Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Levenscyclus M1 2026

M1 RUG

QuestionAnswer
Wat is positieve discongruentie van de fundushoogte? A) Fundushoogte >2 weken achter bij de verwachting, bv. door oligohydramnion B) Fundushoogte >2 weken vóór op de verwachting, bv. door macrosomie, meerling of polyhydramnion C) Fundushoogte precies v B) Fundushoogte >2 weken vóór op de verwachting bij de zwangerschapsduur, bv. door macrosomie, meerling, polyhydramnion, te veel baarmoeder of een verkeerde datum. Negatieve discongruentie is juist >2 weken áchter, bv. door dysmaturiteit, oligohydramnion
Wat is de meest voorkomende verwekker van mastitis: bacterie, virus of parasiet? A) Bacterie B) Virus C) Parasiet D) Schimmel A) Bacterie, en specifiek Staphylococcus aureus.
Een vrouw heeft al 4 uur onveranderd 2 cm ontsluiting. Is dit een stagnerende baring? A) Ja, want er is geen vordering B) Waarschijnlijk niet: ze is waarschijnlijk nog niet zeker in partu C) Ja, want stagnatie wordt na 2 uur al vastgesteld D) Nee, dit B) Waarschijnlijk niet: ze is waarschijnlijk nog niet zeker in partu. Pas bij een ontsluiting van ≥4 cm spreek je van zeker in partu, waarna de ontsluiting met minimaal 1 cm per uur moet vorderen.
Een zwangere vrouw had een week geleden aan het einde van de zwangerschap rubella-contact; zowel IgM als IgG zijn aantoonbaar in serum. Wat is het juiste beleid? A) Direct behandelen met antivirale middelen B) Bloed uit het 1e trimester testen op rubell B) Bloed uit het 1e trimester testen op rubella-antistoffen, om te bepalen of het IgG al vóór het recente contact aanwezig was (en dus wijst op eerdere immuniteit) of pas na het contact is ontstaan.
Wat is de meest voorkomende verwekker van pelvic inflammatory disease (PID)? A) Gonokokken, gevolgd door Chlamydia trachomatis B) E. coli C) Streptococcus pyogenes D) Candida albicans A) Gonokokken, gevolgd door Chlamydia trachomatis.
Bij welk percentage van de vrouwen verloopt een chlamydia-infectie asymptomatisch? A) Tot 50% B) Tot 70% C) Tot 90% D) Vrijwel nooit asymptomatisch C) Tot 90% van de vrouwen (bij mannen tot 50%) verloopt een chlamydia-infectie asymptomatisch.
Is salpingitis een soa? A) Ja, altijd B) Nee, maar het wordt vaak veroorzaakt door een opstijgende infectie met gonokokken , Chlamydia of darmbacteriën C) Ja, maar alleen bij jonge vrouwen D) Nee, het heeft nooit een infectieuze oorzaak B) Nee, salpingitis is zelf geen soa, maar wordt vaak veroorzaakt door een opstijgende infectie met gonokokken (60%), Chlamydia of darmbacteriën.
Tijdens een operatie wordt een chocoladecyste gevonden. Wat is hiervan de oorzaak? A) Endometriose B) PCOS C) Een dermoïdcyste D) Een folliculaire cyste A) Endometriose. Een chocoladecyste (endometrioom) ontstaat door endometriumweefsel in het ovarium.
Kan endometriose leiden tot infertiliteit? A) Nee, endometriose heeft geen invloed op de vruchtbaarheid B) Ja, het is een belangrijke oorzaak van subfertiliteit en verhoogt de kans op infertiliteit C) Alleen bij zeer ernstige vormen D) Alleen als ook B) Ja, endometriose is een belangrijke oorzaak van subfertiliteit en verhoogt de kans op infertiliteit.
Een vrouw heeft hypermenorroe (hevig, cyclisch bloedverlies). Is dit ovulatoir of anovulatoir bloedverlies? A) Ovulatoir, bv. door myomen, adenomyose, een koperspiraal of medicatie B) Anovulatoir C) Kan beide zijn, niet te bepalen zonder verder onderzo A) Ovulatoir. Hypermenorroe is cyclisch hevig en hinderlijk bloedverlies, bijvoorbeeld door myomen, adenomyose, een koperspiraal of medicatie.
Is het FSH bij een 52-jarige vrouw hoger dan bij een 20-jarige vrouw? A) Nee, FSH blijft levenslang gelijk B) Ja, FSH stijgt al vóór de menstruatieveranderingen, stijgt verder tijdens de perimenopauze en blijft verhoogd C) Nee, FSH daalt juist met de l B) Ja. Door afname van het aantal follikels neemt de oestrogeen- en inhibineproductie af, waardoor er minder negatieve terugkoppeling naar de hypofyse is en het FSH stijgt, al vóór de menstruatie verandert en verder tijdens de perimenopauze.
Helpt afvallen bij vrouwen met PCOS en overgewicht/obesitas tegen de cyclusklachten? A) Ja, er is overtuigend bewijs dat dit de cyclus normaliseert B) Er is geen overtuigend bewijs dat afvallen een gunstig effect heeft op de regelmaat van de cyclus C) B) Er is geen overtuigend bewijs dat afvallen bij vrouwen met PCOS en overgewicht/obesitas een gunstig effect heeft op de regelmaat van de cyclus.
Worden er postmenopauzaal nog oestrogenen aangemaakt in het lichaam? A) Nee, na de menopauze stopt alle oestrogeenproductie B) Ja, door perifere omzetting: de nieren produceren androgenen, die in vetweefsel, huid en spieren door aromatase worden omgezet B) Ja, door perifere omzetting: de bijnieren (niet nieren) produceren androgenen, die in vetweefsel, huid en spieren door aromatase worden omgezet in oestron.
Welk symptoom wordt vrijwel altijd gezien bij een extra-uteriene graviditeit (EUG)? A) Misselijkheid B) Onregelmatige menstruatie C) Buikpijn en/of vaginaal bloedverlies bij een zwangerschap D) Koorts C) Buikpijn en/of vaginaal bloedverlies bij een al dan niet bekende zwangerschap, meestal vóór week 8, zijn de meest voorkomende klachten waarmee een vrouw met een EUG bij de huisarts komt.
Waar bevindt zich ongeveer 90% van de extra-uteriene graviditeiten (EUG)? A) In het ovarium B) In de tuba C) In de cervix D) In het abdomen B) In de tuba. De kans op intra-abdominale bloeding hangt sterk af van het moment van diagnose; bij tubaruptuur is er vrijwel altijd bloedverlies. Snelle lokalisatie met transvaginale echoscopie (of serum-hCG) verhoogt de kans op een tubasparend beloop.
Een vrouw heeft episodes van buikpijn. Wat is op basis van epidemiologie meer waarschijnlijk: nierstenen of uterusmyomen? A) Nierstenen B) Uterusmyomen C) Beide even waarschijnlijk D) Endometriose B) Uterusmyomen. Hierbij ontstaan uteriene contracties ter uitdrijving van een intracavitair gelegen myoom. De meest voorkomende oorzaak van secundaire dysmenorroe is overigens endometriose.
Wat is reflexoire persdrang? A) Actief persen zodra de weeën beginnen B) Automatisch persen door de druk van het foetale hoofd op de bekkenbodem, versterkt door oxytocine-gedreven weeën C) Persen dat medicamenteus wordt opgewekt D) Persen dat alleen b B) Automatisch persen door de druk van het foetale hoofd op de bekkenbodem, versterkt door oxytocine-gedreven weeën. Er wordt niet actief geperst tijdens de weeën als het hoofd al staat en vóór de geboorte van de achterste schouder, om een perineumscheur
Wat is de meest voorkomende verwekker van koorts in het kraambed? A) E. coli B) Streptococcus pyogenes C) Staphylococcus aureus D) Candida albicans B) Streptococcus pyogenes (groep A-streptokok).
Wordt de menopauze retrospectief gediagnosticeerd? A) Nee, direct bij het uitblijven van menstruatie B) Ja, het tijdstip van de menopauze wordt retrospectief bepaald, 1 jaar na de laatste menstruatie C) Nee, dit wordt met bloedonderzoek prospectief vas B) Ja, het tijdstip van de menopauze wordt retrospectief bepaald: 1 jaar na de laatste menstruatie.
Heeft elke fase van de follikelrijping LH en FSH nodig? A) Ja, vanaf het begin B) Nee, pas vanaf de antrale fase C) Nee, LH en FSH zijn nooit nodig voor follikelrijping D) Alleen FSH is nodig, LH pas na de ovulatie B) Nee, pas vanaf de antrale fase; de vroege ontwikkeling (van primordiale tot secundaire follikel) verloopt grotendeels gonadotrofine-onafhankelijk.
Een vrouw is 34 weken zwanger en heeft hoofdpijn. Wat is de eerste stap? A) Alleen paracetamol adviseren B) Pre-eclampsie uitsluiten: spoedbeoordeling, bloeddruk meten, urineonderzoek, lab en foetale monitoring C) Afwachten en na een week terugkomen D B) Pre-eclampsie uitsluiten met een spoedbeoordeling: bloeddruk meten, urineonderzoek, lab en foetale monitoring. Andere alarmsymptomen van pre-eclampsie/HELLP zijn bovenbuikpijn, visusklachten, misselijkheid/braken, een grieperig gevoel zonder koorts en
Waar verhoogt chronische anovulatie (bv. bij PCOS) het risico op? A) Cervixcarcinoom B) Endometriumcarcinoom C) Ovariumcarcinoom D) Mammacarcinoom B) Endometriumcarcinoom, door continue oestrogeenstimulatie zonder de beschermende invloed van progesteron, met proliferatie van het endometrium tot gevolg.
Hoe wordt chlamydia gediagnosticeerd? A) Kweek van vaginale afscheiding B) NAAT/PCR op urine of een swab C) Alleen serologie D) Directe microscopie B) NAAT/PCR op urine of een swab.
