Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

hoofdstuk 4

QuestionAnswer
klassieke conditioneringstheorie die stelt dat gedrag is aangeleerd en ontstaat door de koppeling van een ongeconditioneerde stimulus aan een geconditioneerde stimulus. (bv pavlov bel en eten)
operante conditioneringstheorie beloning van gewenste responsen. Kans op herhaling stijgt. (vb kind huilt om zo aandacht te krijgen)
sociaal cognitieve theorie volgens deze theorie ontstaat gedrag niet alleen door direct beloningsmechanisme, maar kan gedrag ook ontstaan door indirecte beloningsmechanisme zoals het waarnemen van gedrag van anderen dat beloond wordt, en het imiteren van dit gedrag.
automatisch gedrag reactie op een externe stimuli, mensen komen in een context of situatie en reageren automatisch op die context zonder daar bewust over na te denken.
Distale determinanten Deze staan verder van het gedrag af, maar beïnvloeden de proximale determinanten.bZe werken indirect, via de proximale factoren. BV: Iemand heeft geleerd van zijn ouders dat emoties niet besproken worden.→ dat beïnvloedt later zijn copingstijl.
gedragsintentie bedoelen we de mate waarin iemand van plan is om een bepaald gedrag uit te voeren. Het verwijst naar de sterke (kwantiteit) van de motivatie.
intrinsieke motivatie komt de drive uit de persoon zelf. Het is hierbij makkelijker om het gedrag te veranderen en vol te houden
extrinsieke motivatie drive die een oorzaak heeft die buiten die persoon ligt
attitude wordt de houding bedoeld van mensen ten aanzien van onderwerpen. Ze zijn niet alleen gebaseerd op logische redeneringen en verstandelijke overwegingen, maar ook op diepgewortelde gewoonten en 'irrationele overtuigingen'
Instrumentele beliefs gedrag als middel, Dit zijn rationele en cognitieve overtuigingen. Ze gaan over de verwachte voor- en nadelen of de functionele uitkomsten van bepaald gedrag.
Experiëntiële beliefs gedrag als ervaring, Dit zijn affectieve en emotionele overtuigingen. Ze gaan over hoe het voelt om het gedrag uit te voeren en de directe zintuiglijke of emotionele ervaring.
Cognitieve beliefs: gerelateerd aan kennis
Affectieve beliefs: gerelateerd aan gevoel en emotie
Conatieve beliefs gerelateerd aan gedrag en daarmee de neiging om tot actie te komen
Eigen-effectiviteitsverwachting (=waargenomen gedrags controle) staat voor de verwachting die mensen hebben over hun eigen vermogen om een bepaald gedrag te kunnen uitvoeren
magnitude (grootte, belang), de inschatting van de moeilijkheid van de vaardigheden die nodig zijn om het gedrag uit te kunnen voeren.
Generality (Algemeenheid), de inschatting van de problemen die hetzelfde gedrag in verschillende situaties met zich mee kan brengen.
Strenghts de mate waarin men het vertrouwen heeft het gedrag zelf te kunnen uitvoeren.
attributie De verklaring die iemand geeft voor een succes of een mislukking.
Stabiele oorzaak Een stabiele oorzaak verandert niet of nauwelijks. "Dit blijft altijd zo." > "Ik ben slecht in statistiek."
Instabiele oorzaak "Volgende keer kan het anders zijn." > "ik had te weinig geleerd"
proximale determinanten Dit zijn factoren die het dichtst bij het gedrag of de aandoening staan. Ze hebben een direct effect op het gedrag. BV: iemand rookt omdat hij stress ervaart en denkt dat roken ontspannend werkt.
Ultieme variabelen factoren die nog verder van het individu af staan en via allerlei tussenstappen gedrag beïnvloeden. Dit zijn vaak maatschappelijke, politieke of omgevingsfactoren. > accijnzen op sigaretten
Geanticipeerde spijt: gevoelens van spijt of schuld bedoeld die mensen verwachten te ervaren als ze nalaten een bepaald gezondheidsgedrag uit te voeren.
Risico inschatting/risicoperceptie: de relatie tussen risicoperceptie en gezondheidsgedrag loopt meer indirect. Het gaat onder meer om de kans en de ervaren ernst van het probleem.
Relatieve risico-inschatting: in vergelijking met andere van mijn leeftijd
Absolute risico-inschatting expliciete vergelijking ontbreekt.
primaire appraisal proces dat gericht is op het inschatten van de dreiging.
secundaire appraisal proces dat gericht is op het inschatten van de mogelijkheden om met de dreiging om te gaan
kennis informatie over gezondheid en ziekte, en specifiek over de gezondheidsrisico's van bepaalde gedragingen is nodig om gedragsverandering te bewerkstelligen. = gerelateerd aan gezondheidsvaardigheden (Health literacy)
Bewustzijn Awareness, bewustzijn van eigen gedrag, cruciale fase in gedragsverandering.
persoonlijkheidskenmerken de relatie tussen persoonlijkheidskenmerken en gezondheidsgedrag verloopt indirect. Het niet gekoppeld aan een specifiek gedrag.
