijzend voor Hashimoto? | Nee, het is vaak aantoonbaar, maar niet op zich zelf bewijzend |
| Welke medicatie kann hypothyreoidie veroorzaken? | Onder andere lithium |
| Wat is het typische labbeeld bij primaire hyperthyreoidie? | TSH verlaagd fT4 verhoogd |
| Wat zijn typische klachten van hyperthyreoidie? | Warmte-intolerantie, zweten, gewichtsverlies ondaks eetlust, tachycardie, nervositeit, tremor, slapeloosheid, diarree |
| Wat zijn belangrijke oorzaken van hyperthyreoidie? | Graves, toxisch multinodulair struma, thyreoiditis De Quervain, toxisch adenoom, medicatie |
| Wat is de ziekte van Graves? | Een autoimmuunziekte waarbij TSH-receptorantilichamen de TSH-receptor stimuleren |
| Wat is typisch voor Graves aan de ogen? | Proptosis / oftalmopathie |
| Wat is typisch voor Gravesaan de schildklier? | Een diffuus en uniform struma |
| Bij wie komt Graves relatief vaak coor? | Vrouwen met een piek rond 20-40j |
| Wat is toxisch nodulair struma? | Een schildklier met meerdere autonome noduli die schildklierhormonen produceren onafhankelijk van TSH |
| Bij welke groep is toxisch multinodulair struma een belangrijke oorzaak van hyperthyreoidie? | Bij ouderen |
| Wat is thyreoiditis van De Quervain? | Een pijnlijke, vaak virale thyreoiditis met tijdelijke thyreotoxicose, koorts, malaise, die meestal spontaan herstelt |
| Welke medicatie kan hyperthyreoidie veroorzaken door jodium? | Amiodaron |
| Wat is thyreotixicose? | Een algemene term voor een te hoge hoeveelheid schildklierhormoon in het bloed |
| Wat is een tyreotoxische storm? | Een levensbedreigende ernstige vorm van thyreotoxicose |
| Noem uitlokkende factoren coor een thyreotoxische storm. | Infectie, operatie, bevalling, CVA, DKA, longembolie, myocardinfarct |
| Waar bevindt zich het grootste deel van calcium in het lichaam? | Ongeveer 90% in het bot |
| Wat doet PTH met fosfaat? | verhoogt de renale fosfaatexcretie = serumfosfaat daalt |
| Wat doet PTH met calcium? | Verhoogt serumcalcium door botresorptie, verhoogde renale calciumresorptie en stimulatie van actieve vitamine D |
| Wat doet actieve vitamine D? | Verhoogt de intestinale absorptie van calcium en fosfaat |
| Wat doet calcitonine? | Remt serumcalcium door calcium/fosfaat meer richting bot te verplaatsen |
| Wat stimuleert PTH-afgifte? | Een daling van serumcalcium |
| Vanaf welke calciumwaarde sprekt man van hypercalcemie? | >/= 2,65 mmol/L |
| Wat zijn de 2 belangrijkste oorzaken van hypercalcemie? | Primaire hyperparathyreoidie en maligniteit |
| Welke maligniteiten worden specifiek genoemd bij hypercalciemie? | Vooral long- en borstkanker |
| Welke medicatie kan hypercalciemie veroorzaken? | Antacia, vitamine D, tiaziden, lithium |
| Wat zijn de kenmerken van een delier? | Acuut ontstane aandachts-/bewustzijnsstoornis met cognitieve / waaremingsstoornissen en fluctuatie gedurende de dag. |
| Wanneer zijn delirante symptomen vaak het ergst? | Avonds en snachts |
| Noem belangrijke uitlokkende factoren voor delier | Infectie, dehydratie, ondervoeding, metabole stoornis, medicatie / polyfarmacie, pijn, urineretentie, obstipatie, trauma/operatie, immobiliteit, slaaptekort, visis- en gehoorproblemen |
| Welke drie vormen van delier worden onderscheiden? | Hyperactief, hypoactief, gemengd |
| Wat is de belangrijkste behandeling van een delier? | De onderliggende oorzaak behandelen |
| Welke niet-medikamenteuze maatregeln helpen bij delier? | Orientatie, prikkels beperken, veilige omgeving, slaap-waakritme ondersteunen, onnodige medicatie vermijden, bril |
| Wanneer kan medicatie overwogen worden en welke is dat dan? | Bij ernstige angst/hallucinaties/wanen of hevige motorische onrust kan haloperidol overwogen worden |