Een vrouw heeft eerder pre-eclampsie gehad en is nu opnieuw zwanger. Heeft zij een hoger dan gemiddelde kans op pre-eclampsie? A) Nee, het risico is bij een volgende zwangerschap gelijk aan de algemene bevolking B) Ja, en het risico is afhankelijk van d B) Ja, en het risico is afhankelijk van de ernst van de eerdere pre-eclampsie, de zwangerschapsduur waarbij het optrad (vroeger = hoger risico) en onderliggende risicofactoren zoals hypertensie, obesitas en diabetes mellitus.
Een postmenopauzale vrouw met genitale atrofie en dyspareunie krijgt eenmalig lokaal oestradiol voorgeschreven. Moet hier ook een progestageen aan worden toegevoegd? A) Ja, altijd bij oestrogeengebruik B) Nee, progestageen wordt alleen toegevoegd bij sy B) Nee, progestageen wordt alleen toegevoegd als er systemisch oestrogeen wordt gegeven, om het endometrium te beschermen tegen ongecontroleerde proliferatie.
Welk hormoon kent een piek direct na de ovulatie? A) LH B) FSH C) Prostaglandine E D) Progesteron D) Progesteron, geproduceerd door het corpus luteum na de ovulatie.
Een vrouw heeft acute onderbuikpijn en had op 16-jarige leeftijd ook al soortgelijke buikpijnaanvallen. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Extra-uteriene graviditeit B) Ovariumtorsie: piekincidentie rond 16 jaar, en kan intermitterend torderen B) Ovariumtorsie. De piekincidentie ligt rond 16 jaar, en doordat het ovarium intermitterend kan torderen, is er risico op recidief op latere leeftijd.
Bij een normale hoofdligging: welk deel van het hoofd ligt het diepst in het baringskanaal? A) Voorhoofd B) Kruin C) Achterhoofd D) Aangezicht C) Achterhoofd.
Wanneer kan de zwangerschapsduur het meest nauwkeurig worden vastgesteld? A) Bij de eerste positieve zwangerschapstest B) Met de termijnecho tussen 10-13 weken C) Pas bij de 20-weken echo D) Op basis van de laatste menstruatiedatum alleen B) Met de termijnecho tussen 10-13 weken, waarbij de kruin-romplengte (CRL) wordt gemeten.
Wanneer kunnen foetale bewegingen voor het eerst worden gevoeld door de zwangere? A) 10 weken B) 18 weken C) 28 weken D) 34 weken B) 18 weken.
Is endometriose de aanwezigheid van functioneel endometriumweefsel buiten de uterus? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Een vrouw van 34 weken zwanger heeft gebroken vliezen met helder vruchtwater en voelt af en toe een harde buik. Wat is het beleid? A) Afwachten thuis B) Spoedverwijzing naar de gynaecoloog C) Direct een sectio D) Alleen paracetamol adviseren B) Spoedverwijzing naar de gynaecoloog wegens dreigende vroeggeboorte, met de mogelijkheid van een GBS-infectie.
Kan pre-eclampsie (zwangerschapsvergiftiging) ook na de bevalling optreden? A) Nee, na de bevalling is het risico direct verdwenen B) Ja, tot 1 week na de bevalling C) Ja, tot 6 maanden na de bevalling D) Nee, pre-eclampsie is per definitie beperkt to B) Ja, pre-eclampsie kan tot 1 week na de bevalling nog optreden.
Bij endometriose kan pijn tijdens de seks optreden. Gaat het hierbij om oppervlakkige of diepe dyspareunie? A) Oppervlakkige dyspareunie B) Diepe dyspareunie C) Beide even vaak D) Geen van beide, endometriose geeft geen dyspareunie B) Diepe dyspareunie: pijn achter de vagina of in de onderbuik bij het doorstoten van de penis. Oppervlakkige dyspareunie is pijn bij het naar binnen gaan van de penis in of rond het vestibulum/introïtus vaginae.
Welke verwekker(s) veroorzaken vrijwel alle cervixcarcinomen? A) Herpes simplex virus B) Hoogrisico-HPV, met name type 16 en 18 C) Chlamydia trachomatis D) Cytomegalovirus B) Hoogrisico-HPV (HrHPV), met name type 16 en 18.
Een vrouw van 34 weken zwanger heeft een bloeddruk van 160/100 mmHg zonder eerdere hypertensie. Wat is het beleid? A) Afwachten en over een week controleren B) Directe spoedverwijzing naar de gynaecoloog voor urine-, bloedonderzoek, foetale monitoring e B) Directe spoedverwijzing naar de gynaecoloog. De novo hypertensie in de 2e helft van de zwangerschap vereist urineonderzoek (eiwit/kreatinine-ratio ≥30 bevestigt pre-eclampsie), bloedonderzoek (nierfunctie, lever, LDH, trombocyten), foetale monitoring (
Op welke hoogte in het baringskanaal bevindt zich vlak van Hodge 3? A) Ter hoogte van de bekkeningang B) Ter hoogte van de spinae ischiadicae C) Ter hoogte van de symfyse D) Ter hoogte van de bekkenbodem B) Ter hoogte van de spinae ischiadicae. Zodra het breedste deel van het hoofd het smalste deel van het baringskanaal (Hodge 3) is gepasseerd, past de baby fysiek door het baringskanaal en kan de bevalling in principe vaginaal plaatsvinden.
Een vrouw heeft acute, ernstige pijn rechtsonder in de buik, met vergelijkbare episodes in het verleden waarvoor ze nooit een arts bezocht. Zwangerschaps- en urinetest zijn negatief. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Extra-uteriene graviditeit B) Ovariumtorsie. Eerdere soortgelijke episodes passen bij intermitterende torsie, en de negatieve zwangerschaps- en urinetest maken respectievelijk een EUG en een acute urineweginfectie/urolithiasis minder waarschijnlijk.
Een 16-jarig meisje had haar menarche op 12-jarige leeftijd. Haar cyclus is sindsdien onregelmatig en onvoorspelbaar, zonder premenstruele klachten, met hevige bloedingen. Zijn haar cycli waarschijnlijk anovulatoir? A) Juist, want vooral in de eerste jar A) Juist. Vooral in de eerste jaren na de menarche en in de jaren voorafgaand aan de menopauze zijn cycli vaak anovulatoir.
Een vrouw is 34 weken zwanger, heeft 's nachts hoofdpijn en een voorgeschiedenis van migraine, verder ongecompliceerde zwangerschap met goede kindsbewegingen. Wat is het beleid? A) Alleen paracetamol en afwachten B) Direct langskomen en bloeddruk meten B) Direct langskomen en bloeddruk meten, omdat pre-eclampsie uitgesloten moet worden, ook bij een voorgeschiedenis van migraine.
Een vrouw heeft buikpijn, een positieve zwangerschapstest, maar een lege baarmoeder op de echo, met tekenen van peritoneale prikkeling en vrij vocht in de holte van Douglas. Wat is het beleid? A) Afwachten met controle-echo over een week B) Laparoscopie B) Laparoscopie, wegens verdenking op een geruptureerde extra-uteriene graviditeit (EUG).
Neemt de kans op een extra-uteriene graviditeit (EUG) toe met de leeftijd? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Verhoogt pre-eclampsie in een eerdere zwangerschap het risico op hypertensie in latere zwangerschappen? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Vaginale afscheiding met Gardnerella (bacteriële vaginose) heeft een hoge pH. Is dit juist of onjuist, en wat zijn de Amsel-criteria? A) Onjuist, de pH is juist laag B) Juist: pH fluor >4,5 is 1 van de 4 Amsel-criteria , waarvan minstens 3 van de 4 nodi B) Juist. Een pH fluor >4,5 is 1 van de 4 Amsel-criteria voor bacteriële vaginose (naast dunne homogene fluor, een positieve aminetest en clue-cellen in het fysiologisch zoutpreparaat); minstens 3 van de 4 criteria moeten positief zijn voor de diagnose.
Hoeveel procent van de cycli is 2 jaar na de menarche ovulatoir? A) ±20% B) ±50% C) ±80% D) Vrijwel 100% B) ±50%. Hierdoor komt dysmenorroe vaker voor: door verminderde progesteronproductie staat het endometrium langdurig alleen onder invloed van oestrogeen.
Wanneer is de incidentie van endometriumcarcinoom het hoogst? A) 25-40 jaar B) 40-55 jaar C) 55-75 jaar D) Na het 80e levensjaar C) 55-75 jaar.
Wat is de meest voorkomende seksuele klacht bij vrouwen? A) Vaginisme B) Orgasmeproblemen C) Verminderd libido D) Dyspareunie B) Orgasmeproblemen (11%). Bij mannen is vroegtijdige zaadlozing (10%) de meest voorkomende seksuele klacht.
Hoe zijn LH en FSH bij PCOS afwijkend? A) LH verlaagd, FSH verhoogd B) LH verhoogd , FSH normaal C) Zowel LH als FSH sterk verlaagd D) Zowel LH als FSH sterk verhoogd B) LH verhoogd, waardoor thecacellen veel androgenen produceren (met hirsutisme en acne tot gevolg); FSH is normaal, wat onvoldoende signaal geeft om een dominant follikel te laten uitrijpen, waardoor veel follikels blijven groeien en cysten ontstaan. De
Hoe ontstaat chronische anovulatie bij anorexia nervosa? A) Door primair ovarieel falen B) Door functionele hypothalamische amenorroe : verstoorde GnRH-afgifte, met onvoldoende LH/FSH-signaal C) Door verhoogd prolactine D) Door verhoogd androgeen B) Door functionele hypothalamische amenorroe (FHA): een verstoring van de GnRH-afgifte door de hypothalamus zorgt voor onvoldoende signaal voor de afgifte van LH/FSH (hypogonadotroop hypogonadisme).
