click below
click below
Normal Size Small Size show me how
VGT Cursus deel 3
| Question | Answer |
|---|---|
| Ezelsbruggetje voor de volgorde van hersenzenuwen | Op Ons Oude Tuin Terras At Frank Verse Groenten Van Albert Heijn (beginletter komt overeen) |
| Ezelsbruggetje voor de volgorde van functies van hersenzenuwen | Some Say Marry Money, But My Brother Says Big Brains Matter Most (S = sensory, M = motor, B = both) |
| Naam hersenzenuw I | Olfactorius |
| Naam hersenzenuw II | Opticus |
| Naam hersenzenuw III | Oculomotorius |
| Naam hersenzenuw IV | Trochlearis |
| Naam hersenzenuw V | Trigeminus |
| Naam hersenzenuw VI | Abducens |
| Naam hersenzenuw VII | Facialis |
| Naam hersenzenuw VIII | Vestibulocochlearis |
| Naam hersenzenuw IV | Glossopharyngeus |
| Naam hersenzenuw X | Vagus |
| Naam hersenzenuw XI | Accessorius |
| Naam hersenzenuw XII | Hypoglossus |
| Functie n. olfactorius | Geur |
| Functie n. opticus | Zicht |
| Functie n. oculomotorius | M. levator palpebrae superioris (trekt het bovenooglid omhoog), extra-oculaire oogspieren: mm. recti superior, medialis en inferior, m. obliquus inferior Parasympatisch naar m. ciliaris (accommodatie lens), m. sphincter pupillae (reguleren pupilgrootte |
| Functie n. trochlearis | M. obliquus superior (elevatie, adductie, intorsie oog) |
| Functie n. trigeminus | Sensibiliteit van gezicht, mond, anterieure 2/3 deel van tong, tongrand, nasale sinuses en meninges. Kauwspieren (o.a. m. masseter), m. tensor tympani |
| Functie n. abducens | M. rectus lateralis (abductie oog) |
| Functie n. facialis | Spieren van gezichtsexpressie, m. stapedius (regulatie spanning), m. orbicularis oculi (sluit de oogleden). Parasympatisch naar gl. lacrimalis en speekselklieren behalve gl. parotis. Smaak in anterieure 2/3 deel van de tong |
| Functie n. vestibulocochlearis | Gehoor en vestibulaire sensatie |
| Functie n. glossopharyngeus | M. stylopharyngeus Parasympatische vezels naar gl. parotis Sensibiliteit van farynx en middenoor Smaak en sensibiliteit in achterste 1/3 van de tong Baro- en chemoreceptoren in de sinus caroticus |
| Functie n. vagus | Spieren van farynx (slikken) en larynx (stem) Parasympatische vezels naar hart, longen, tractus digestivus M. palatoglossus Sensibiliteit van meninges, farynx en epiglottis Baro- en chemoreceptoren in arcus aortae |
| Functie n. accessorius | M. sternocleidomastoideus en m. trapezius |
| Functie n. hypoglossus | Alle intrinsieke en extrinsieke spieren van tong, m.u.v. m. palatoglossus |
| Testen n. olfactorius | Doorgankelijkheid van neus beoordelen, geurset |
| Testen n. opticus (afferent) | Visuskaart, perifeer gezichtsveld volgens Donders (vier kwadranten), pupilreacties afferente tak (testen bij oculomotorius) |
| Testen n. oculomotorius (efferent), n. trochlearis en n. abducens | Inspectie pupillen en lidspleet, pupilreacties efferente tak, stand van ogen (testbeeldjes van Hirschberg), oogvolgbewegingen (dubbelbeelden, nystagmus bij bewegende en stilstaande vinger), convergentiereactie |
| Afspraken visus met visuskaart | Snellen of Landolt kaart, volgorde OD -> OS -> ODS, bij bril/lenzen meten met eigen correctie, indien foutje 1 rij omhoog (wanneer 2/3e goed is dat de visus). Bij visus <0.8 stenopeïsche opening: verbetering = refractie-afwijking, gelijk = oogprobleem |
| Testen n. trigeminus | Sensibiliteit van het gelaat: fijne tast = gnostisch (watje), kop-punt discriminatie = vitaal (scherp en stomp). Corneareflex. Kracht kauwspieren door op spatel te bijten. |
| Definitie overwaardig denkbeeld | Een denkbeeld dat een dusdanig onredelijk grote plaats in het denen en het gevoelsleven van de patiënt inneemt |
| Testen n. facialis | Inspectie van gelaat (symmetrie, mondhoeken etc.), aangezichtsmotoriek (wenkbrauwen optrekken, ogen dichtknijpen, wangen bolblazen, lippen tuiten, tanden laten zien) |
| Testen n. vestibulocochlearis | Grove screening gehoor (vingers over elkaar wrijven achter oor), stemvorkproeven Weber en Rinne |
| Testen n. glossopharyngeus en n. vagus | Nasale spraak, heesheid, symmetrie farynxbogen (bij rust en bij aanspannen), farynxreflex, slikken |
| Visuskaart meters | 5/60 = 5 vingers op wit vlak op 5m afstand (normaal op 60m te zien). 5/300 = zwaaien met hand op 5m afstand (normaal op 300m te zien). |
| Testen n. accessorius | Kracht m. trapezius (schouders optrekken) en mm. sternocleidomastoïdeus (hoofd draaien tegen weerstand) |
| Testen n. hypoglossus | Inspectie van tong in rust (linging, atrofie, fasciculaties), tongmotoriek beoordelen (tong uitsteken, tong tegen wang drukken) |
| Centraal vs. perifeer zien | Centraal: projectie op fovea centralis, testen middels Amsler grid Perifeer: projectie buiten fovea centralis, testen middels Donders |
| Uitvalsverschijnselen van a. cerebri anterior | Halfzijdige zwakte of gevoelsstoornis van been |
| Uitvalsverschijnselen van a. cerebri media | Halfzijdige zwakte of gevoelsstoornis van arm + afasie |
| Uitvalsverschijnselen van a. cerebri posterior | Homonieme halfzijdig uitval van gezichtsveld |
| Kenmerken spanningshoofdpijn | Tweezijdig, minuten-dagen, drukkende/knellende hoofdpijn, geen misselijkheid, neemt niet toe bij beweging |
| Kenmerken migraine | Unilateraal, 4-72 uur, matig/heftige pulserende hoofdpijn, vaak met misselijkheid, fono- en fotofobie, +/- 25% heeft aura |
| Kenmerken clusterhoofdpijn | Unilateraal, 15 min - 3 uur, zeer heftige pijn, bewegingsdrang, ipsilateraal rood en tranend oog |
| Kenmerken trigeminusneuralgie | Unilateraal, heftige/plotse pijn van het aangezicht, sec-min, uitgelekt door sensorische stimulatie (scheren, koude lucht, eten, praten) |
| Kenmerken epidurale bloeding | Arterieel (tussen schedel en dura), snel. Op CT convexe (bolle) hyperdensiteit. Ezelsbruggetje: epi = ei. |
| Kenmerken subdurale bloeding | Veneus (ankervenen), trager. Op CT concave (holle) hyperdensiteit. Risico op chronisch subduraal hematoom. |
| Kenmerken subarachnoïdale bloeding | Aneurysmaruptuur (arterie) waarbij intense hoofdpijn. Meestal de a. communicans anterior (30%), a. communicant posterror (25%) of a. cerebri media (20%). |
| Onderscheid tussen centrale en perifere facialisparese | Centraal: voorhoofdsrimpels in rust niet verstreken Perifeer: oogsluiting niet mogelijk, voorhoofdfronsen niet mogelijk |
| Positieve vs. negatieve symptomen (psychiatrie) | Positief: overmaat boven normale functies (reageren goed op antipsychotica) Negatief: tekortkoming van normale functies (reageren slecht op medicatie) |
| Waarneemstoornissen | Hallucinatie, illusie, disperceptie |
| Stoornissen in inhoudelijk denken | Obsessie, preoccupatie, overwaardig denkbeeld, waan |
| Definitie waan | Een overtuiging die niet corrigeerbaar is door redelijke argumenten en die niet overeenstemt met de werkelijkheid |
| Definitie hallucinatie | Een waarneming van zintuiglijke prikkels zonder externe stimulus (visueel, akoestisch, olfactorisch, tactiel, gustatoir). Meest voorkomend aukoestisch, daarna visueel. |
| Oorzaak visuele hallucinaties | Organisch |
| Oorzaak auditieve hallucinaties | Meest voorkomende hallucinatie, vaak bij schizofrenie |
| Definitie illusoire vervalsing (illusie) | Een foute interpretatie van een werkelijke zintuiglijke prikkel (bv. een paard dat wordt aangezien voor een schuur) |
| Definitie disperceptie | Een vervormde waarneming (bv objecten zijn groter/kleiner dan ze werkelijk zijn, geluiden harder/zachter horen dan ze werkelijk zijn) |
| Definitie obsessie (dwanggedachte) | Het alleen maar bezig houden met een beperkte set van gedachten die zich tegen de wil van de patiënt opdringen en spanningen/angsten oproepen. Heeft egodystoon karakter. |
| Definitie preoccupatie | Het veel bezighouden met beperkte set van gedachten; het niet kunnen loslaten ervan. Heeft egosyntoon karakter. |
| Definitie depersonalisatie | Subjectief ervaren, onaangenaam gevoel van vervreemding, verandering of onaangenaamheid in de relatie van de patiënt ten opzichte van zichzelf of het eigen lichaam. Heeft nooit een werkelijkheidskarakter |
| Definitie derealisatie | Subjectief ervaren, onaangenaam gevoel van vervreemding, verandering of onaangenaamheid in de relatie van de patiënt ten opzichte van zijn omgeving. Heeft nooit een werkelijkheidskarakter |
| Definitie en voorbeelden van egodystoon | Dwanggedachten. In strijd met zelfbeeld/ego, bv. obsessie bij OCD, opdringende gedachten bij PTSS |
| Definitie tegenoverdracht (psychiatrie) | Therapeut projecteert gevoelens op de patiënt. Ezelsbruggetje: Tegenoverdracht, Therapeut |
| Definitie overdracht (psychiatrie) | Patiënt projecteert gevoelens op de therapeut |
| DSM-5 criteria voor dementie | 1. Significante achteruitgang in 1 of meer cognitieve domeinen: geheugen, aandacht, spraak, ruimtelijk, executieve functies. 2. Cognitieve stoornissen leiden tot beperkingen in dagelijkse leven. 3. Niet t.g.v. delier of andere psych. aandoening. |
| Meest voorkomende dementieën (nr. 1 en nr. 2) | 1. Alzheimer (70%) 2. Vasculair (20%) |
| Volgorde van ontstaan van symptomen bij Alzheimer | 1. Anterograde amnesie 2. Retrograde amnesie (autobiografisch geheugen blijft lang intact) 3. Afasie, agnosie en apraxie |
| Pathologie liquorpunctie bij Alzheimer | Verhoogd tau-eiwit, verlaagd aantal amyloïd-bèta eiwit |
| Kenmerken vasculaire dementie | Diagnose o.b.v. MRI, symptomen afhankelijk van aangedane hersengebied, vaak VG van vaatlijden: small vessel disease = diabetes, hypertensie & large vessel disease = atherosclerose. |
| Afkapwaarde MMSE voor cognitieve stoornis | <24 (van 30) |
| Kenmerken frontotemporale dementie | Gedragsstoornissen in afwezigheid van geheugenstoornissen. Frontale kwab aangedaan → disinhibitie, stoornis in executieve functies. Tevens decorumverlies (ongepast sociaal gedrag) |
| Kenmerken Lewy-Body dementie | Pathologisch overeenkomstig met Parkinson, visuele hallucinaties |
| Kenmerken Korsakov | Vitamine B1-deficiëntie (thiamine) t.g.v. alcoholabusus, geheugenstoornis voor recente gebeurtenissen |
| Kenmerken Creuzfeldt-Jakob | Zeldzaam, veroorzaakt door gemuteerde lichaamseigen prionen |
| Overerving ziekte van Huntington | Autosomaal dominant |
| Criteria voor wilsbekwaamheid | 1. Kenbaar maken van keuze 2. Begrijpen van relevante informatie 3. Het besef van info in relatie tot eigen situatie 4. Logisch redeneren en overwegen van opties Ezelsbruggetje: kan betrokkene bewust reageren = kenbaar, begrijpen, besef, redeneren |
| Vertegenwoordigers van wilsonbekwame patiënten | 1. Door rechter aangewezen: curator, mentor of bewindvoerder 2. Aangewezen gemachtigde 3. Familie: (1) Echtgenoot / (samenwonende/geregistreerde) partner, (2) Ouders en kinderen, (3) Broer/zus |
| Verschil tussen curator, mentor en bewindvoerder | Curator: gezag over persoonlijke én financiële zaken. Mentor: gezag over persoonlijke zaken. Bewindvoerder: gezag over financiën. |
| Rechten van kinderen bij leeftijden | <12 jaar: behandelbeslissing door ouders, inzagerecht door ouders. 12-15 jaar: behandelbeslissing door kind (en ouders), inzagerecht door kind (en ouders). 16 jaar of ouder: behandelingsbeslissing door kind, inzagerecht door kind, |
| Kenmerken atopisch eczeem = constitutioneel eczeem | Meest voorkomende eczeem (20% van kinderen), associatie met astma. Voorkeurslocaties: buigzijden elleboog en knie (bij zuigeling gelaat!), type-I-hypersensitiviteit |
| Kenmerken allergisch contacteczeem | Voorkeurslocaties: handen, voeten. Voorbeelden: latex, nikkel. Type-IV-hypersensitiviteit |
| Kenmerken ortho-ergisch contacteczeem | Directe irritatie van de huid → zeep, schoonmaakmiddelen |
| Kenmerken seborroïsch eczeem | Gelige, olieachtige schilfertjes, vaak op hoofdhuid en nek. Inflammatie door de gist Malassezia |
| Huidaandoeningen veroorzaakt door gist Malassezia furfur | Seborroïsch eczeem, pityriasis versicolor, pityrosporum folliculitis |
| Kenmerken pityriasis rosea | Uitgelokt door virus (verkouden of griep voorafgaand), verdwijnt spontaan. Plaque mère = enkele cm grote, helderrode, aan de rand schilferende plek, meestal op borst/rug (daarna naar romp, armen, benen). |
| Psoriasis vs. eczeem | Psoriasis: strekzijde. Eczeem: buigzijde. |
| Typische omschrijving psoriasis | Scherp begrensd, zilverkleurige schilfers, papels en erythematosquameuze plaques |
| Kenmerken subvormen van psoriasis (guttata, inversa, capitis) | Guttata: druppelvormig, poststreptokokken, romp/armen/benen Inversa: lichaamsplooien Capitis: hoofdhuid |
| Fenomenen psoriasis | Kaarsvetfenomeen: witte schilfers bij krabben met nagel (lijkt op krabben van kaarsvet). Auspitzfenomeen: puntbloedingen na geforceerd verwijderen van schilfer. Köbnerfenomeen: nieuwe plekken op de plaats van vorige huidbeschadiging. |
| Kenmerken ulcus cruris venosum (veneus ulcus) | Mediale malleolus, EAI >0.9, pitting oedeem, normale perifere pulsaties, jeukend. Ezelsbruggetje: vEnosum, mEdialis. |
| Kenmerken ulcus cruris arteriosum | Laterale malleolus, EAI<0.9, geen oedeem, verzwakte perifere pulsaties, pijnlijker, koude voeten. Ezelsbruggetje: Arteriosum, lAteralis. |
| Meest voorkomende soorten huidkanker | 1. Basaalcelcarcinoom (80%) 2. Plaveiselcelcarcinoom (15%) 3. Melanoom (5%) |
| Kenmerken basaalcelcarcinoom | Metastaseert niet; groeit langzaam; behandelbaar. Risicofactoren: zonlicht, ouderdom, Kaukasisch (1 op de 5). |
| Kenmerken plaveiselcelcarcinoom | Keratosis actinica kan een voorloper zijn; ‘zonneschade’ van de huid; vnl. bij ouderdom; 1% ontwikkelt tot PCC. Metastaseert wel → palpeer lymfeklieren. Risicofactoren: zonlicht, ouderdom, Kaukasisch, man. |
| Kenmerken melanoom | Meest agressieve huidkanker, uitgaande van melanocyten. Risicofactoren: zonlicht (85%) en autosomaal dominant (15%). Behandeling: 2-maal excisie. |
| Wel of niet biopteren van een verdachte moedervlek? | Nooit! BCC en PCC daarentegen wel. |
| ABCDE naevi | A = asymmetry B = border C = color D = diameter E = evolution |
| Kenmerken ABCD moedervlek | Symmetrie, regelmatige begrenzing, 1-2 egale kleuren, <0.5 cm |
| Kenmerken ABCD melanoom | Asymmetrie, grillige begrenzing, 3 of meer kleuren, >0.6 cm |
| Bresowdikte en 5-jaarsoverleving | <1.5 mm: 95% 5-jaarsoverleving >3.0 mm: 40-50% 5-jaarsoverleving |
| Excisiemarges Breslowdikte | Breslowdikte <2 mm (dun), excisiemarge 1 cm Breslowdikte >2 mm (dik), excisiemarge >2 cm |
| Innervatie en functie van m. ciliare | Innervatie: n. oculomotorius (III). Functie: accomodatie. |
| Innervatie en functie van m. sphincter pupillae | Innervatie: n. oculomotorius (III). Functie: miosis. |
| Innervatie en functie van m. dilator pupillae | Innervatie: sympathicus. Functie: mydriasis. |
| Locatie en functie van kegeltjes en staafjes | Kegeltjes: retina (centraal, in fovea), kleur weernemen. Ezelsbruggetje: Kegeltjes, Kleur. Staafjes: retina (perifeer, niet in fovea), donker/licht weernemen |
| Trias van syndroom van Horner | Ipsilaterale ptose (hangend bovenooglid), miose en anhidrose. Redenatie: sympathische aansturing van zowel m. dilator pupillae, m. tarsalis superior en zweetklieren. |
| Oorzaken van syndroom van Horner | Uitval orthosympathische innervatie (pancoasttumor die sympathicus beknelt, messteek t.h.v. Th10 door sympathicus heen) |
| Kenmerken blefaritis (ontsteking ooglidranden) | Epidemiologie 10-40%, ontsteking uitgaande van kliertjes van Meibom, veroorzaakt door staphylokok |
| Chalazion (gerstekorrel) vs. hordeolum | Chalazion: steriele, pijnloze ontsteking Hordeolum: bacteriële (staphylokok), pijnlijke ontsteking. Ezelsbruggetje: Chalazion = Chiller, Hordeolum = Horror. |
| Ectropion vs. entropion | Ectropion: naar buiten hangend ooglid (conjunctiva zichtbaar), kan passen bij facialisparese. Entropion: naar binnen hangend ooglid, wimpers kunnen cornea beschadigen, cave keratitis en ulcus cornea. |
| Definitie emmetropie | Normale visus (1.0 of meer) |
| Definitie en kenmerken myopie | Bijziendheid (verre objecten onduidelijk), meest voorkomende oorzaak asmyopie (lengte van de oogas is te lang voor de brekende media) |
| Definitie en kenmerken hypermetropie | Verziendheid (nabije objecten onduidelijk), meest voorkomende oorzaak ashypermetropie (lengte van oogas is te kort voor de brekende media). |
| Definitie en kenmerken presbyopie | Ouderdomsverziendheid (nabije objecten onduidelijk). Oorzaak: leeftijdsgebonden (rond 40 jaar) afname accomodatievermogen van de lens. |
| Definitie en kenmerken astigmatisme | Cilindrische afwijking, 60% van de brildragers heeft astigmatisme. |
| Symptomen van acuut glaucoom | Hevige pijn, lichtschuwheid, verminderd gezichtsvermogen, halo's |
| 3 alarmsymptomen van het rode oog | Pijn, visusdaling, lichtschuwheid |
| Oogziekten met hevige pijn en lichtschuwheid (zonder visusdaling) | Iritis/iridocyclitis (afwijkende pupilreactie, miose, hypopyon) |
| Oogziekten met hevige pijn, lichtschuwheid en visusdaling | Keratitis (fluoresceïneproef positief en corneasensibiliteit verlaagd). Acuut glaucoom (verhoogde oogdruk en halo's). |
| Proef van Weber | Normaal: midline. Conductieve doofheid: best hoorbaar in aangedane oor. Perceptieve doofheid: best hoorbaar in goede oor. |
| Proef van Rinne | Normaal: AC > BC in beide oren. Conductieve doofheid: BC > AC in aangedane oor, AC > BC in goede oor. Perceptieve doofheid: AC > BC in beide oren. ** AC = air conduction, BC = bone conduction. |
| Symptomen pseudokroep (laryngitis subglottica) | Blafhoest, stridor, intrekkingen (ernstig), geen agitatie |
| Oorzaak pseudokroep (laryngitis subglottica) | Para-influenzavirus |
| Beleid pseudokroep (laryngitis subglottica) | Mild: expectatief. Matig-ernstig: dexamethasondrank. |
| Symptomen epiglottitis | Hoge koorts, geen blafhoest, angstig, niet kunnen/willen drinken, kwijlen, kin naar voor en zeer ernstig |
| Oorzaak epiglottitis | Haemophilus influenzae (S. pneumoniae, S. pyogenes) |
| Beloop epiglottitis (en cave...) | Cave: verstikking (daarom nooit in de keel kijken!). Opname voor intubatie, antibiotica per infuus. |
| Symptomen bronchiolitis | <2 jaar, herfst en winter, hoesten, piepen, kortademig |
| Oorzaak bronchiolitis | Respiratoir syncytieel virus |
| Beloop bronchiolitis | Meestal spontane genezing binnen 3-7 dagen. Zo nodig ß-sympathicomimeticum (onderscheid astma). |
| Symptomen pertussis (kinkhoest) | Harde droge prikkelhoest, expiratoire hoeststoten, lange piepende ademhaling, taai sputum, soms braken |
| Oorzaak pertussis (kinkhoest) | Bortedella pertussis |
| Beleid pertussis (kinkhoest) | Azitromycine (kinderen/volwassenen). Erytromycine (zwangere, lactatie). |
| Kenmerken benigne paroxysmale positieduizeligheid (BPPD) | Duur: sec-min. Pathofysiologie: canalolithiasis. Geen gehoorstoornis, geen tinnitus. |
| Kenmerken neuritis vestibularis | Duur: dagen-weken. Pathofysiologie: virale infectie. Geen gehoorstoornis, geen tinnitus. |
| Kenmerken Ménière | Duur: uren. Pathofysiologie: labyrinthine vochtophoping. Wel gehoorstoornis, wel tinnitus. |
| Kenmerken brughoektumor | Duur: maanden. Pathofysiologie: benigne tumor (tussen hersenstam en cerebellum). Wel gehoorstoornis, wel tinnitus. |
| Wanneer piekt welk hormoon (tijdens menstruatiecyclus)? | Estrogen/estradiol: folliculaire fase Luteinizing hormone: ovulatie (hogere piek dan FSH) Follicle stimulating hormone: ovulatie Progesteron: lutheale fase |
| Wanneer is FSH het hoogst? (folliculaire of luteale fase) | Folliculaire fase |
| Wat is de functie van progesteron? | In stand houden endometrium |
| Wat geeft het corpus luteum af? | Progesteron |
| Welke hormonen zitten er in de combinatiepil? | Oestrogeen en progesteron |
| Welke hormonen zitten er in de mirenaspiraal? | Progesteron (lokaal) |
| Wat gebeurt er postmenopauzaal met oestrogeen, progesteron, FSH, LH? | Hypergonadotrope hypogonadisme (hoog FSH en LH, laag progesteron en oestrogeen) |
| Wat lokt de menarche uit? | Verandering van hypothalamus afgifte van continu naar pulsatiel (waarom dit precies gebeurt is onbekend) |
| Kenmerken pre-eclampsie | Hoge RR + orgaanschade |
| Typische klacht HELLP | Bandgevoel |
| Landmarks fundushoogte | Symfyse = 12 weken Navel = 20 weken OF <24 uur postpartum. Xiphoid process = 36 weken. Na 36 weken afname van hoogte door indaling. |
| Bevalling inleiden >40 weken (postterm) | Vliezen strippen (dit stimuleert endogene prostaglandine productie, die verweken de cervix) |
| Bevalling inleiden >41 weken (naderende serotiniteit) | 1. Foley-katheter (bij < 3 cm ontsluiting) 2. Prostaglandinen intravaginaal 3. Oxytocine intraveneus |
| Definitie en risico van serotiniteit | Zwangerschapsduur ≥ 42 weken, geeft verhoogd risico op perinatale sterfte |
| Beleid retentio placentae | Manuele placentaverwijdering |
| Indicaties voor sectio | - Á terme dwarsligging - Foetale nood - Placenta praevia & solutio placentae - Uterusruptuur bij eerdere bevalling |
| Definitie en voorbeelden van egosyntoon | Dranggedachten. In overeenstemming met zelfbeeld/ego, bv. preoccupatie, psychose bij schizofrenie, autisme, persoonlijkheidsstoornis, angststoornis |
| Voorbeelden cognitieve functies | Bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen, waarnemen, denken (vorm en inhoud), intellectuele functies |
| Voorbeelden affectieve functies | Stemming, affect, somatisch affectieve kenmerken, vitale kenmerken, suïcidaliteit |
| Voorbeelden conatieve functies | Psychomotoriek, motivatie, gedrag |
| Testen van concentratie | Rekensom 100 - 7 -7 - 7 etc. |
| Testen van oriëntatie | Tijd, plaats, persoon |
| Definitie klassiek conditioneren | Nieuwe associatie tussen ongeconditioneerde stimulus en geconditioneerde stimulus (bv Pavlov = voedsel + geluid -> kwijjlen. Nadien alleen geluid -> kwijlen) |
| Definitie operant conditioneren | Met negatieve/positieve bekrachtigers/straffen gedrag toe- of af laten nemen (geen nieuwe associatie). Positief = toedienen. Negatief = ontnemen. Bekrachting = gedrag neemt toe. Straf = gedrag neemt af. |
| Kenmerken erysipelas | Ontsteking van huid en subcutis o.b.v. streptokokken (S. pyogenes), scherpbegrensd, verheven erytheem, koorts, behandeling met penicilline |
| Kenmerken cellulitis | Ontsteking van de huid en subcutis o.b.v. stafylokokken (S. aureus), onscherp begrensd, niet verheven erytheem, koorts, behandeling met flucloxacilline |
| Verwekker en kenmerken Morbili = mazelen = eerste ziekte (exanthemateuze kinderziekten) | Mazelenvirus, koplikse vlekken op wangslijmvlies (witte stippen met rode hof) |
| Verwekker en kenmerken Scarlatina = roodvonk = tweede ziekte (exanthemateuze kinderziekten) | S. pyogenes, aardbeientong |
| Verwekker en kenmerken Rubella = rode hond = derde ziekte (exanthemateuze kinderziekten) | Rubellavirus, begint in gelaat en daarna gegeneraliseerd |
| Verwekker en kenmerken erythema infectiosum = vijfde ziekte (exanthemateuze kinderziekten) | Parvovirus B19, felrode wangen (slapped cheeks), kinderen 4-10 jaar, geen/milde koorts |
| Verwekker en kenmerken exanthema subitum = zesde ziekte (exanthemateuze kinderziekten) | Humaan herpesvirus 6 en 7, hoge koorts (40 graden) voor 3 dagen gevolgd door exantheem op romp en gezicht, kinderen 6 maanden-3 jaar, |