| Wanneer moet je voorzichtig zijn met haloperidol? | Bij Lewy body dementie en Parkinson |
| Bij welke bloedwaarde spreek je van hypoglykemie? | Bij < 3,9 mmol/L |
| Wat zijn klassieke adrenerge symptomen van hypoglykemie? | Zweten, tremor, tachycardie, hartlkloppingen |
| Welke neuroglycopene/gedragsmatige symptomen kunnen optreden bij hypoglykemie? | Rusteloosheid, agitatie, sufheid, gedragsverandering, verwardheid, bewustzijnsverlies |
| Noem belangrijke oorzaken van hypoglykemie zonder diabetes. | Na gastric bypass, alcoholintoxicatie, leverfalen, ernstige sepsis, bijnierschorinsufficientie, bepaalde medicatie, excessieve inspanning |
| Waar wordt insuline geproduceerd? | Door de ß-cellen van de eilandjes van Langerhans |
| Wat doet insuline? | Verlaagt bloedglucose door glucoseopname en opslag te bevorderen; stimuleert ook opname van eiwitten, vetten e K+ |
| Waar wordt glucagon geproduceerd? | Door de alpha-cellen van de eilandjes van Langerhans |
| Wat doet glucagon? | Verhoogt de bloedglucose, onder andere via glucogenolyse tijdens vasten/hypoglykemie |
| Wat is de pathofysiologie van DM1? | Meestal auto-immuun vernietiging van ß-cellen -> absoluut insulinetekort |
| Wat is de pathofysiologie van DM2? | Insulineresistentie -> aanvankielijk compensatoir verhoogde insuline productie -> uiteindelijk onvoldoende endogene insulinesecretie |
| Welke klachten passen bij hyperglykemie? | Polyurie, polydipsie, polyfagie, gewichtsverlies, wazig zien, recidiverende infecties, slecht genezende wonden |
| Waarom veroorzaakt hyperglykemie polyurie? | De renale glucosetransporters raden verzadigd -> glucose bijft in de tubulus -> osmotische diurese -> vochtverlies |
| Wat is HbA1c? | Een maat voor geglyceerd hemoglobine en daarmee voor de gemiddelde glucoseblootstelling over ongeveer 2-3 maanden |
| Wat zijn microvasculaire complicaties van diabetes? | Retinopathie, nefropathie, neuropathie |
| Welke acute metabole complicatie is vooral geassocieerd met DM1? | Diabetische ketoacidose (DKA) |
| Hoe ontstaat DKA? | Door ernstige insulinetekort -> vetafbraak -> ketonproductie -> metabole acidose |
| Wat is acanthosis nigricans? | Een huidafwijking waarbij de huid donker verkleurt (hyperpigmentatie) en verdikt (hyperkeratose) Huidsymptoom als signaal voor een onderliggende aandoening zoals diabetes en obesitas |
| Wat is diabetes insipidus? | Een stoornis van de waterbalans door onvoldoende ADH of onvoldoende nierrespons op ADH |
| Wat is het verschil tussen centrale en nefrogene diabetes insipidus? | Centraal = onvoldoende ADH-productie /-afgifte Nefrogeen = de nier reageert onvoldoende op ADH |
| Waar werkt ADH voornamelijk? | Op de verzamelbuizen, waar het de waterpermeabiliteit verhoogt |
| Wat gebeuert er bij onvoldoende ADH effect? | Veel verdunde urine -> polyurie en polydipsie |
| Wat gebeurt er met het natrium bij waterverlies door DI? | Er kan hypernatremie ontstaan |
| Hoe onderscheid je DM van DI bij polyurie? | DM = hyperglykemie en osmotische diurese DI = normale glucose, veel verdunde urine en mogelijk hypernatremie |
| Welke electrolytstoornissen kunnen polyurie veroorzaken? | Hypercalciemie en hypokalemie |
| Wat is SLOK? | Lichamelijke klachten die langer dan enkele weken bestaan waarbij adequaat medisch onderzoek geen aandoening vindt die de klachten voldoende verklaart |
| Welke 4 klachtenklusters worden bij SLOK onderscheiden? | GI, cardiopulmonaal, bewegingsapparaat, algemeen aspecifiek |
| Wat is het SCEGS model? | Somatisch - cognitief - emotioneel - gedragsmatig - sociaal |
| Waarom moet je terughoudend zijn met onnodig aanvullend onderzoek? | Omdat toevallige afwijkingen gevonden kunnen worden die niet de oorzaak zijn en er juist extra onzekerheid/onderzoek veroorzaken |
| Wat is nociceptieve pijn? | Pijn door niet-neurogene weefselschade waarbij nociceptoren worden geactiveerd |
| Wat is neuropathische pijn? | Pijn door beschadigin/stoornis van het zenuwstelsel |
| Wat is hyperalgesie? | Een verlaagde pijndrempel/verhoogde pijnrespons door sensitisatie van het nociceptieve systeem |
| Wat is het algemene principe bij acute nociceptieve pijn? | Behandel indien mogelijk de oorzaak en bied pijnbehandeling aan |
| Welke fasen worden in der pallaitieven zog onderscheden? | Ziektegericht, symptoomgericht, terminale, stervensfase |
| Wat is ziektegerichte palliatieve zorg? | Behandeling gericht op de ziekte en zo mogelijk levensverlenging, bijvoorbeeld bestraling |
| Wat is advanced care planning? | Vooruit plannen en vastleggen van afspraken, wensen en keuzes rond toekomstige zorg en behandeling |
| Welke kenmerken beschrijf je bij lichamelijk onderzoek van een zwelling? | Pijn, grootte, vorm, oppervlak, consistentie, begrenzing, relatie met omgeving, pulsatie, wegdruknaarheid, crepitaties |
| Wat kan een pulastie in een zwelling betekenen? | Bijvoorbeeld een aneurysma |
| Wat kunnen crepitaties onder de huid betekenen? | Subcutaan emfyseem |
| Wat kan een wegdrukbare zwelling betekenen? | Bijvoorbeeld een liesbreuk |
| Wat zijn oorzaken van een zwelling in de hals? | Bot/exostose, zenuwweefsel/glomustumour, lymfeklier, lateralse halscyste, speekselklier/pleiomorf adenoom, schildklier/struma, vetweefsel/lipoom, bloedvat/hemangioom |
| Welke kenmerken passen meer bij een inflammatoire lymfeklier? | Pijnlijk, warm, rood, flucuerend, vaak meerdere palpabele klieren |
| Welke kenmerken zijn verdacht voor maligniteit bij een lymfeklier? | Hard, niet-pijnlijk, > 2cm, supraclaviculair, vast/vergroieid met omgeving, persisterend |
| Wanneer moet een lymfeklier verder onderzocht worden? | Bij > 2cm en langer dan 4 weken |
| Wat is een koud absces? | Een met pus gevulde ontsteking waarbij de zwelling niet duidelijk warm is; kan bijvoorbeeld bij tuberculose voorkomen |
| Wat is typisch voor Hodgkin-lymfoom? | Pijnloze, vaak cervicale rubberachtige lymfadenopathie, Reed-Sternberg-cellen, meestal contigue verspreiding |
| Wat zijn klassieke B-symptomen? | Koorts, nachtzweten, >10% gewichtsverlies in 6 maanden |
| Wat is typisch voor non-Hodgkin-lymfoom ten opzichte van Hodgkin? | Meer verspreide/saltatoire verspreiding en vaker extranodale betrokkenheid |
| Wat is de Virchow-klier? | Een pijnloze harde lymfeklier links supraclaviculair, die kan passen bij metastasering, klassiek vanuit de maag |
| Wat is primare hemostase? | Vorming van een eerste plaatjesplug door trombocyten |
| Wat is secundaire hemostase? | Stabilisatie van de plaatjesplug door stollingsdactoren/fibrine |
| Welk bloedingspatroon past bij een probleem van de primaire hemostase? | Direct hevige bloeden, vooral mucosale bloedingen zoals epistaxis en tandvleesbloedingen Petechien passen hierbij |
| Welk bloedingspatroon past bij een probleem van de secindaire hemostase? | Eerst stopt het bloeden, maar daarna ontstaat een nabloeding, vaan uren later |
| Passen petechien typisch bij een stollingsfactorprobleem? | Nee, eerder bij een trombocytenprobleem |
| Wat is hemofilie? | Een erfelijke stollingsstoornis door tekort aan factor VIII of IX |
| Welke factor ontbreekt bij hemofilie A? | Factor VIII |
| Welke factor ontbreekt bij hemofilie B? | Factor IX (Christmas factor) |
| Hoe wordt hemofilie overgeerfd? | X-gebonden recessief, waardoor vooral mannen worden aangedaan |
| Wat doet aspirine met trombocyten? | Het remt de trombocytenfunctie |