Wat is de behandeling van salpingitis (PID)? A) Amoxicilline monotherapie B) Ofloxacine/levofloxacine, gevolgd door doxycycline C) Alleen metronidazol D) Fluconazol B) Ofloxacine/levofloxacine, gevolgd door doxycycline.
Wat is de medicamenteuze behandeling van een extra-uteriene graviditeit (EUG)? A) Misoprostol B) Methotrexaat C) Mifepriston D) Oxytocine B) Methotrexaat.
Waar staat de afkorting HELLP-syndroom voor? A) Hepatic Enzyme Low Liver Platelets B) Hemolysis, Elevated Liver enzymes, Low Platelets C) Hypertension, Edema, Low Liver enzymes, Proteinuria D) Hepatic Encephalopathy, Low Liver, Low Platelets B) Hemolysis, Elevated Liver enzymes, Low Platelets. Het ontstaat, net als pre-eclampsie, in de 2e helft van de zwangerschap, met de oorzaak in de placenta.
Wat is de meest voorkomende fysiologische klacht tijdens de zwangerschap? A) Obstipatie B) Reflux C) Hoofdpijn D) Kortademigheid B) Reflux.
Hoe wordt de leeftijd van een 10 weken oude foetus het beste bepaald? A) Op basis van de laatste menstruatie B) Met de termijnecho , waarbij de kruin-romplengte craniaal naar caudaal wordt gemeten C) Met een vroege 6-weken echo D) Met hCG-bloedwaarden B) Met de termijnecho (12-14 weken), waarbij de kruin-romplengte (CRL) van craniaal naar caudaal wordt bepaald.
Wat is het verschil tussen abruptio placentae en placenta praevia? A) Abruptio = voortijdige loslating van een normaal gelokaliseerde placenta B) Ze zijn synoniem C) Abruptio geeft nooit bloedverlies, placenta praevia altijd D) Placenta praevia geeft A) Abruptio placentae is de voortijdige (complete of gedeeltelijke) loslating van een normaal gelokaliseerde placenta, met vaginaal bloedverlies, buik-/rugpijn, foetale nood en een hypertone (mogelijk plankharde) uterus. Placenta praevia is een placenta d
Wat is vasa praevia? A) Een placenta die de cervix bedekt B) Foetale vaten in de vliezen ter plekke van de ontsluitingsopening, met risico op bloedverlies bij het breken van de vliezen C) Een navelstrengknoop D) Een placenta met een extra kwab B) Foetale vaten in de vliezen ter plekke van de ontsluitingsopening; bij het breken van de vliezen kan een vat opengaan met bloedverlies tot gevolg. Beleid is een geplande electieve sectio.
Moet bloedverlies in het 1e trimester altijd naar de gynaecoloog worden verwezen? A) Ja, altijd spoedverwijzing B) Nee, dit komt in de eerste 12 weken vaak voor en hoeft niet altijd verwezen te worden C) Ja, tenzij de vrouw al eerder zwanger is geweest B) Nee, bloedverlies in het eerste trimester komt vaak voor en is niet per definitie een reden voor verwijzing naar de gynaecoloog.
Zijn variabele en ongecompliceerde deceleraties van de foetale hartslag een aanwijzing voor foetale nood? A) Ja, altijd B) Nee, alleen variabele en ongecompliceerde deceleraties zijn geen aanwijzing voor foetale nood C) Ja, maar alleen na 37 weken D) B) Nee, alleen variabele en ongecompliceerde deceleraties zijn geen aanwijzing voor foetale nood.
B) Nee, ook wanneer het verhaal niet congruent is met het letsel kan en moet een melding worden overwogen, ook zonder harde bewijzen.
B) Beide (hartafwijking of toevalsbevinding) zijn mogelijk; gedurende een paar dagen wordt een afwachtend beleid gevoerd met aandacht voor alarmsymptomen.
Bedplassen gecombineerd met afwijkend mictiegedrag overdag kan wijzen op welke afwijking aan de rug? A) Scoliose B) Spina bifida occulta C) Sacrale agenesie D) Spondylolisthesis B) Spina bifida occulta.
Een 5 dagen oude, borstgevoede pasgeborene heeft 5% van het geboortegewicht verloren. Is dit normaal? A) Nee, dit wijst op onvoldoende voeding B) Ja, een zuigeling mag de eerste week 5-10% gewicht verliezen en is rond dag 10-14 weer terug bij het geboor B) Ja, een zuigeling mag de eerste week na de geboorte 5-10% van het lichaamsgewicht verliezen, en is doorgaans rond 10-14 dagen weer terug op het geboortegewicht.
Een kind heeft droge lippen en een verhoogde polsslag. Duidt dit op meer dan 5% gewichtsverlies door dehydratie? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Welke vitamine wordt direct na de geboorte gegeven, en aan wie? A) Vitamine D, aan alle kinderen B) Vitamine K, eenmalig door de verloskundige C) Vitamine A, alleen bij flesvoeding D) Vitamine B12, alleen bij vegetarische moeders B) Vitamine K, eenmalig 1 mg op de eerste dag door de verloskundige. Vitamine K wordt daarna alleen aanvullend gegeven bij borstvoeding (vanaf dag 8, 25 microgram per dag tot 3 maanden), omdat flesvoeding al vitamine K bevat.
Welke vitamine wordt extra geadviseerd bij een kind met cystic fibrosis (CF)? A) Vitamine C B) Vitamine D C) Vitamine B12 D) Foliumzuur B) Vitamine D. Vitamine A, D, E en K zijn vetoplosbaar, en kinderen met CF kunnen door pancreasinsufficiëntie vetten minder goed absorberen.
Wat is de meest voorkomende omgevingsfactor die astma bij kinderen uitlokt? A) Allergische prikkels B) Meeroken C) Lichamelijke inspanning D) Luchtweginfecties A) Allergische prikkels (bv. huisstofmijt, pollen, huisdieren, schimmels) zijn de meest voorkomende omgevingsfactor. Niet-allergische prikkels zoals (mee/derde hands) roken, luchtweginfecties en inspanning spelen ook een rol, maar minder vaak.
Een kind is bij verkoudheid vaker benauwd; er wordt niet gerookt in zijn huidige omgeving, moeder rookte wel tijdens de zwangerschap, en er is geen familiaire atopie. Wat is de meest waarschijnlijke verklaring? A) Astma door atopische aanleg B) Virale i B) Virale infectie bij nauwe anatomische luchtwegen. Roken tijdens de zwangerschap kan leiden tot minder goed ontwikkelde luchtwegen, waardoor een kind bij virale infecties eerder benauwd is, ook zonder atopische aanleg.
Een kind heeft zwakkere pulsaties in de a. femoralis dan in de a. brachialis. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Ventrikelseptumdefect B) Coarctatio aortae C) Persisterende ductus arteriosus D) Tetralogie van Fallot B) Coarctatio aortae (vernauwing van de aorta), waardoor de bloedvoorziening naar de onderste extremiteiten verminderd is ten opzichte van de bovenste.
Een 10-jarig kind poept sinds een paar dagen vaker per dag, afwisselend hard en dun, zonder groeirestrictie, misselijkheid of braken. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Coeliakie B) Obstipatie, met overloopdiarree door harde ontlasting in het B) Obstipatie: door harde ontlasting in de endeldarm kan overloopdiarree ontstaan, wat de afwisseling tussen harde en dunne ontlasting verklaart.
Bij welk fenomeen zorgt de placenta zelf voor de onderliggende oorzaak, net als bij pre-eclampsie? A) Placenta praevia B) HELLP-syndroom C) Vasa praevia D) Abruptio placentae B) HELLP-syndroom (Hemolysis, Elevated Liver enzymes, Low Platelets). Dit ontstaat, net als pre-eclampsie, in de 2e helft van de zwangerschap en de oorzaak ligt in de placenta.
Welke van de volgende congenitale hartafwijkingen behoort tot de acyanotische (links-rechts shunt) afwijkingen? A) Tetralogie van Fallot B) Transpositie van de grote vaten C) Ventrikelseptumdefect (VS D) D) Truncus arteriosus C) Ventrikelseptumdefect (VSD). Andere acyanotische afwijkingen zijn ASD, persisterende ductus arteriosus, coarctatio aortae en aorta-/pulmonalisstenose. Bij een VSD is de longdruk direct na de geboorte nog hoog, waardoor er aanvankelijk nauwelijks shunt
Wat is het Eisenmenger-syndroom? A) Een aangeboren cyanotische hartafwijking met 4 kenmerken B) Het omslaan van een onbehandelde links-rechts shunt naar een rechts-links shunt door toegenomen longvaatdruk, met cyanose als gevolg C) Een aritmie bij pasg B) Het omslaan van een onbehandelde links-rechts shunt naar een rechts-links shunt door toegenomen longvaatdruk, met cyanose als gevolg. Zo kunnen oorspronkelijk acyanotische hartafwijkingen op termijn alsnog cyanotisch worden.
Uit welke 4 kenmerken bestaat de tetralogie van Fallot? A) ASD, PDA, coarctatio aortae en pulmonalisstenose B) VSD, overrijdende aorta, pulmonalisstenose en rechterventrikelhypertrofie C) VSD, ASD, transpositie van de grote vaten en truncus arteriosus B) VSD, overrijdende aorta, pulmonalisstenose en rechterventrikelhypertrofie.
Een 13-jarig kind wil een medische behandeling weigeren, maar de ouders willen wel dat de behandeling wordt uitgevoerd. Wat gebeurt er? A) De behandeling wordt altijd uitgevoerd B) De behandeling wordt niet uitgevoerd, als het kind wilsbekwaam is C) Ee B) De behandeling wordt niet uitgevoerd. Tussen 12 en 16 jaar is toestemming van zowel het (wilsbekwame) kind als de ouders nodig; weigert de minderjarige, dan wordt de verrichting niet uitgevoerd, ook al willen de ouders het wel.
Wat is een kenmerkend verschil tussen laryngitis subglottica (pseudokroep) en epiglottitis? A) Laryngitis subglottica geeft speekselvloed, epiglottitis niet B) Bij epiglottitis is er speekselvloed en praat/slikt het kind niet C) Epiglottitis ontstaat a B) Bij epiglottitis is er speekselvloed en praat/slikt het kind niet, met een acuut beloop (uren) en hoge koorts; bij laryngitis subglottica (viraal) kan het kind wel gewoon slikken, is er geen speekselvloed en is het beloop trager (uren-dagen) met een da
Wat is de klassieke verwekker van epiglottitis, en wat is de behandeling? A) Virale verwekker B) Haemophilus influenzae type B C) Streptococcus pyogenes D) RS-virus B) Haemophilus influenzae type B (normaliter voorkomen door de DKTP-Hib-HepB-vaccinatie); behandeling bestaat uit antibiotica en (spoed)intubatie.
Wanneer is kinkhoest het meest besmettelijk? A) In de catarrale fase B) In de paroxysmale fase C) In de convalescentiefase D) Pas na 6 weken A) In de catarrale fase (1-2 weken), wanneer de klachten nog op een gewone verkoudheid lijken en het kind dus vaak nog niet als kinkhoest wordt herkend.
Wat mag een kind met coeliakie eten? A) Alleen rijst, geen andere granen B) Glutenvrije producten: bv. rijst, maïs, quinoa en boekweit C) Alle graanproducten, mits in kleine hoeveelheden D) Alleen glutenvrij brood, geen andere glutenvrije granen B) Glutenvrije producten, zoals rijst, maïs, quinoa en boekweit.
Hoe wordt koemelkeiwitallergie bij kinderen gediagnosticeerd? A) Bij alle leeftijden met een eliminatie-provocatietest B) Bij kinderen >1 jaar met een eliminatie-provocatietest C) Alleen met bloedonderzoek D) Alleen met een huidpriktest B) Bij kinderen >1 jaar met een eliminatie-provocatietest; bij kinderen <1 jaar met een koemelkvrij dieet gedurende 4 dagen.
Wat is positieve discongruentie van de fundushoogte? A) Fundushoogte >2 weken achter bij de verwachting, bv. door oligohydramnion B) Fundushoogte >2 weken vóór op de verwachting, bv. door macrosomie, meerling of polyhydramnion C) Fundushoogte precies v B) Fundushoogte >2 weken vóór op de verwachting bij de zwangerschapsduur, bv. door macrosomie, meerling, polyhydramnion, te veel baarmoeder of een verkeerde datum. Negatieve discongruentie is juist >2 weken áchter, bv. door dysmaturiteit, oligohydramnion
Wat is de meest voorkomende verwekker van mastitis: bacterie, virus of parasiet? A) Bacterie B) Virus C) Parasiet D) Schimmel A) Bacterie, en specifiek Staphylococcus aureus.
Een vrouw heeft al 4 uur onveranderd 2 cm ontsluiting. Is dit een stagnerende baring? A) Ja, want er is geen vordering B) Waarschijnlijk niet: ze is waarschijnlijk nog niet zeker in partu C) Ja, want stagnatie wordt na 2 uur al vastgesteld D) Nee, dit B) Waarschijnlijk niet: ze is waarschijnlijk nog niet zeker in partu. Pas bij een ontsluiting van ≥4 cm spreek je van zeker in partu, waarna de ontsluiting met minimaal 1 cm per uur moet vorderen.
Een zwangere vrouw had een week geleden aan het einde van de zwangerschap rubella-contact; zowel IgM als IgG zijn aantoonbaar in serum. Wat is het juiste beleid? A) Direct behandelen met antivirale middelen B) Bloed uit het 1e trimester testen op rubell B) Bloed uit het 1e trimester testen op rubella-antistoffen, om te bepalen of het IgG al vóór het recente contact aanwezig was (en dus wijst op eerdere immuniteit) of pas na het contact is ontstaan.
Wat is de meest voorkomende verwekker van pelvic inflammatory disease (PID)? A) Gonokokken, gevolgd door Chlamydia trachomatis B) E. coli C) Streptococcus pyogenes D) Candida albicans A) Gonokokken, gevolgd door Chlamydia trachomatis.
Bij welk percentage van de vrouwen verloopt een chlamydia-infectie asymptomatisch? A) Tot 50% B) Tot 70% C) Tot 90% D) Vrijwel nooit asymptomatisch C) Tot 90% van de vrouwen (bij mannen tot 50%) verloopt een chlamydia-infectie asymptomatisch.
Is salpingitis een soa? A) Ja, altijd B) Nee, maar het wordt vaak veroorzaakt door een opstijgende infectie met gonokokken , Chlamydia of darmbacteriën C) Ja, maar alleen bij jonge vrouwen D) Nee, het heeft nooit een infectieuze oorzaak B) Nee, salpingitis is zelf geen soa, maar wordt vaak veroorzaakt door een opstijgende infectie met gonokokken (60%), Chlamydia of darmbacteriën.
Tijdens een operatie wordt een chocoladecyste gevonden. Wat is hiervan de oorzaak? A) Endometriose B) PCOS C) Een dermoïdcyste D) Een folliculaire cyste A) Endometriose. Een chocoladecyste (endometrioom) ontstaat door endometriumweefsel in het ovarium.
Kan endometriose leiden tot infertiliteit? A) Nee, endometriose heeft geen invloed op de vruchtbaarheid B) Ja, het is een belangrijke oorzaak van subfertiliteit en verhoogt de kans op infertiliteit C) Alleen bij zeer ernstige vormen D) Alleen als ook B) Ja, endometriose is een belangrijke oorzaak van subfertiliteit en verhoogt de kans op infertiliteit.
Een vrouw heeft hypermenorroe (hevig, cyclisch bloedverlies). Is dit ovulatoir of anovulatoir bloedverlies? A) Ovulatoir, bv. door myomen, adenomyose, een koperspiraal of medicatie B) Anovulatoir C) Kan beide zijn, niet te bepalen zonder verder onderzo A) Ovulatoir. Hypermenorroe is cyclisch hevig en hinderlijk bloedverlies, bijvoorbeeld door myomen, adenomyose, een koperspiraal of medicatie.
Is het FSH bij een 52-jarige vrouw hoger dan bij een 20-jarige vrouw? A) Nee, FSH blijft levenslang gelijk B) Ja, FSH stijgt al vóór de menstruatieveranderingen, stijgt verder tijdens de perimenopauze en blijft verhoogd C) Nee, FSH daalt juist met de l B) Ja. Door afname van het aantal follikels neemt de oestrogeen- en inhibineproductie af, waardoor er minder negatieve terugkoppeling naar de hypofyse is en het FSH stijgt, al vóór de menstruatie verandert en verder tijdens de perimenopauze.
Helpt afvallen bij vrouwen met PCOS en overgewicht/obesitas tegen de cyclusklachten? A) Ja, er is overtuigend bewijs dat dit de cyclus normaliseert B) Er is geen overtuigend bewijs dat afvallen een gunstig effect heeft op de regelmaat van de cyclus C) B) Er is geen overtuigend bewijs dat afvallen bij vrouwen met PCOS en overgewicht/obesitas een gunstig effect heeft op de regelmaat van de cyclus.
Worden er postmenopauzaal nog oestrogenen aangemaakt in het lichaam? A) Nee, na de menopauze stopt alle oestrogeenproductie B) Ja, door perifere omzetting: de nieren produceren androgenen, die in vetweefsel, huid en spieren door aromatase worden omgezet B) Ja, door perifere omzetting: de bijnieren (niet nieren) produceren androgenen, die in vetweefsel, huid en spieren door aromatase worden omgezet in oestron.
Welk symptoom wordt vrijwel altijd gezien bij een extra-uteriene graviditeit (EUG)? A) Misselijkheid B) Onregelmatige menstruatie C) Buikpijn en/of vaginaal bloedverlies bij een zwangerschap D) Koorts C) Buikpijn en/of vaginaal bloedverlies bij een al dan niet bekende zwangerschap, meestal vóór week 8, zijn de meest voorkomende klachten waarmee een vrouw met een EUG bij de huisarts komt.
Waar bevindt zich ongeveer 90% van de extra-uteriene graviditeiten (EUG)? A) In het ovarium B) In de tuba C) In de cervix D) In het abdomen B) In de tuba. De kans op intra-abdominale bloeding hangt sterk af van het moment van diagnose; bij tubaruptuur is er vrijwel altijd bloedverlies. Snelle lokalisatie met transvaginale echoscopie (of serum-hCG) verhoogt de kans op een tubasparend beloop.
Een vrouw heeft episodes van buikpijn. Wat is op basis van epidemiologie meer waarschijnlijk: nierstenen of uterusmyomen? A) Nierstenen B) Uterusmyomen C) Beide even waarschijnlijk D) Endometriose B) Uterusmyomen. Hierbij ontstaan uteriene contracties ter uitdrijving van een intracavitair gelegen myoom. De meest voorkomende oorzaak van secundaire dysmenorroe is overigens endometriose.
Wat is reflexoire persdrang? A) Actief persen zodra de weeën beginnen B) Automatisch persen door de druk van het foetale hoofd op de bekkenbodem, versterkt door oxytocine-gedreven weeën C) Persen dat medicamenteus wordt opgewekt D) Persen dat alleen b B) Automatisch persen door de druk van het foetale hoofd op de bekkenbodem, versterkt door oxytocine-gedreven weeën. Er wordt niet actief geperst tijdens de weeën als het hoofd al staat en vóór de geboorte van de achterste schouder, om een perineumscheur
Wat is de meest voorkomende verwekker van koorts in het kraambed? A) E. coli B) Streptococcus pyogenes C) Staphylococcus aureus D) Candida albicans B) Streptococcus pyogenes (groep A-streptokok).
Wordt de menopauze retrospectief gediagnosticeerd? A) Nee, direct bij het uitblijven van menstruatie B) Ja, het tijdstip van de menopauze wordt retrospectief bepaald, 1 jaar na de laatste menstruatie C) Nee, dit wordt met bloedonderzoek prospectief vas B) Ja, het tijdstip van de menopauze wordt retrospectief bepaald: 1 jaar na de laatste menstruatie.
Heeft elke fase van de follikelrijping LH en FSH nodig? A) Ja, vanaf het begin B) Nee, pas vanaf de antrale fase C) Nee, LH en FSH zijn nooit nodig voor follikelrijping D) Alleen FSH is nodig, LH pas na de ovulatie B) Nee, pas vanaf de antrale fase; de vroege ontwikkeling (van primordiale tot secundaire follikel) verloopt grotendeels gonadotrofine-onafhankelijk.
Een vrouw is 34 weken zwanger en heeft hoofdpijn. Wat is de eerste stap? A) Alleen paracetamol adviseren B) Pre-eclampsie uitsluiten: spoedbeoordeling, bloeddruk meten, urineonderzoek, lab en foetale monitoring C) Afwachten en na een week terugkomen D B) Pre-eclampsie uitsluiten met een spoedbeoordeling: bloeddruk meten, urineonderzoek, lab en foetale monitoring. Andere alarmsymptomen van pre-eclampsie/HELLP zijn bovenbuikpijn, visusklachten, misselijkheid/braken, een grieperig gevoel zonder koorts en
Waar verhoogt chronische anovulatie (bv. bij PCOS) het risico op? A) Cervixcarcinoom B) Endometriumcarcinoom C) Ovariumcarcinoom D) Mammacarcinoom B) Endometriumcarcinoom, door continue oestrogeenstimulatie zonder de beschermende invloed van progesteron, met proliferatie van het endometrium tot gevolg.
Hoe wordt chlamydia gediagnosticeerd? A) Kweek van vaginale afscheiding B) NAAT/PCR op urine of een swab C) Alleen serologie D) Directe microscopie B) NAAT/PCR op urine of een swab.
Een vrouw heeft eerder pre-eclampsie gehad en is nu opnieuw zwanger. Heeft zij een hoger dan gemiddelde kans op pre-eclampsie? A) Nee, het risico is bij een volgende zwangerschap gelijk aan de algemene bevolking B) Ja, en het risico is afhankelijk van d B) Ja, en het risico is afhankelijk van de ernst van de eerdere pre-eclampsie, de zwangerschapsduur waarbij het optrad (vroeger = hoger risico) en onderliggende risicofactoren zoals hypertensie, obesitas en diabetes mellitus.
Een postmenopauzale vrouw met genitale atrofie en dyspareunie krijgt eenmalig lokaal oestradiol voorgeschreven. Moet hier ook een progestageen aan worden toegevoegd? A) Ja, altijd bij oestrogeengebruik B) Nee, progestageen wordt alleen toegevoegd bij sy B) Nee, progestageen wordt alleen toegevoegd als er systemisch oestrogeen wordt gegeven, om het endometrium te beschermen tegen ongecontroleerde proliferatie.
Welk hormoon kent een piek direct na de ovulatie? A) LH B) FSH C) Prostaglandine E D) Progesteron D) Progesteron, geproduceerd door het corpus luteum na de ovulatie.
Een vrouw heeft acute onderbuikpijn en had op 16-jarige leeftijd ook al soortgelijke buikpijnaanvallen. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Extra-uteriene graviditeit B) Ovariumtorsie: piekincidentie rond 16 jaar, en kan intermitterend torderen B) Ovariumtorsie. De piekincidentie ligt rond 16 jaar, en doordat het ovarium intermitterend kan torderen, is er risico op recidief op latere leeftijd.
Bij een normale hoofdligging: welk deel van het hoofd ligt het diepst in het baringskanaal? A) Voorhoofd B) Kruin C) Achterhoofd D) Aangezicht C) Achterhoofd.
Wanneer kan de zwangerschapsduur het meest nauwkeurig worden vastgesteld? A) Bij de eerste positieve zwangerschapstest B) Met de termijnecho tussen 10-13 weken C) Pas bij de 20-weken echo D) Op basis van de laatste menstruatiedatum alleen B) Met de termijnecho tussen 10-13 weken, waarbij de kruin-romplengte (CRL) wordt gemeten.
Wanneer kunnen foetale bewegingen voor het eerst worden gevoeld door de zwangere? A) 10 weken B) 18 weken C) 28 weken D) 34 weken B) 18 weken.
Is endometriose de aanwezigheid van functioneel endometriumweefsel buiten de uterus? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Een vrouw van 34 weken zwanger heeft gebroken vliezen met helder vruchtwater en voelt af en toe een harde buik. Wat is het beleid? A) Afwachten thuis B) Spoedverwijzing naar de gynaecoloog C) Direct een sectio D) Alleen paracetamol adviseren B) Spoedverwijzing naar de gynaecoloog wegens dreigende vroeggeboorte, met de mogelijkheid van een GBS-infectie.
Kan pre-eclampsie (zwangerschapsvergiftiging) ook na de bevalling optreden? A) Nee, na de bevalling is het risico direct verdwenen B) Ja, tot 1 week na de bevalling C) Ja, tot 6 maanden na de bevalling D) Nee, pre-eclampsie is per definitie beperkt to B) Ja, pre-eclampsie kan tot 1 week na de bevalling nog optreden.
Bij endometriose kan pijn tijdens de seks optreden. Gaat het hierbij om oppervlakkige of diepe dyspareunie? A) Oppervlakkige dyspareunie B) Diepe dyspareunie C) Beide even vaak D) Geen van beide, endometriose geeft geen dyspareunie B) Diepe dyspareunie: pijn achter de vagina of in de onderbuik bij het doorstoten van de penis. Oppervlakkige dyspareunie is pijn bij het naar binnen gaan van de penis in of rond het vestibulum/introïtus vaginae.
Welke verwekker(s) veroorzaken vrijwel alle cervixcarcinomen? A) Herpes simplex virus B) Hoogrisico-HPV, met name type 16 en 18 C) Chlamydia trachomatis D) Cytomegalovirus B) Hoogrisico-HPV (HrHPV), met name type 16 en 18.
Een vrouw van 34 weken zwanger heeft een bloeddruk van 160/100 mmHg zonder eerdere hypertensie. Wat is het beleid? A) Afwachten en over een week controleren B) Directe spoedverwijzing naar de gynaecoloog voor urine-, bloedonderzoek, foetale monitoring e B) Directe spoedverwijzing naar de gynaecoloog. De novo hypertensie in de 2e helft van de zwangerschap vereist urineonderzoek (eiwit/kreatinine-ratio ≥30 bevestigt pre-eclampsie), bloedonderzoek (nierfunctie, lever, LDH, trombocyten), foetale monitoring (
Op welke hoogte in het baringskanaal bevindt zich vlak van Hodge 3? A) Ter hoogte van de bekkeningang B) Ter hoogte van de spinae ischiadicae C) Ter hoogte van de symfyse D) Ter hoogte van de bekkenbodem B) Ter hoogte van de spinae ischiadicae. Zodra het breedste deel van het hoofd het smalste deel van het baringskanaal (Hodge 3) is gepasseerd, past de baby fysiek door het baringskanaal en kan de bevalling in principe vaginaal plaatsvinden.
Een vrouw heeft acute, ernstige pijn rechtsonder in de buik, met vergelijkbare episodes in het verleden waarvoor ze nooit een arts bezocht. Zwangerschaps- en urinetest zijn negatief. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Extra-uteriene graviditeit B) Ovariumtorsie. Eerdere soortgelijke episodes passen bij intermitterende torsie, en de negatieve zwangerschaps- en urinetest maken respectievelijk een EUG en een acute urineweginfectie/urolithiasis minder waarschijnlijk.
Een 16-jarig meisje had haar menarche op 12-jarige leeftijd. Haar cyclus is sindsdien onregelmatig en onvoorspelbaar, zonder premenstruele klachten, met hevige bloedingen. Zijn haar cycli waarschijnlijk anovulatoir? A) Juist, want vooral in de eerste jar A) Juist. Vooral in de eerste jaren na de menarche en in de jaren voorafgaand aan de menopauze zijn cycli vaak anovulatoir.
Een vrouw is 34 weken zwanger, heeft 's nachts hoofdpijn en een voorgeschiedenis van migraine, verder ongecompliceerde zwangerschap met goede kindsbewegingen. Wat is het beleid? A) Alleen paracetamol en afwachten B) Direct langskomen en bloeddruk meten B) Direct langskomen en bloeddruk meten, omdat pre-eclampsie uitgesloten moet worden, ook bij een voorgeschiedenis van migraine.
Een vrouw heeft buikpijn, een positieve zwangerschapstest, maar een lege baarmoeder op de echo, met tekenen van peritoneale prikkeling en vrij vocht in de holte van Douglas. Wat is het beleid? A) Afwachten met controle-echo over een week B) Laparoscopie B) Laparoscopie, wegens verdenking op een geruptureerde extra-uteriene graviditeit (EUG).
Neemt de kans op een extra-uteriene graviditeit (EUG) toe met de leeftijd? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Verhoogt pre-eclampsie in een eerdere zwangerschap het risico op hypertensie in latere zwangerschappen? A) Juist B) Onjuist A) Juist.
Vaginale afscheiding met Gardnerella (bacteriële vaginose) heeft een hoge pH. Is dit juist of onjuist, en wat zijn de Amsel-criteria? A) Onjuist, de pH is juist laag B) Juist: pH fluor >4,5 is 1 van de 4 Amsel-criteria , waarvan minstens 3 van de 4 nodi B) Juist. Een pH fluor >4,5 is 1 van de 4 Amsel-criteria voor bacteriële vaginose (naast dunne homogene fluor, een positieve aminetest en clue-cellen in het fysiologisch zoutpreparaat); minstens 3 van de 4 criteria moeten positief zijn voor de diagnose.