omgevingsdeterminant factor die als externe stimulus kan dienen om het gedrag van een individu te bepalen. Ze zijn te onderscheiden in fysiek, sociaal-cultureel- economisch en politiek
fysieke omgeving verwijst naar de beschikbaarheid van middelen of mogelijkheden om gezond of ongezond gedrag te vertonen.
sociaal -culturele omgeving verwijst naar de sociale en culturele context waarin het gedrag wordt uitgevoerd. Omvat bv sociale invloeden, factoren hechtheid sociaal netwerk, opvoedstijl
economische omgeving kosten die gerelateerd zijn aan gezond en ongezond gedrag
politieke omgeving verwijst naar de regels en wetgeving die het gezondheidsgedrag kunnen beïnvloeden
microniveau (behavioral setting) meest proximaal, verwijst naar de specifieke plek waar het gedrag wordt uitgevoerd, zoals de school, de werkplek of het sportveld. privesfeer
mesoniveau brede familie en de nabije omgeving, de aanwezigheid van lokale winkels, mate van hechting. Invloeden zijn vaak niet direct gericht op het gedrag maar bieden eerder een context waarin het gedrag gemakkelijker of minder gemakkelijk kan plaats vinden.
macroniveau brede systeem dat gedrag kan beïnvloeden via economische ingrepen, culturele normen en waarden en politieke acties.
sociaal-cognitieve theorie menselijk gedrag wordt bepaald door de verwachtingen die men van een gedrag heeft. Het gedrag is dynamisch, het is het gevolg van de continue interacties en beïnvloeding tussen aspecten van de omgeving, de persoon en het gedrag.
beredeneerd gedragsmodel vervolg op de theorie van gepland gedrag. Gedrag op basis van intentie. - attitude = eigen opvattingen - ervaren norm = opvattingen andere - waargenomen gedragscontrole =inschatting eigen mogelijkheden.
I-change model deel verwant aan de theorie van gepland gedrag. Het is een breder fasenmodel waarin verschillende theorieën en modellen additioneel geïntegreerd zijn. Het model stelt dat er bij gedragsverandering verschillende fasen te onderscheiden zijn.
duale systemen modellen die stellen dat ons gedrag wordt bepaald door zowel impulsieve als reflectieve overwegingen. Ze beschouwen informatieverwerking in feite op een continuüm waarbij de uiteinde de 'dualiteit' reflecteren.
ASE model A = Attitude S = Sociale invloed E = Eigen-effectiviteit (Self-efficacy) Deze drie factoren bepalen samen de intentie om gedrag uit te voeren. > voorloper van het i change model
ANGELO model combineert de 4 type omgevingsfactoren met het micro en macroniveau. > de relatie van factoren met omgeving en gedrag ontbreekt. Het is dus ongeschikt als toetsingsmodel.
EnRg framework dual systems raamwerk dat de samenhang tussen persoonlijke en omgevingsdeterminanten in kaart brengt in relatie tot het gedrag. De verbanden zijn direct en indirect. De mate waarin gedrag door omgeving beïnvloed wordt is per persoon verschillend.
negatieve feedbackloop, balancerende feedbackloop een toename in factor a leidt tot beïnvloeding van een andere factor (B), die ervoor zorgt dat factor a weer afneemt
positieve feedbackloop, bekrachtigende feedbackloop. betekent dat een toename in factor A leidt tot een factor , die ervoor zorgt dat factor A nog verder toeneemt. Je zou het al een vicieuze cirkel kunnen zien.
belangrijke verschil tussen conditioneringstheorieën en sociaalcognitieve theorieën? Bij conditioneringstheorieën wordt niet gekeken naar achterliggende motivationele processen van gedrag, bij sociaalcognitieve theorieën juist wel. Volgens de sociaalcognitieve theorieën kan gedrag ook ontstaan door indirecte beloningsmechanismen
Is het EnRG-raamwerk geschikt als gedragsverklaringsmodel? Het EnRG-raamwerk wordt niet als verklaringsmodel betiteld omdat het niet toetsbaar of falsifieerbaar is. Het kan wel ondersteunen bij de definitie van een specifiek onderzoeksmodel en het opstellen van specifieke hypothesen
Health belief model gedrag op basis van ervaren dreiging - waargenomen vatbaarbaarheid + ernst - waargenomen voordelen +barrieres - cue to action
self determination theory stelt dat duurzame gedragsverandering ontstaat wanneer mensen intrinsiek gemotiveerd zijn en drie psychologische basisbehoeften worden vervuld: autonomie, competentie en verbondenheid.
extrinsieke motivatie kent 4 typen regulatie externe: verwachte straf of beloning geintrojecteerd: vermijden van afkeur geidentifiseerd: persoonlijke waarde geintegreerd: volledig zelf eigen gemaakt
stages of change model beschrijft gedragsverandering als een proces waarin mensen verschillende fasen doorlopen. 1. precontemplation 2. contemplation 3. preparation 4. action 5. maintenance
Created by: catokuperus
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards