click below
click below
Normal Size Small Size show me how
NE EXAMEN
begrippen die we moeten kennen
| Question | Answer |
|---|---|
| Niet chronologisch | niet in tijdsvolgorde |
| chronologisch | in tijdsvolgorde |
| flashback | terug naar vroeger |
| flashforward | vooruit naar de toekomst |
| terugwijzing | korte herinnering |
| vooruitwijzing | hint naar wat komt |
| vertelde tijd | hoeveel tijd er in het verhaal verstrijkt |
| verteltijd | hoeveel tijd het kost om het verhaal te lezen/ te vertellen |
| andere naam traag verteltempo | retardering |
| andere naam gemiddeld verteltempo | tijddekking |
| kalendertijd | de tijdsperiode waarin een verhaal zich afspeelt |
| anachronisme | fout tegen de kalendertijd, gebeurtenissen of voorwerpen worden in de verkeerde tijd geplaatst |
| Geografische ruimte | plaats waar het verhaal zich afspeelt. |
| sfeerscheppende ruimte | beschrijving van de ruimte die de sfeer van het verhaal bepaald |
| TOPOS | wanneer de sfeer typisch en herkenbaar is noem je het een topos |
| sociale ruimte | sociale omgeving van de personages |
| symbolische ruimte | symbool voor gevoelens of de situatie van een personage, het betekent meer dan alleen de plaats zlef |
| VTP | standpunt waaruit verteller iets vertelt, |
| belevende ik verteller | beschrijft gebeurtenissen, neemt deel aan actie, als lezer weet je niets meer dan verteller |
| vertellende ik verteller | vertelt gebeurtenissen nadat ze gebeurd zijn, deelgenomen aan actie of getuige |
| Personeel VPT | volg je een personage in het verhaal |
| Alwetend of auctorieel VPT | verteller staat buiten het verhaal |
| Meervoudig VPT | verschillende personen |
| Personage | Mens, dier of voorwerp dat een rol speelt in een verhaal. |
| Vol karakter | Personage met meerdere eigenschappen dat zich ontwikkelt. |
| Vlak karakter | Eenvoudig personage met meestal één eigenschap dat niet verandert. |
| Protagonist | Hoofdpersonage van het verhaal. |
| Antagonist | Tegenstander van de protagonist. |
| Nevenfiguur | Minder belangrijk personage dat helpt of hindert. |
| Figurant | Achtergrondpersonage dat sfeer creëert. |
| Typecasting | Een acteur krijgt steeds hetzelfde soort rol. |
| Poëzie | Tekstvorm die gevoelens uitdrukt en sfeer oproept. |
| Versregel | Eén regel van een gedicht. |
| Strofe | Groep versregels. |
| Witregel | Lege regel tussen strofen. |
| Eindrijm | Rijm aan het einde van versregels. |
| Gepaard rijm | Rijmschema aabb. |
| Gekruist rijm | Rijmschema abab. |
| Omarmend rijm | Rijmschema abba. |
| Slagrijm | Rijmschema aaaa. |
| Vrij vers | Gedicht zonder vast rijmschema. |
| Binnenrijm | Rijm binnen één versregel. |
| Alliteratie | Woorden beginnen met dezelfde medeklinker. |
| Assonantie | Herhaling van dezelfde klinkers. |
| Enjambement | Een zin loopt door op de volgende versregel. |
| Vergelijking | Vergelijkt twee zaken met woorden als als of zoals. |
| Metafoor | Vergelijking zonder vergelijkingswoord. |
| Personificatie | Dieren of dingen krijgen menselijke eigenschappen. |
| Tegenstelling | Twee tegenovergestelde begrippen worden naast elkaar geplaatst. |
| Overdrijving (hyperbool) | Iets sterk uitvergroten. |
| Verkleining (understatement) | Iets minder ernstig voorstellen dan het is. |
| Herhaling | Woorden of zinnen opnieuw gebruiken voor nadruk. |
| Tabel | Gegevens geordend in rijen en kolommen. |
| Staafdiagram | Diagram dat hoeveelheden vergelijkt. |
| Taartdiagram | Diagram dat delen van een geheel toont. |
| Grafiek | Toont veranderingen of evoluties. |
| Infografiek | Combinatie van beeld en tekst om informatie duidelijk te maken. |
| Expressie | Het tonen van gevoelens via lichaamstaal, mimiek en stemgebruik. |
| Thema | Het centrale onderwerp van een tekst of gedicht. |
| Sfeer | De emotionele indruk die een tekst oproept. |
| Enkelvoudige zin | Zin met één persoonsvorm. |
| Samengestelde zin | Zin met twee of meer persoonsvormen. |
| Nevenschikking | Verbindt gelijkwaardige zinnen.signaalwoorden zijn en of maar want dus , |
| Onderschikking | Verbindt een hoofdzin met een bijzin. signaalwoorden zijn als dat omdat terwijl toen die |
| Hoofdzin | Zelfstandige zin die alleen kan staan. |
| Bijzin | Zin die deel uitmaakt van de hoofdzin. |
| Tegengesteld verband | Verband dat een tegenstelling aangeeft. |
| Signaalwoord | Woord dat het verband tussen zinnen duidelijk maakt. |
| Stelling | Uitspraak over een onderwerp. |
| Standpunt | Jouw mening over een stelling. |
| Argument | Reden die een standpunt ondersteunt. |
| Tegenargument | Argument van iemand met een andere mening. |
| Weerlegging | Uitleg waarom een tegenargument niet of minder sterk is. |
| Vooroordeel | Oordeel over iemand zonder die persoon te kennen. |
| Stereotype | Vereenvoudigd en overdreven beeld van een groep mensen. |
| Discriminatie | Mensen ongelijk behandelen op basis van kenmerken of vooroordelen. |
| Ridderroman | Middeleeuws verhaal over ridders, avonturen en een queeste. |
| Queeste | Zoektocht of opdracht die een ridder uitvoert. |
| Orale vertelcultuur | Verhalen die mondeling worden doorgegeven. |
| Synoniem | Woord met (bijna) dezelfde betekenis. |
| Antoniem | Woord met de tegenovergestelde betekenis. |
| Hyperoniem | Algemeen woord waaronder andere woorden vallen. |
| Hyponiem | Specifieker woord dat onder een hyperoniem valt. |
| Inheems woord | Woord van Nederlandse oorsprong. |
| Leenwoord | Woord dat uit een andere taal is overgenomen. |
| Vreemd woord | Leenwoord dat niet aan het Nederlands is aangepast. |
| Bastaardwoord | Leenwoord dat wel aan het Nederlands is aangepast. |
| Neologisme | Nieuw gevormd woord. |