Hoeveel procent van de cycli is 2 jaar na de menarche ovulatoir? A) ±20% B) ±50% C) ±80% D) Vrijwel 100% B) ±50%. Hierdoor komt dysmenorroe vaker voor: door verminderde progesteronproductie staat het endometrium langdurig alleen onder invloed van oestrogeen.
Wanneer is de incidentie van endometriumcarcinoom het hoogst? A) 25-40 jaar B) 40-55 jaar C) 55-75 jaar D) Na het 80e levensjaar C) 55-75 jaar.
Wat is de meest voorkomende seksuele klacht bij vrouwen? A) Vaginisme B) Orgasmeproblemen C) Verminderd libido D) Dyspareunie B) Orgasmeproblemen (11%). Bij mannen is vroegtijdige zaadlozing (10%) de meest voorkomende seksuele klacht.
Hoe zijn LH en FSH bij PCOS afwijkend? A) LH verlaagd, FSH verhoogd B) LH verhoogd , FSH normaal C) Zowel LH als FSH sterk verlaagd D) Zowel LH als FSH sterk verhoogd B) LH verhoogd, waardoor thecacellen veel androgenen produceren (met hirsutisme en acne tot gevolg); FSH is normaal, wat onvoldoende signaal geeft om een dominant follikel te laten uitrijpen, waardoor veel follikels blijven groeien en cysten ontstaan. De
Hoe ontstaat chronische anovulatie bij anorexia nervosa? A) Door primair ovarieel falen B) Door functionele hypothalamische amenorroe : verstoorde GnRH-afgifte, met onvoldoende LH/FSH-signaal C) Door verhoogd prolactine D) Door verhoogd androgeen B) Door functionele hypothalamische amenorroe (FHA): een verstoring van de GnRH-afgifte door de hypothalamus zorgt voor onvoldoende signaal voor de afgifte van LH/FSH (hypogonadotroop hypogonadisme).
Wat is de behandeling van salpingitis (PID)? A) Amoxicilline monotherapie B) Ofloxacine/levofloxacine, gevolgd door doxycycline C) Alleen metronidazol D) Fluconazol B) Ofloxacine/levofloxacine, gevolgd door doxycycline.
Wat is de medicamenteuze behandeling van een extra-uteriene graviditeit (EUG)? A) Misoprostol B) Methotrexaat C) Mifepriston D) Oxytocine B) Methotrexaat.
Waar staat de afkorting HELLP-syndroom voor? A) Hepatic Enzyme Low Liver Platelets B) Hemolysis, Elevated Liver enzymes, Low Platelets C) Hypertension, Edema, Low Liver enzymes, Proteinuria D) Hepatic Encephalopathy, Low Liver, Low Platelets B) Hemolysis, Elevated Liver enzymes, Low Platelets. Het ontstaat, net als pre-eclampsie, in de 2e helft van de zwangerschap, met de oorzaak in de placenta.
Wat is de meest voorkomende fysiologische klacht tijdens de zwangerschap? A) Obstipatie B) Reflux C) Hoofdpijn D) Kortademigheid B) Reflux.
Hoe wordt de leeftijd van een 10 weken oude foetus het beste bepaald? A) Op basis van de laatste menstruatie B) Met de termijnecho , waarbij de kruin-romplengte craniaal naar caudaal wordt gemeten C) Met een vroege 6-weken echo D) Met hCG-bloedwaarden B) Met de termijnecho (12-14 weken), waarbij de kruin-romplengte (CRL) van craniaal naar caudaal wordt bepaald.
Wat is het verschil tussen abruptio placentae en placenta praevia? A) Abruptio = voortijdige loslating van een normaal gelokaliseerde placenta B) Ze zijn synoniem C) Abruptio geeft nooit bloedverlies, placenta praevia altijd D) Placenta praevia geeft A) Abruptio placentae is de voortijdige (complete of gedeeltelijke) loslating van een normaal gelokaliseerde placenta, met vaginaal bloedverlies, buik-/rugpijn, foetale nood en een hypertone (mogelijk plankharde) uterus. Placenta praevia is een placenta d
Wat is vasa praevia? A) Een placenta die de cervix bedekt B) Foetale vaten in de vliezen ter plekke van de ontsluitingsopening, met risico op bloedverlies bij het breken van de vliezen C) Een navelstrengknoop D) Een placenta met een extra kwab B) Foetale vaten in de vliezen ter plekke van de ontsluitingsopening; bij het breken van de vliezen kan een vat opengaan met bloedverlies tot gevolg. Beleid is een geplande electieve sectio.
Moet bloedverlies in het 1e trimester altijd naar de gynaecoloog worden verwezen? A) Ja, altijd spoedverwijzing B) Nee, dit komt in de eerste 12 weken vaak voor en hoeft niet altijd verwezen te worden C) Ja, tenzij de vrouw al eerder zwanger is geweest B) Nee, bloedverlies in het eerste trimester komt vaak voor en is niet per definitie een reden voor verwijzing naar de gynaecoloog.
Zijn variabele en ongecompliceerde deceleraties van de foetale hartslag een aanwijzing voor foetale nood? A) Ja, altijd B) Nee, alleen variabele en ongecompliceerde deceleraties zijn geen aanwijzing voor foetale nood C) Ja, maar alleen na 37 weken D) B) Nee, alleen variabele en ongecompliceerde deceleraties zijn geen aanwijzing voor foetale nood.
Een vader heeft een mitochondriale aandoening. Zijn 4 dochters zijn ook aangedaan. Zal hij deze aandoening doorgeven aan zijn kleinkinderen (kinderen van zijn dochters)? A) Ja, altijd B) Nee, alleen moeders geven mitochondriale ziekten door aan hun kind B) Nee, alleen moeders geven mitochondriale ziekten door aan hun kinderen. Mitochondrieel DNA wordt uitsluitend via de eicel (moederlijke lijn) doorgegeven, dus een vader kan een mitochondriale aandoening nooit doorgeven aan zijn kinderen.
Een aandoening erft autosomaal dominant over met een penetrantie van 90%. Wat is de kans dat een kind van een aangedane ouder de aandoening krijgt? A) 0,25 B) 0,45 C) 0,5 D) 0,9 B) 0,45. Kans op overerving van het allel is 50% (0,5), vermenigvuldigd met de penetrantie van 90% (0,9) = 0,5 x 0,9 = 0,45.
Wat is de juiste definitie van een malformatie? A) Structurele afwijking van een orgaan door mechanische krachten van buitenaf B) Structurele afwijking van een orgaan door een intrinsieke stoornis tijdens de embryonale ontwikkeling C) Destructie van ee B) Structurele afwijking van (een deel van) een orgaan door een intrinsieke stoornis tijdens de embryonale ontwikkeling. Een deformatie ontstaat juist door mechanische krachten (extrinsiek) op een in oorsprong normaal aangelegd deel.
Wat komt het meest voor als oorzaak van een aangeboren afwijking zoals polydactylie: A) Malformatie B) Deformatie C) Disruptie D) Ze komen even vaak voor B) Deformatie (extrinsieke stoornis). Deformaties door mechanische krachten komen het vaakst voor van de drie categorieën structurele afwijkingen.
Wat is de kans op een kind met een genetische afwijking bij een neef-nicht huwelijk (consanguïniteit) ten opzichte van de algemene populatie? A) Gelijk aan de algemene populatie B) Ongeveer verdubbeld C) Vertienvoudigd D) Alleen verhoogd bij autosomaa B) Ongeveer verdubbeld (4-6%). Het gemiddelde extra risico voor een neef-nicht paar is 2-2,5% bovenop het algemene risico van circa 2,5%, dus totaal 4-6%.
Een 70-jarige vrouw heeft nooit kanker gehad. Haar broer is drager van een BRCA-mutatie en haar nichtje kreeg op jonge leeftijd borstkanker. Wat is de kans dat zij zelf draagster is van de BRCA-mutatie? A) 25% B) 50% C) 75% D) Bijna 0%, want ze is al B) 50%. BRCA is autosomaal dominant met variabele expressie. Als haar broer drager is (Aa), heeft zij ook 50% kans om drager te zijn. De ziektegeschiedenis van het nichtje bevestigt de familiaire belasting, maar verandert de erfelijkheidskans voor haarzel
Wat is de meest voorkomende oorzaak van het syndroom van Down? A) Translocatie B) Mozaïcisme C) Non-disjunctie D) Deletie C) Non-disjunctie (±95%). Andere, veel minder voorkomende oorzaken zijn translocatie (3-4%) en mozaïcisme (1-2%).
Welk type mutatie geeft de meeste kans op een medische aandoening? A) Silent mutatie B) Missense mutatie C) Loss-of-function mutatie D) Synonieme mutatie C) Loss-of-function mutatie (frameshift of nonsense). Een frameshift-mutatie ontstaat door insertie of deletie van 1 of meer nucleotiden waardoor een ander codon ontstaat; een nonsense-mutatie verandert een codon in een stopcodon, wat een verkort eiwit op
Kan een puntmutatie in een gen dezelfde aandoening geven als een deletie van datzelfde gen? A) Nee, nooit B) Ja, als de puntmutatie leidt tot loss-of-function C) Alleen bij X-gebonden genen D) Alleen bij mitochondriale genen B) Ja, als de puntmutatie leidt tot loss-of-function. Zowel een deletie als een loss-of-function-puntmutatie kunnen het functionele eiwit volledig laten wegvallen, met hetzelfde fenotype als gevolg.
Wat is kiemcelmozaïcisme? A) Een mutatie die pas na de geboorte ontstaat B) Een mutatie die de novo ontstaat in een embryonale cel en terug te vinden is in de daarvan afstammende cellen, met 2 cellijnen tot gevolg C) Het gelijktijdig voorkomen van twee B) Een mutatie die de novo ontstaat in een embryonale cel en terug te vinden is in de daarvan afstammende cellen, met 2 cellijnen (aangedaan/niet-aangedaan) tot gevolg. De ernst van de kenmerken hangt af van het percentage aangedane cellen.
Wat is fenokopie? A) Een erfelijke aandoening die in twee generaties identiek tot uiting komt B) Een eigenschap/aandoening die lijkt op een erfelijke aandoening, maar niet erfelijk wordt veroorzaakt C) Een mutatie die identiek is aan die van een naast B) Een eigenschap/aandoening die lijkt op een erfelijke aandoening, maar niet erfelijk wordt veroorzaakt. Voorbeeld: een familielid zonder BRCA1-mutatie krijgt toch borstkanker, of een andere met BRCA1 geassocieerde kankervorm.
Bij een stamboom met een mitochondriale aandoening zie je een verticaal overervingspatroon over meerdere generaties. Wie geven de aandoening door aan hun kinderen? A) Alleen mannen B) Alleen vrouwen C) Zowel mannen als vrouwen D) Alleen de moeder van B) Alleen vrouwen. Bij mitochondriale overerving zijn mannen en vrouwen beiden aangedaan, maar alleen vrouwen geven de aandoening door aan hun kinderen (mitochondrieel DNA komt uit de eicel).
Welke drie vormen van genetisch onderzoek worden onderscheiden op basis van de indicatie? A) Prenataal, postnataal en presymptomatisch onderzoek B) Diagnostisch onderzoek, presymptomatisch onderzoek en dragerschapsonderzoek C) DNA-, RNA- en eiwitonderz B) Diagnostisch onderzoek, presymptomatisch onderzoek en dragerschapsonderzoek. Diagnostisch: bij aangeboren afwijkingen/ontwikkelingsstoornissen voor syndroomdiagnose. Presymptomatisch: bij verhoogd risico op basis van familiair voorkomen. Dragerschapson
Vanaf welke leeftijd heeft een kind met cystic fibrosis (CF) meestal pancreasinsufficiëntie ontwikkeld? A) 65-70% vanaf de geboorte, 85% voor het 1e levensjaar B) Pas na het 5e levensjaar bij vrijwel iedereen C) Alleen bij ernstige mutaties, ±20% D) N A) 65-70% vanaf de geboorte, 85% voor het 1e levensjaar. Pancreasinsufficiëntie is dus al vroeg en bij het merendeel van de CF-patiënten aanwezig.
Een gezonde man heeft een broer met CF (autosomaal recessief). Wat is zijn kans op dragerschap van de CF-mutatie? A) 25% B) 33% C) 50% D) 66% D) 66%. Omdat hij zelf gezond is (dus geen aa), blijven van de mogelijke genotypes (AA, Aa, Aa, aa) alleen AA en Aa over in verhouding 1:2, dus 2/3 = 66% kans op dragerschap (Aa).
Een vrouw heeft een vader met een X-recessieve aandoening. Wat is de kans dat haar zoon deze aandoening ook krijgt? A) 25% B) 50% C) 75% D) 100% B) 50%. De vrouw is 100% draagster, omdat zij haar enige X-chromosoom van haar aangedane vader krijgt. Daarna is er 50% kans dat zij het aangedane X-chromosoom doorgeeft aan haar zoon.
Retinoblastoom erft autosomaal dominant over met 90% penetrantie. Een man heeft retinoblastoom, zijn partner is niet-draagster. Wat is de kans dat hun kind retinoblastoom krijgt? A) 25% B) 45% C) 50% D) 90% B) 45%. Er is 50% kans dat het kind het dominante allel van de vader krijgt, vermenigvuldigd met 90% penetrantie = 0,5 x 0,9 = 0,45 (45%).
Wat is de juiste definitie van disruptie? A) Structurele afwijking door een intrinsieke stoornis tijdens de embryonale ontwikkeling B) Structurele afwijking door mechanische krachten op een normaal aangelegd deel C) Structurele afwijking van een orgaan C) Structurele afwijking van (een deel van) een orgaan door destructie van eerder normaal aangelegd weefsel. Dit onderscheidt disruptie van malformatie (intrinsieke ontwikkelingsstoornis) en deformatie (mechanische krachten).
Een man heeft een eeneiige tweelingbroer met een autosomaal dominante vorm van chronische pancreatitis (80% penetrantie). Wat is zijn kans om de ziekte te ontwikkelen? A) 40% B) 50% C) 80% D) 100% C) 80%. Omdat hij genetisch identiek is aan zijn eeneiige tweelingbroer, heeft hij zeker (100%) het ziekteveroorzakende allel, maar door de 80% penetrantie is zijn kans om de ziekte daadwerkelijk te ontwikkelen 80%.
Een vrouw met een BRCA1-mutatie heeft meerdere aangedane familieleden, maar haar 92-jarige moeder (ook draagster) heeft nooit kanker gehad. Hoe wordt dit verklaard? A) Variabele expressie B) Gereduceerde penetrantie C) Fenokopie D) Mozaïcisme B) Gereduceerde penetrantie. Niet iedereen met het ziekteveroorzakende genotype ontwikkelt daadwerkelijk de aandoening; bij een BRCA1/2-mutatie krijgt bijvoorbeeld maar 60-80% ooit borstkanker.
Een man heeft familiaire polydactylie met incomplete penetrantie in de familie. Zijn vader had het, hijzelf niet. Hebben zijn kinderen een verhoogd risico op polydactylie? A) Nee, want de aandoening slaat een generatie over B) Ja, want polydactylie erft B) Ja, want polydactylie erft autosomaal dominant over en hij kan drager zijn ondanks afwezige expressie. Door incomplete penetrantie kan iemand het allel bij zich dragen zonder zelf klachten te hebben, en dit toch doorgeven aan zijn kinderen.
Palatoschisis en polydactylie zijn beide voorbeelden van: A) Deformaties B) Disrupties C) Malformaties D) Fenokopieën C) Malformaties. Beide ontstaan door een intrinsieke stoornis tijdens de embryonale ontwikkeling van het betreffende orgaan/lichaamsdeel.
Wat is het verschil tussen gereduceerde penetrantie en variabele expressie? A) Ze zijn synoniem B) Gereduceerde penetrantie = niet iedereen met het genotype krijgt de aandoening C) Gereduceerde penetrantie geldt alleen voor autosomaal recessieve aandoe B) Gereduceerde penetrantie = niet iedereen met het genotype krijgt de aandoening (bv. bij BRCA1/2 krijgt 60-80% ooit borstkanker); variabele expressie = het ziekteveroorzakende genotype kan tot uiting komen in verschillende fenotypes (bv. i.p.v. borstkan
Wat is stressincontinentie? A) Urineverlies met plotselinge aandrang B) Urineverlies zonder aandrang bij intra-abdominale drukverhoging C) Urineverlies door verminderde detrusorcontractiliteit D) Continue urineverlies door een fistel B) Urineverlies zonder aandrang bij intra-abdominale drukverhoging (bv. sporten, niezen, hoesten), vooral bij vrouwen <50 jaar. Belangrijke risicofactoren zijn zwangerschap en vaginale bevallingen.
Wat is urgency-incontinentie? A) Urineverlies dat samengaat met of direct wordt voorafgegaan door plotselinge, onbedwingbare aandrang om te plassen B) Urineverlies zonder enige aandrang C) Urineverlies door een fistel tussen vagina en blaas D) Urineve A) Urineverlies dat samengaat met of direct wordt voorafgegaan door plotselinge, onbedwingbare aandrang om te plassen.
Wat is reflexincontinentie? A) Urineverlies door drukverhoging bij hoesten B) Urineverlies door reflectoir samentrekken van de detrusor bij afwezigheid van normale mictiedrang, bv. door suprasacrale laesies C) Urineverlies door overloop bij verminderde B) Urineverlies door reflectoir samentrekken van de detrusor in afwezigheid van normale mictiedrang, bv. door suprasacrale laesies (na een CVA, ziekte van Parkinson, MS), waardoor de remmende invloed van de hersenen op de blaas verloren gaat.
Wat is overloopincontinentie? A) Urineverlies bij plotselinge aandrang B) Urineverlies doordat de contractiliteit van de detrusor/blaas verminderd of verloren is , zonder mictiedrang C) Urineverlies bij hoesten of niezen D) Urineverlies door een supra B) Urineverlies doordat de contractiliteit van de detrusor of blaas verminderd of geheel verloren is gegaan (bv. door DM, cauda equina, afvloedbelemmering, anticholinergica). Er is geen mictiedrang; urineverlies ontstaat wanneer de druk in de blaas de max
Wat is continue incontinentie? A) Urineverlies bij hoesten B) Urineverlies door een fistel tussen vagina en blaas, bv. door trauma, een operatie in het kleine bekken, een zeer langdurige partus of congenitaal C) Urineverlies door plotselinge aandrang B) Urineverlies door een fistel tussen vagina en blaas, bv. door trauma, een operatie in het kleine bekken, een zeer langdurige partus of congenitaal.
Wordt stressincontinentie behandeld met anticholinergica (blaasremming)? A) Ja, dit is de standaardbehandeling B) Nee C) Ja, maar alleen bij mannen D) Nee, stressincontinentie wordt nooit behandeld B) Nee; anticholinergica worden juist ingezet bij urgency-incontinentie. Stressincontinentie wordt behandeld met bekkenbodemspieroefeningen of een pessarium, en bij frequente, hinderlijke incontinentie kan een midurethraalbandje worden overwogen.
Wat is een belangrijke bijwerking van anticholinergica/urologische spasmolytica (bv. tolterodine, oxybutinine) bij urgency-incontinentie? A) Diarree B) Hoofdpijn, droge mond en obstipatie C) Hypertensie D) Hypoglykemie B) Hoofdpijn, droge mond en obstipatie, waardoor 2/3 van de patiënten binnen 6 maanden stopt met de behandeling. Absolute contra-indicaties zijn nauwekamerhoekglaucoom, verlengde QT-tijd en urineretentie.
In welke zone van de prostaat ontstaan prostaatcarcinomen het vaakst? A) Transitiezone B) Perifere zone C) Centrale zone D) Overal even vaak B) Perifere zone (>75%). Benigne prostaathyperplasie (BPH) ontstaat juist vooral in de transitiezone rond de urethra.
Wat is de eerste behandeling bij een oppervlakkig blaascarcinoom? A) Cystectomie met Bricker-blaas B) Transurethrale resectie C) Chemotherapie D) Radiotherapie B) Transurethrale resectie (TURT). Bij een spierinvasief blaascarcinoom is een cystectomie met Bricker-blaas geïndiceerd.
Ontstaat een erectie door constrictie van gladde spiercellen in de corpora cavernosa? A) Juist B) Onjuist: seksuele stimulatie leidt via de parasympathicus tot vrijkomen van stikstofmonoxide , toename van cGMP en juist ontspanning van de gladde spieren B) Onjuist. Seksuele stimulatie leidt via de parasympathicus tot het vrijkomen van stikstofmonoxide (NO), wat via een toename van cGMP zorgt voor ontspanning van de gladde spieren in het corpus cavernosum. Hierdoor vullen de corpora cavernosa zich met blo
Bij lichamelijk onderzoek wordt een translucente zwelling in het scrotum gevonden. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Testistorsie B) Hydrocèle C) Varicocèle D) Liesbreuk B) Hydrocèle. Translucentie (doorschijnendheid bij doorlichten) is kenmerkend voor een vochtophoping zoals een hydrocèle.
Een jongen presenteert zich met (sub)acuut ontstane, toenemende, eenzijdige pijn en zwelling van de epididymis, met normale positie van de testis en dysurie. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Torsio testis B) Epididymitis C) Hydrocèle D) Va B) Epididymitis, meestal veroorzaakt door een secundaire infectie bij een soa (meestal Chlamydia) of urineweginfectie (meestal E. coli). Bij torsio testis is er juist acuut ontstane, hevige pijn met vaak een opgetrokken testis en vegetatieve verschijnsele
Wat is de behandeling van torsio testis, en binnen welke tijd moet dit gebeuren voor de beste uitkomst? A) Antibiotica, binnen 24 uur B) Spoedverwijzing naar de uroloog met reponeren binnen 6 uur voor 90-100% testiculaire overleving C) Afwachtend belei B) Spoedverwijzing naar de uroloog, met reponeren binnen 6 uur voor 90-100% kans op testiculaire overleving. Tijd is hierbij essentieel.
Wat is karakteristiek voor koliekpijn (bv. bij een niersteen)? A) Constante, borende pijn zonder bewegingsdrang B) Misselijkheid en bewegingsdrang C) Pijn die alleen bij beweging optreedt en in rust verdwijnt D) Pijn zonder enige vegetatieve verschijn B) Misselijkheid en bewegingsdrang (patiënten kunnen geen rust vinden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld peritoneale prikkeling waarbij stilliggen verlichting geeft).
Wat is het meest voorkomende type niersteen? A) Struvietsteen B) Calciumoxalaatsteen C) Urinezuursteen D) Cystinesteen B) Calciumoxalaatsteen (70%).
Welk type niersteen ontstaat door ureumsplitsende bacteriën zoals Proteus mirabilis? A) Calciumoxalaatsteen B) Struvietsteen C) Urinezuursteen D) Cystinesteen B) Struvietsteen, bv. door Proteus mirabilis.
Wat komt vaker voor: hypospadie of epispadie? A) Epispadie , vaak geïsoleerd B) Hypospadie C) Ze komen even vaak voor D) Beide zijn zeer zeldzaam B) Hypospadie (ventraal) komt vaker voor dan epispadie (dorsaal); epispadie maakt vaak deel uit van ernstige aanlegstoornissen, zoals blaasextrofie.
Wanneer wordt een hydrocèle bij een jong kind behandeld? A) Altijd direct opereren B) Vóór de leeftijd van 1 jaar meestal afwachten C) Nooit opereren, altijd afwachtend beleid D) Alleen bij meisjes B) Vóór de leeftijd van 1 jaar treedt vaak spontaan herstel op (afwachten). Chirurgie is geïndiceerd bij persisteren na 1 jaar, een bijkomende liesbreuk, een niet-communicerende hydrocèle (door ontsteking, trauma of tumor), of bij klachten (pijn, zwaar ge
Een vrouw ondergaat een urethrocystoscopie wegens macroscopische hematurie, zonder afwijkingen. De uroloog vermoedt een oorzaak hoger in de urinewegen. Wat is op basis van prevalentie het meest waarschijnlijk? A) Niertumor B) Nierstenen C) Blaastumor B) Nierstenen zijn, op basis van prevalentie, de meest waarschijnlijke oorzaak van hematurie die hoger in de urinewegen ligt.
Kan macroscopische hematurie zonder afwijkingen bij urethrocystoscopie wijzen op een hoger gelegen niersteen? A) Nee, nooit B) Ja, dit kan in de ureter of het pyelum liggen C) Nee, hematurie komt altijd uit de blaas D) Alleen bij mannen B) Ja, dit kan wijzen op een niersteen in de ureter of het pyelum.
Waar komt urotheelcelcarcinoom het vaakst voor? A) Nier B) Ureter C) Blaas D) Urethra C) Blaas (90-95%).
Waar bevindt zich een niet-ingedaalde testis het vaakst? A) Abdominaal B) Inguinaal C) Perineaal D) Even vaak op alle 3 locaties B) Inguinaal komt het meest voor.
Een vrouw presenteert zich met bloedstolsels in de urine, verdere gegevens onbekend. Waar wijst dit meestal op? A) Altijd op een goedaardige oorzaak B) Meestal op een urologische oorzaak C) Altijd op een urineweginfectie D) Op een gynaecologische oorz B) Meestal op een urologische oorzaak. Bloedstolsels in de urine kunnen wijzen op een nier- of blaastumor, vooral bij een leeftijd >50 jaar en/of rokers met pijnloze macroscopische hematurie.
Verhoogt overmatig alcoholgebruik de kans op blaaskanker? A) Ja, sterk B) Onjuist C) Ja, maar alleen bij vrouwen D) Alleen bij chronisch alcoholmisbruik >20 jaar B) Onjuist. Niet alcohol, maar roken is een belangrijke risicofactor voor blaaskanker.
Een jongen is geboren met urethrakleppen en heeft beiderzijds graad 1 vesico-ureterale reflux (VUR). Is dit primaire of secundaire VUR? A) Primair B) Secundair C) Geen van beide, dit is een aparte entiteit D) Niet te bepalen zonder verdere diagnostiek B) Secundair, want de VUR is hier het gevolg van de onderliggende obstructieve afwijking (urethrakleppen), in tegenstelling tot primaire VUR waarbij er geen onderliggende oorzaak is.
Wat maakt epididymitis waarschijnlijker dan testistorsie? A) Acuut ontstane hevige pijn B) Leukocyturie C) Een opgetrokken testis D) Vegetatieve verschijnselen zoals braken B) Leukocyturie (witte bloedcellen in de urine), passend bij de infectieuze origine van epididymitis.
Wat is de gouden standaard voor het diagnosticeren van nierstenen? A) Echografie B) X-BOZ C) CT-scan D) MRI C) CT-scan.
Wordt stressincontinentie veroorzaakt door onwillekeurige blaassamentrekkingen? A) Juist B) Onjuist B) Onjuist. Stressincontinentie ontstaat door drukverhoging (bv. bij hoesten of sporten) zonder aandrang, terwijl onwillekeurige detrusorcontracties kenmerkend zijn voor urgency-incontinentie.
Wat is de eerste stap in de pijnbestrijding bij nierstenen? A) Morfine intraveneus B) Diclofenac i.m. als aanvangsbehandeling C) Paracetamol oraal D) Alleen warmtetherapie B) Diclofenac i.m. als aanvangsbehandeling; bij onvoldoende effect of een contra-indicatie wordt overgestapt op morfine s.c. of i.m.
Hoeveel procent van de mannen krijgt retrograde ejaculatie na een TURP (transurethrale resectie van de prostaat)? A) 10-20% B) 30-40% C) 60-70% D) Vrijwel niemand C) 60-70%.
Wat is een bijwerking van 5-alfa-reductaseremmers, gebruikt bij benigne prostaathypertrofie? A) Verhoogde libido B) Verminderde libido, erectiestoornissen en abnormale ejaculatie C) Hypertensie D) Gynaecomastie zonder seksuele bijwerkingen B) Verminderde libido, erectiestoornissen en abnormale ejaculatie (bv. retrograad). 5-alfa-reductaseremmers remmen de omzetting van testosteron naar DHT.
Wat is de meest voorkomende verwekker van een urineweginfectie bij vrouwen? A) Staphylococcus saprophyticus B) E. coli C) Proteus mirabilis D) Klebsiella pneumoniae B) E. coli.
Wordt de werking van 5-alfa-reductaseremmers bij mictieklachten veroorzaakt door het verlagen van het serum-testosteron? A) Juist B) Onjuist B) Onjuist. 5-alfa-reductaseremmers verlagen de omzetting van testosteron naar DHT (het actieve hormoon in de prostaat), waardoor het serum-testosteron juist iets kan stijgen.
Welk aanvullend onderzoek wordt gedaan bij verdenking op cystitis? A) CT-scan van de nieren B) Urineonderzoek C) Cystoscopie D) Echografie van de blaas B) Urineonderzoek (nitriet, leukocyten, dipslide/sediment).
Bij wie komen nierstenen epidemiologisch het meest voor? A) Vaker bij vrouwen B) Vaker bij mannen C) Even vaak bij mannen en vrouwen D) Vaker bij kinderen dan bij volwassenen B) Vaker bij mannen, vooral tussen 20-30 jaar.
Door welke structuur wordt de glans penis omgeven? A) Corpus cavernosum B) Corpus spongiosum C) Tunica albuginea D) Musculus bulbospongiosus B) Corpus spongiosum.
Created by: user-2045330
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards