Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

NE EXAMEN

begrippen die we moeten kennen

QuestionAnswer
Niet chronologisch niet in tijdsvolgorde
chronologisch in tijdsvolgorde
flashback terug naar vroeger
flashforward vooruit naar de toekomst
terugwijzing korte herinnering
vooruitwijzing hint naar wat komt
vertelde tijd hoeveel tijd er in het verhaal verstrijkt
verteltijd hoeveel tijd het kost om het verhaal te lezen/ te vertellen
andere naam traag verteltempo retardering
andere naam gemiddeld verteltempo tijddekking
kalendertijd de tijdsperiode waarin een verhaal zich afspeelt
anachronisme fout tegen de kalendertijd, gebeurtenissen of voorwerpen worden in de verkeerde tijd geplaatst
Geografische ruimte plaats waar het verhaal zich afspeelt.
sfeerscheppende ruimte beschrijving van de ruimte die de sfeer van het verhaal bepaald
TOPOS wanneer de sfeer typisch en herkenbaar is noem je het een topos
sociale ruimte sociale omgeving van de personages
symbolische ruimte symbool voor gevoelens of de situatie van een personage, het betekent meer dan alleen de plaats zlef
VTP standpunt waaruit verteller iets vertelt,
belevende ik verteller beschrijft gebeurtenissen, neemt deel aan actie, als lezer weet je niets meer dan verteller
vertellende ik verteller vertelt gebeurtenissen nadat ze gebeurd zijn, deelgenomen aan actie of getuige
Personeel VPT volg je een personage in het verhaal
Alwetend of auctorieel VPT verteller staat buiten het verhaal
Meervoudig VPT verschillende personen
Personage Mens, dier of voorwerp dat een rol speelt in een verhaal.
Vol karakter Personage met meerdere eigenschappen dat zich ontwikkelt.
Vlak karakter Eenvoudig personage met meestal één eigenschap dat niet verandert.
Protagonist Hoofdpersonage van het verhaal.
Antagonist Tegenstander van de protagonist.
Nevenfiguur Minder belangrijk personage dat helpt of hindert.
Figurant Achtergrondpersonage dat sfeer creëert.
Typecasting Een acteur krijgt steeds hetzelfde soort rol.
Poëzie Tekstvorm die gevoelens uitdrukt en sfeer oproept.
Versregel Eén regel van een gedicht.
Strofe Groep versregels.
Witregel Lege regel tussen strofen.
Eindrijm Rijm aan het einde van versregels.
Gepaard rijm Rijmschema aabb.
Gekruist rijm Rijmschema abab.
Omarmend rijm Rijmschema abba.
Slagrijm Rijmschema aaaa.
Vrij vers Gedicht zonder vast rijmschema.
Binnenrijm Rijm binnen één versregel.
Alliteratie Woorden beginnen met dezelfde medeklinker.
Assonantie Herhaling van dezelfde klinkers.
Enjambement Een zin loopt door op de volgende versregel.
Vergelijking Vergelijkt twee zaken met woorden als als of zoals.
Metafoor Vergelijking zonder vergelijkingswoord.
Personificatie Dieren of dingen krijgen menselijke eigenschappen.
Tegenstelling Twee tegenovergestelde begrippen worden naast elkaar geplaatst.
Overdrijving (hyperbool) Iets sterk uitvergroten.
Verkleining (understatement) Iets minder ernstig voorstellen dan het is.
Herhaling Woorden of zinnen opnieuw gebruiken voor nadruk.
Tabel Gegevens geordend in rijen en kolommen.
Staafdiagram Diagram dat hoeveelheden vergelijkt.
Taartdiagram Diagram dat delen van een geheel toont.
Grafiek Toont veranderingen of evoluties.
Infografiek Combinatie van beeld en tekst om informatie duidelijk te maken.
Expressie Het tonen van gevoelens via lichaamstaal, mimiek en stemgebruik.
Thema Het centrale onderwerp van een tekst of gedicht.
Sfeer De emotionele indruk die een tekst oproept.
Enkelvoudige zin Zin met één persoonsvorm.
Samengestelde zin Zin met twee of meer persoonsvormen.
Nevenschikking Verbindt gelijkwaardige zinnen.signaalwoorden zijn en of maar want dus ,
Onderschikking Verbindt een hoofdzin met een bijzin. signaalwoorden zijn als dat omdat terwijl toen die
Hoofdzin Zelfstandige zin die alleen kan staan.
Bijzin Zin die deel uitmaakt van de hoofdzin.
Tegengesteld verband Verband dat een tegenstelling aangeeft.
Signaalwoord Woord dat het verband tussen zinnen duidelijk maakt.
Stelling Uitspraak over een onderwerp.
Standpunt Jouw mening over een stelling.
Argument Reden die een standpunt ondersteunt.
Tegenargument Argument van iemand met een andere mening.
Weerlegging Uitleg waarom een tegenargument niet of minder sterk is.
Vooroordeel Oordeel over iemand zonder die persoon te kennen.
Stereotype Vereenvoudigd en overdreven beeld van een groep mensen.
Discriminatie Mensen ongelijk behandelen op basis van kenmerken of vooroordelen.
Ridderroman Middeleeuws verhaal over ridders, avonturen en een queeste.
Queeste Zoektocht of opdracht die een ridder uitvoert.
Orale vertelcultuur Verhalen die mondeling worden doorgegeven.
Synoniem Woord met (bijna) dezelfde betekenis.
Antoniem Woord met de tegenovergestelde betekenis.
Hyperoniem Algemeen woord waaronder andere woorden vallen.
Hyponiem Specifieker woord dat onder een hyperoniem valt.
Inheems woord Woord van Nederlandse oorsprong.
Leenwoord Woord dat uit een andere taal is overgenomen.
Vreemd woord Leenwoord dat niet aan het Nederlands is aangepast.
Bastaardwoord Leenwoord dat wel aan het Nederlands is aangepast.
Neologisme Nieuw gevormd woord.
Created by: EmileHO
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards