Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

frans vol T1111

NederlandsFrans
Jaar van oprichting L’année de fondation
Juridische vorm La forme juridique
Maatschappelijke zetel Le siège social, la maison mère, la société mère
CEO Le président-directeur général (P.-D.G.) (France),L’administrateur délégué (Belgique)
Sector Le secteur, la branche
Organogram  verschillende afdelingen L’organigramme
Aantal werknemers L’effectif, les effectifs, le nombre de travailleurs
Omzetcijfer Le chiffre d’affaires
Vestigingen in binnen- en buitenland (steden + landen) Les implantations à l’intérieur et à l’étranger
Afzetgebieden (steden + landen) Les débouchés
Visie, missie, waarden La vision, la mission, les valeurs
Bijzonderheden? Les particularités
De grondstoffen Les matières premières
De landbouw L’agriculture
Ontginnen exploiter
De primaire sector Le secteur primaire
De secundaire sector Le secteur secondaire
De tertiaire sector Le secteur tertiaire
De quartaire sector Le secteur quaternaire
De sector van de voedingsmiddelen L’(industrie) agroalimentaire
De spitsindustrie L’industrie de pointe
De metaalindustrie La métallurgie
De staalindustrie La sidérurgie
De petrochemie La pétrochimie
De bouwsector Le bâtiment
De textielsector Le textile
De bedrijfstak Le secteur, la branche
De handel Le commerce
Verdelen distribuer
Het verzekeringswezen Les assurances
Het hotelwezen L’hôtellerie
Het onderwijs L’enseignement
Een onderneming/bedrijf Une entreprise, une firme
Een kleine of middelgrote onderneming (kmo) Une petite ou moyenne entreprise (PME)
Een ondernemer Un entrepreneur
Ondernemen entreprendre
Een start-up Une start-up, une jeune pousse
Een maatschappij Une société, une compagnie
Een verzekeringsmaatschappij Une compagnie d’assurance(s)
Een luchtvaartmaatschappij Une compagnie aérienne
Een low-costmaatschappij Une compagnie à bas coûts/prix
Een vennootschap Une société
Een naamloze vennootschap (nv) Une société anonyme (SA)
Een besloten vennootschap (bv) Une société à responsabilité limitée (SRL)
Een vereniging Une association
Een vereniging zonder winstoogmerk (vzw) Une association sans but lucratif (ASBL)
Een vennoot Un associé, une associée
Winstgevend Lucratif,-ve
Een multinational Une multinationale
Een gigant/reus Un géant
Een groep Un groupe
De moedermaatschappij/de hoofdvestiging La société mère, la maison mère
Een dochteronderneming Une filiale
Een filiaal Une succursale
Een agentschap Une agence
Een reisagentschap Une agence de voyage(s)
Een fabriek Une usine
De ecologische voetafdruk L’empreinte écologique
Het milieu L’environnement
Van het milieu/milieu- Environnemental,-e
Het welzijn Le bien-être
Een bedrijf oprichten Créer/fonder une entreprise
Voor zichzelf beginnen S’établir/se mettre à son propre compte
Een marktstudie Une étude de marché
Een doelpubliek bepalen/afbakenen Cibler une clientèle
Een gat in de markt Un créneau
De kosten ramen Estimer/évaluer les coûts
Een begroting opmaken Établir un budget
Kapitaal inbrengen Apporter un capital
Een taak uitvoeren Accomplir/effectuer une tâche
Zich vestigen S’implanter
De plaats/locatie/ligging L’emplacement
Een product op de markt brengen Lancer un produit sur le marché
Vernieuwen/innoveren innover
Een baanbreker/pionier Un pionnier, un innovateur-Une pionnière, une innovatrice
Een uitbreiding Une expansion
Een bedrijf overnemen Racheter une entreprise
Een marktaandeel Une part de marché
Een marktaandeel hebben van …% Détenir une part de marché de …%
Marktaandeel verliezen Perdre des parts de marché
Het faillissement aanvragen/de boeken neerleggen Déposer le bilan
Failliet gaan Faire faillite
Aan de rand van het faillissement staan Être au bord de la faillite
Een organogram Un organigramme
Een post/functie bekleden Occuper un poste/une fonction - Remplir un poste/une fonction - Assumer un poste/une fonction
Een dienst/afdeling Un département, un service
De dienst marketing Le service marketing
De dienst verkoop Le service des ventes
De dienst na verkoop Le service après-vente
De afdeling boekhouding Le service compabilité
Een boekhouder Un comptable, une comptable
Een accountant Un(e) expert-comptable
De boekhouding doen Tenir les comptes/les livres
De juridische dienst Le service juridique
De afdeling werving en selectie Le service recrutement et sélection
De hr-afdeling (hr = human resources) Le service ressources humaines
Het secretariaat Le secrétariat
Het magazijn Le magasin
De magazijnmeester Le magasinier
Een opslagplaats Un entrepôt
Het personeelsbestand L’effectif, les effectifs
Tewerkstellen Occuper, employer
Een medewerker – een medewerkster Un collaborateur, une collaboratrice
Een loontrekkende Un(e) salarié(e)
Een arbeider Un ouvrier, une ouvrière
Een bediende Un employé, une employée
Een kaderlid Un cadre
De baas/overste Le chef
Een bedrijfsleider Un chef d’entreprise
Een afdelingshoofd Un chef de service/département
Een ploegbaas Un chef d’équipe
Een baas Un patron, une patronne
De directeur – de directrice Le directeur, la directrice
De commercieel directeur Le directeur commercial, la directrice commerciale
De adjunct-directeur Le directeur adjoint, la directrice adjointe
De hr-manager Le directeur/la directrice ressources humaines
De ceo/gedelegeerd bestuurder L’administrateur délégué, le président-directeur général
De raad van bestuur Le conseil d’administration
De algemene vergadering (vd aandeelhouders) L’assemblée générale (des actionnaires)
De aandeelhouder L’actionnaire
Een aandeel Une action
Een dividend Un dividende
Een taak aan iemand toevertrouwen Confier une tâche à quelqu’un
Verantwoordelijk zijn voor Être responsable de
Op zich nemen se charger de
Belast zijn met Être chargé(e) de
Zich bezighouden met S’occuper de
Een meerdere/superieur Un supérieur, une supérieure
Een ondergeschikte Un(e) subalterne, un(e) subordonné(e)
Het hoofd La tête
Aan het hoofd staan van Être à la tête de
Leiden/besturen diriger
Het bestuur/de leiding La direction
Beheren gérer
Het beheer La gestion
Een bedrijfsleider/zaakvoerder Un gérant, une gérante
Coördineren coordonner
De controle Le contrôle
Het toezicht/de bewaking La surveillance
Iemand bijstaan/assistentie verlenen Assister/seconder quelqu’un
Het gezag L’autorité
De macht Le pouvoir
Een maatregel Une mesure
Maatregelen nemen Prendre des mesures
Een opdracht/instructie/bevel Une instruction, un ordre, une consigne
Iemand verplichten/dwingen Forcer quelqu’un
Een plicht/verplichting Un devoir, une obligation
Eisen/vorderen exiger
Een eis/vereiste Une exigence
Gehoorzamen aan Obéir à
Het zakencijfer/omzetcijfer Le chiffre d’affaires
Een aantal Un nombre
Een groot aantal Un grand nombre
Bedragen/oplopen tot Atteindre, s’élever à, être de
Vermeerderen met … procent Augmenter de … pour cent
Verminderen met Diminuer de
Verdubbelen doubler
Verdrievoudigen tripler
Versnellen accélérer
Vertragen ralentir
De groei/stijging La croissance/la hausse/l’augmentation
De daling/vermindering La diminution
Rendabel rentable
heten s’appeler
de naam le nom
de voornaam le prénom
de bijnaam le surnom
Mevrouw, ... (aanspreking) / de vrouw, de dame Madame, ...
Juffrouw, ... (aanspreking) Mademoiselle, ...
Meneer, ... (aanspreking) Monsieur, ...
de leeftijd l’âge
ik ben ... jaar j’ai ... ans
Ik word binnenkort ... jaar. Je vais bientôt avoir ... ans.
Volgende maand word ik ... J’aurai ... ans le mois prochain.
Ik ben net ... geworden. Je viens d’avoir ... ans.
geboren zijn être né(e)
Ik ben op 1, 2 januari geboren. Je suis né le premier, le deux janvier.
de geboortedatum la date de naissance
de geboorteplaats le lieu de naissance
het adres l’adresse
op kot zitten, ik zit op kot koter, je kote
pendelen, ik pendel faire la navette
afkomstig zijn van être originaire de
de oorsprong, de afkomst l’origine
Dhr. Dupont is van Franse afkomst. M. Dupont est d’origine française.
Ik woon in België, ik ben Belg. J’habite en Belgique, je suis Belge.
Ik woon in Vlaanderen, ik ben Vlaming / Vlaamse. J’habite en Flandre, je suis Flamand(e).
Ik woon in Wallonië, ik ben Waal / Waalse. J’habite en Wallonie, je suis Wallon(ne).
Ik woon in ... (stad, dorp) J’habite à ...
Ik woon in ... (provincie) J’habite en/dans ...
in West-Vlaanderen en Flandre-Occidentale
in Oost-Vlaanderen en Flandre-Orientale
in Vlaams-Brabant dans le Brabant flamand
in Waals-Brabant dans le Brabant wallon
de burgerlijke staat l’état civil
ik ben getrouwd je suis marié(e)
ik ben gescheiden je suis divorcé(e) / séparé(e)
ik ben vrijgezel je suis célibataire
de ouders les parents
de vader le père
de moeder la mère
de grootouders les grands-parents
de grootvader le grand-père
de grootmoeder la grand-mère
de man, de echtgenoot le mari
de vrouw, de echtgenote la femme
de zoon le fils
de dochter la fille
de kinderen les enfants
de broer le frère
de zus la sœur
de oom l’oncle
de tante la tante
de neef (kind van oom/tante) le cousin
de nicht (kind van oom/tante) la cousine
de neef (kind van broer/zus) le neveu
de nicht (kind van broer/zus) la nièce
de schoonvader / stiefvader le beau-père
de schoonmoeder / stiefmoeder la belle-mère
de schoonbroer / stiefbroer le beau-frère
de schoonzus / stiefzus la belle-sœur
de halfbroer le demi-frère
de halfzus la demi-sœur
een vriend / een vriendin un ami / une amie
een kameraad / vriendin un copain / une copine
een klasgenoot un camarade de classe
een buurman / buurvrouw un voisin / une voisine
de verloofde le fiancé / la fiancée
zich verloven se fiancer
met iemand trouwen épouser qn / se marier avec qn
een huwelijk un mariage
scheiden divorcer
de echtscheiding le divorce
het koppel le couple
verliefd worden tomber amoureux
van iemand houden aimer qn
dol zijn op iemand adorer qn
iemand haten détester qn
ruzie maken se disputer
zich verzoenen se réconcilier
groot grand(e)
klein petit(e)
dik gros(se)
slank mince
mager maigre
sterk fort(e)
zwak faible
mooi beau / belle
knap joli(e)
lelijk moche
jong jeune
oud vieux / vieille
kaal chauve
blond haar les cheveux blonds
bruin haar les cheveux bruns
zwart haar les cheveux noirs
rood haar les cheveux roux
lang haar les cheveux longs
kort haar les cheveux courts
blauwe ogen les yeux bleus
groene ogen les yeux verts
bruine ogen les yeux bruns
sympathiek, vriendelijk sympathique
lief, aardig gentil(le)
gemeen, stout méchant(e)
grappig drôle
ernstig sérieux / sérieuse
intelligent, slim intelligent(e)
dom bête
lui paresseux / paresseuse
moedig courageux / courageuse
verlegen timide
sociaal sociable
egoïstisch égoïste
jaloers jaloux / jalouse
vrijgevig généreux / généreuse
voetballen jouer au football
tennissen jouer au tennis
basketten jouer au basket
fietsen faire du vélo
zwemmen faire de la natation
gitaar spelen jouer de la guitare
piano spelen jouer du piano
een boek lezen lire un livre
muziek luisteren écouter de la musique
tv kijken regarder la télé
naar de bioscoop gaan aller au cinéma
naar een feest gaan aller à une fête
dansen danser
een sport un sport
een speler / een speelster un joueur / une joueuse
een trainer un entraîneur
een wedstrijd un match
een stadion un stade
een bal un ballon
een ploeg, een team une équipe
een doelpunt un but
winnen gagner
verliezen perdre
lopen courir
trainen s’entraîner
de opvoeding l’éducation
de kleuterschool l’école maternelle
de lagere school l’école primaire
de middelbare school l’école secondaire
de middelbare studies les études secondaires
het onderwijs l’enseignement
aso l’enseignement général
tso l’enseignement technique
bso l’enseignement professionnel
hoger onderwijs l’enseignement supérieur
universitair onderwijs l’enseignement universitaire
lesgeven enseigner
wiskunde les maths
moderne talen, economie-talen les langues modernes, économie-langues
wetenschappen les sciences
handel, toerisme, hotelschool le commerce, le tourisme, l’hôtellerie
informatica, boekhouden l’informatique, la comptabilité
kantoor en verkoop bureau et vente
volgen suivre, faire ...
het begin van het schooljaar la rentrée (des classes)
in de toekomst à l’avenir / dans le futur
de stage le stage
de stagiair le stagiaire
werken travailler
werken (informeel) bosser (familier)
het beroep la profession / le métier
het zelfstandig beroep la profession indépendante
het commercieel beroep la profession commerciale
het vrij beroep la profession libérale
advocaat avocat, avocate
ambtenaar, ambtenares fonctionnaire (m/f)
bankbediende employé, employée de banque
bankier (m/v) banquier, banquière
bedrijfsleider chef d'entreprise
boekhouder comptable (m/f)
CEO PDG (président-directeur général)
chef(fin) / hoofd (m/v) chef (m/f)
dokter / arts médecin (m/f)
directeur, directrice directeur, directrice
fabrikant fabricant, fabricante
gerant, gerante gérant, gérante
groothandelaar grossiste (m/f)
kleinhandelaar détaillant, détaillante
leider leader (m/f)
leverancier fournisseur
manager manager (m/f)
(kleine) middenstander / winkelier (petit) commerçant
ondernemer, onderneemster entrepreneur, entrepreneuse
producent, producente producteur, productrice
receptionist, receptioniste réceptionniste (m/f)
secretaris, secretaresse secrétaire (m/f)
telefonist, telefoniste téléphoniste (m/f)
verkoper, verkoopster vendeur, vendeuse
vertegenwoordiger, vertegenwoordigster représentant, représentante
verzekeringsagent, verzekeringagente agent (m/f) d'assurances
zakenman, zakenvrouw homme, femme d'affaires
zelfstandige indépendant, indépendante
een arbeider, een arbeidster ouvrier, ouvrière
een bakker boulanger, boulangère
een ambachtsman, een ambachtsvrouw artisan, artisane
een ingenieur ingénieur, ingénieure
een kok, een kokkin cuisinier, cuisinière
een landbouwer, een landbouwster agriculteur, agricultrice
een loodgieter plombier
een piloot pilote
een postbode facteur
een schilder peintre
een slager boucher
een steward, een stewardess / airhostess steward, hôtesse de l'air
een timmerman menuisier
een tuinman, een tuinierster jardinier, jardinière
een verpleegkundige infirmier, infirmière
een wetenschapper scientifique
een onderneming / een bedrijf une entreprise
een familiebedrijf une entreprise familiale
een eenmanszaak une entreprise individuelle
een internationale onderneming une entreprise internationale
een bouwbedrijf une entreprise de construction
een transportbedrijf une entreprise de transport
een onderneming gespecialiseerd in decoratie une entreprise spécialisée dans la décoration
een vennootschap une société
de vennoot l'associé, l'associée
een bv une SPRL (société privée à responsabilité limitée)
een nv une SA (société anonyme)
een vzw une ASBL (association sans but lucratif)
een kmo une PME
een (verzekerings)maatschappij une compagnie (d'assurances)
een fabriek une usine
een bank une banque
een winkel un magasin
een boetiek une boutique
een grootwarenhuis un grand magasin
een supermarkt, een hypermarkt un supermarché, un hypermarché
de sector le domaine / le secteur
de aankoop l'achat (m)
de administratie l'administration (f)
de boekhouding la comptabilité
de communicatie la communication
de distributie la distribution
de levering la livraison
de marketing le marketing / marketing
de organisatie van ... l'organisation de ...
de pr les relations (f) publiques
de producten / de artikelen les produits / les articles
de koopwaar la marchandise
de productie la production
de promotie la promotion
de sociale media les réseaux sociaux
de website le site web
de stock / de voorraad le stock
het assortiment / het gamma l'assortiment
de verkoop la vente
in dienst hebben / tewerkstellen employer
de werkgever l'employeur
de werknemer / de medewerker / de bediende l'employé, l'employée
een bedrijf leiden / besturen diriger une entreprise
ondernemen entreprendre
overnemen reprendre
naar kantoor gaan, op kantoor zijn aller au bureau, être au bureau
de verantwoordelijkheid la responsabilité
de taak la tâche
op zich nemen / zorgen voor se charger de / s'occuper de
efficiënt werken travailler de manière efficace
een afspraak vastleggen fixer (un) rendez-vous
workshops organiseren organiser des ateliers
rapporten / verslagen opstellen rédiger des rapports
nieuwe producten ontwikkelen développer de nouveaux produits
deelnemen aan participer à
(iemand) aanwerven / in dienst nemen embaucher / engager (quelqu'un)
(iemand) ontslaan licencier / renvoyer (quelqu'un)
de vergadering la réunion
in vergadering zijn être en réunion
een vergadering houden faire une réunion
de zakenreis le voyage d'affaires
een zakenlunch un déjeuner d'affaires
een agenda l'agenda / l'emploi du temps
de planning le planning
overstelt zijn (met werk) être débordé, débordée (de travail)
het herbeginnen (werken) na het verlof la reprise (du travail)
het contract le contrat
het loon / het salaris le salaire
een goedbetaalde job hebben avoir un job avec un bon salaire / bien payé
de werknemer, werkneemster; de loontrekkende le salarié, la salariée
extralegale voordelen les avantages extra-légaux
de bedrijfswagen la voiture de société
de (elektronische) maaltijdcheques les chèques-repas (électroniques)
het personeel le personnel
de collega le collègue, la collègue
de goeie werksfeer la bonne ambiance au travail
de werkloosheid le chômage
de werkloze (m/v) le chômeur, la chômeuse
het pensioen la retraite
met pensioen gaan partir à la retraite / prendre la retraite
de vakbond le syndicat
de staking la grève
de telefoon le téléphone
iemand bellen téléphoner à qqn
de oproep / iemand bellen l'appel / appeler qqn
de gsm le portable
de smartphone le smartphone
de app l'application / l'appli / l'app
rinkelen / gaan (van telefoon) sonner
de computer / de laptop l'ordinateur / le portable
het (beeld)scherm l'écran
het toetsenbord le clavier
de toets la touche
de muis la souris
afdrukken / printen / de printer imprimer / l'imprimante
installeren / de installatie installer / l'installation
werken / het doen / de werking fonctionner / le fonctionnement
de IT / de informatica l'informatique (f)
de hardware le matériel informatique
de software le logiciel
de (harde) schijf le disque (dur)
de gegevens / de data les données (f.pl.)
het mailadres l'adresse (f) électronique
@, apestaartje arobase / arrobas / arobas
de mail le message électronique / le courriel / l'e-mail
een mail sturen envoyer un e-mail
een mail ontvangen recevoir un e-mail
mails beantwoorden répondre à des courriels
typen / intikken taper
het menu le menu
het internet / de wifi l'internet / le wifi
op het internet zoeken chercher sur internet
het netwerk le réseau
een programma uploaden, downloaden télécharger un programme
Created by: user-1985706
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards