click below
click below
Normal Size Small Size show me how
VGT Cursus deel 2
| Question | Answer |
|---|---|
| Welke relatie is belangrijk bij een AV-blokkade? | PR-interval en P-QRS verhouding |
| Kenmerk eerstegraads AV-blokkade | Verlengd PR-interval (>200ms = 1 groot hokje = 5 mini hokjes), na iedere P-top volgt wél een QRS-complex |
| Kenmerk tweedegraads (type 1) AV-blokkade | PR-interval wordt steeds langer tot 1 QRS-complex wegvalt (bv 5:4 of 4:3) |
| Kenmerk tweedegraads (type 2) AV-blokkade | PR-interval heeft een constante lengte maar mist onregelmatig een QRS-complex |
| Kenmerk derdegraads AV-blokkade | Geen relatie tussen P-top en QRS-complex (AV-dissociatie) |
| Wat gebeurt er bij harttoon S1 "lub"? | Begin systole, sluiten mitralisklep en tricuspidalisklep (AV-kleppen) |
| Wat gebeurt er bij harttoon S2 "dub"? | Begin diastole, sluiten aortaklep en pulmonalisklep |
| De verhouding qua tijd van systole:diastole = ... : .... | 1 : 2 |
| Best hoorbare locatie aortaklepstenose (door uistraling) | Carotiden |
| Best hoorbare locatie mitralisklepstenose (door uistraling) | Linker oksel |
| Locatie stethoscoop aortaklep | 2e intercostale ruimte rechts van sternum |
| Locatie stethoscoop pulmonalisklep | 2e intercostale ruimte links van sternum |
| Locatie stethoscoop tricuspidalisklep | 4e-5e intercostale ruimte links van sternum |
| Locatie stethoscoop mitralisklep | 5e intercostale ruimte midclaviculair, S1 goed hoorbaar |
| Locatie stethoscoop Erb's point | 3e intercostale ruimte links van sternum, S2 goed hoorbaar |
| Systolische souffles | Insufficiëntie van mitralisklep en tricuspidalisklep Stenose van aortaklep en pulmonaalklep |
| Diastolische souffles | Stenose van mitralisklep en tricuspidalisklep Insufficiëntie van aortaklep en pulmonaalklep |
| Cardiaal kenmerk reumatische koorts (acuut reuma) | Fibrose van mitralisklep/aortaklep, waardoor (meestal) stenose |
| Oorzaak reumatische koorts (acuut reuma) | Streptokokkeninfectie |
| Risicofactor reumatische koorts (acuut reuma) | Leven in/afkomstig zijn uit een ontwikkelingsland |
| Formule Tiffeneau-index | FEV1 / FVC = Forced Expiratory Volume in 1 seconde / Forced Vital Capacity |
| Functie van de Tiffeneau-index | Onderscheid maken tussen obstructieve en restrictieve longziekten |
| Afkapwaarde Tiffeneau-index bij obstructieve longziekten (oude criteria) | < 70% |
| Afkapwaarde spirometrie bij obstructieve longziekten, post-salbutamol (nieuwe criteria) | FEV1/FVC z-score < -1.64 |
| Afkapwaarde Tiffeneau-index bij restrictieve longziekten (oude criteria) | > 70% |
| Afkapwaarde spirometrie bij restrictieve longziekten, post-salbutamol (nieuwe criteria) | FVC z-score < -1.64 |
| Astma is (wel/niet) reversibel met salbutamol | Wel reversibel |
| COPD is (wel/niet) reversibel met salbutamol | Niet reversibel |
| Bij astma is de FEV1 (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) | Iets gedaald |
| Bij astma is de FVC (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) | Gelijk gebleven |
| Bij COPD is de FEV1 (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) | Sterk gedaald |
| Bij COPD is de FVC (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) | Iets gedaald |
| Voorbeelden obstructieve longziekten | - Astma - COPD |
| Voorbeelden restrictieve longziekten | - Interstitiële problemen (longfibrose) - Thoraxwandproblematiek (pectus excavatum, obesitas) - Druk buitenaf (RIP, ascites) |
| Soorten anemie | Microcytair, normocytair, macrocytair |
| MCV van microcytaire anemie | < 80 fL |
| MCV van normocytaire anemie | 80 - 100 fL |
| MCV van macrocytaire anemie | > 100 fL |
| Oorzaken microcytaire anemie | - IJzergebrek (meest voorkomende oorzaak microcytair!) - Hemoglobinopathie |
| Onderscheid in lab tussen ijzergebrek en hemoglobinopathie | Op basis van reticolocytenaantal Reticulocyten < 2% bij ijzergebrek Reticulocyten > 2% bij hemoglobinopathie |
| Oorzaken macrocytaire anemie | - Vitamine B12-deficiëntie (pernicieuze anemie) - Foliumzuurdeficiëntie * Vitamine B12 = cobalamine * Vitamine B11 = foliumzuur |
| Pathofysiologie pernicieuze anemie | Atrofische gastritis → destructie pariëtaalcellen → verminderde productie intrinsic factor → minder B12-absorptie → macrocytaire anemie |
| Onderscheid tussen ijzergebreksanemie en anemie van chronische ziekte o.b.v. labresultaten - Serumijzer - Transferrine/TIBC - Ferritine | IJzergebreksanemie: serumijzer laag, TIBC hoog, ferritine laag Anemie van chronische ziekte: serumijzer laag, TIBC laag, ferritine hoog |
| Roken is een beschermende factor bij (Morbus Crohn/colitis ulcerosa) en is een risicofactor bij (M. Crohn/colitis ulcerosa) | Colitis ulcerosa: roken beschermt M. Crohn: roken is een risicofactor |
| Onderscheid tussen M. Crohn en colitis ulcerosa op basis van symptomen | Colitis ulcerosa: bloederige diarree M. Crohn: krampende buikpijn + vit. B12 deficiëntie |
| Kenmerken van M. Crohn bij scopie | Kan zich voordoen in de gehele GI-tract Skip lesions Ileïtis (distale ileum) Cobblestoning Niet-verkazende granulomen |
| Kenmerken van colitis ulcerosa bij scopie | Van rectum naar proximaal, maar gaat niet voorbij het colon Continue inflammatie Pseudopoliepen |
| Complicaties M. Crohn | Fissuren, abcessen |
| Complicatie c. ulcerosa | Toxisch megacolon |
| Pathofysiologie coeliakie | Inflammatie in reactie op gliadine-antigen in gluten → vlokatrofie duodenum → verminderd absorberend oppervlak (minder absorptie van vetten/vitamines) → steatorroe, anemie, vermagering |
| Serologische (IgA) diagnose coeliakie | - Anti-tissue-transglutaminase (anti-TTG) - Anti-endomysiumlichaam |
| Endoscopische diagnose coeliakie (definitieve diagnose) | Vlokatrofie, welke verdwijnt na eliminatiedieet |
| Complicatie coeliakie | Morbus Duhring/dermatitis herpetiformis = jeuk ten gevolge van depositie anti-TTG in dermale papillen, m.n. strekzijde ellebogen |
| Betrokken organen bij de aanmaak van schildklierhormonen: TRH, TSH, T4, T3 | TRH: hypothalamus TSH: adenohypofyse = anterieure hypofyse T4, T3: schildklier |
| Aanmaak van hormonen in de anterieure en posterieure hypofyse | Anterieur = adenohypofyse - GH - TSH - ACTH - FSH - LH - Prolactine - Endorfines Posterieur = neurohypofyse - ADH - Oxytocine |
| De schildklier werkt via een (positieve/negatieve) feedbackloop | Negatieve (want het remt een proces: meer hormoon = minder stimulatie) |
| Verschil tussen T4 (thyroxine) en T3 (triiodothyronine) | T4: inactief (prohormoon, activatie in perifere weefsels waarbij omzetting naar T3) T3: actief |
| Labwaarden van hypothyreoïdie (TSH, vrij T4) | TSH hoog, vrij T4 laag |
| Labwaarden van hyperthyreoïdie (TSH, vrij T4) | TSH laag, vrij T4 hoog |
| Wat meten amylase en lipase? | Pancreatitis |
| Wat meten alkalisch fosfatase en gamma-GT? | Cholestase |
| Wat meten ALAT en ASAT? | Leverschade, indien ASAT>ALAT is het irreversibel |
| Wat meten serumalbumine en PT-tijd? | Synthesecapaciteit van de lever |
| Wat meet ammoniak? | Ontgiftingcapaciteit van de lever |
| Wat meet PSA? | BPH, prostatitis of prostaatcarcinoom |
| Wat meet LDH? | Aspecifieke celnecrose |
| Wat meet CK? | Celnecrose van hart- en skeletspier |
| Wat meten CRP en BSE? | Acute fase ontsteking/infectie |
| Ezelsbruggetje typen hypersensitiviteit | Type I "A" = At once Type II "B" = anti-Body Type III "C" = immune Complexes Type IV "D" = Delay |
| Binnen welke tijd treedt type I hypersensitiviteit op? | Binnen minuten (<30 minuten) |
| Binnen welke tijd treedt type II hypersensitiviteit op? | Binnen minuten (<30 minuten), maar kan ook tot uren erna ontstaan (geen eenduidige literatuur) |
| Binnen welke tijd treedt type III hypersensitiviteit op? | Na 4-8 uur |
| Binnen welke tijd treedt type IV hypersensitiviteit op? | >24 uur tot dagen (langzaamste van allemaal) |
| Hoe wordt type I hypersensitiviteit gemedieerd? | IgE (Th2, mestcellen, eosinofielen, histamine, leukotriënen) |
| Hoe wordt type II hypersensitiviteit gemedieerd? | Antilichamen gericht tegen celgebonden antigenen (IgG/IgM, complement) |
| Hoe wordt type III hypersensitiviteit gemedieerd? | Immuuncomplexen die neerslaan in weefsels (IgG/IgM, circulerende antigenen, complement) |
| Hoe wordt type IV hypersensitiviteit gemedieerd? | T-cellen (CTL, Th1, Th17, cytokines) |
| Wat gebeurt er bij type I hypersensitiviteit ? | Allergeen → Th2-respons → IL-4 → class switching naar IgE → IgE bindt FcεRI op mestcellen. Bij hernieuwde blootstelling ontstaan klachten door cross-linking van IgE op mestcellen → degranulatie |
| Voorbeelden type I hypersensitiviteit | Allergie (voedsel, seizoensgebonden), anafylaxie, atopisch astma, atopisch eczeem, urticaria |
| Voorbeelden type II hypersensitiviteit | Transfusiereactie, erythroblastosis fetalis, syndroom van Goodpasture, hemolytische anemie |
| Voorbeelden type III hypersensitiviteit | Post-streptokokken glomerulonefritis, serumziekte, SLE |
| Voorbeelden type IV hypersensitiviteit | Contacteczeem, DM1, psoriasis, M. Crohn, lepra, sarcoïdose, SJS |
| 3 grote categorieën binnen reumatologie | Reumatoïde artritis, spondylarthropatieën, kristalarthropatieën |
| Ziekten die vallen onder spondylarthropatieën (SpA) | - Ziekte van Bechterew = spondylitis ankylopoetica - Reactieve artritis = syndroom van Reiter - Artritis psoriatica - Artritis bij IBD |
| Ziekten die vallen onder kristalartropatieën | - Jicht - Pseudojicht |
| Oorzaak van verergering van inflammatoire gewrichtspijn in rust | Ophoping van ontstekingsmediatoren bij inactiviteit |
| Langdurige ochtendstijfheid, verergering in rust en verbetering bij beweging zijn kenmerken van (inflammatoire/niet-inflammatoire gewrichtspijn) | Inflammatoire gewrichtspijn (ezelsbruggetje: inflammatoiR, Rust Roest, bewegen smeert) |
| Geen/kortdurende ochtendstijfheid, verbetering in rust en verergering bij beweging zijn kenmerken van (inflammatoire/niet-inflammatoire gewrichtspijn) | Niet-inflammatoire gewrichtspijn |
| Kenmerken van reumatoïde artritis | - Symmetrische polyartritis - >55 jaar - MCP en PIP (noduli van Bouchard) |
| Extra-articulaire manifestaties van reumatoïde artritis | Syndroom van Sjögren, reumanoduli |
| Aanvullend onderzoek (lab) bij reumatoïde artritis | - Anti-CCP (specificiteit 80%) - RF (prognostisch) |
| Kenmerken van spondylarthropathie | - Asymmetrische oligoartritis - 20-40 jaar - SI-gewricht, enthesen (m.n. achillespees) |
| Extra-articulaire manifestaties van spondylarthropathie | Uveïtis anterior, psoriasis, IBD |
| Aanvullend onderzoek (lab) bij spondylarthropathie | - RF seronegatief - HLA-B27 |
| Kenmerkend voor spondylitis ankylopoetica = M. Bechterwew (SpA) | Bamboo spine, ankyloserende wervelkolom met syndesmofyten |
| Oorzaak van reactieve artritis = syndroom van Reiter | Auto-inflammatoire, steriele artritis die immunologisch wordt uitgelokt door een infectie - Gastroinstinaal: Campylobacter, Salmonella, Shigella - Urogenitaal: Chlamydia, Gonorroe |
| Symptomen van reactieve artritis = syndroom van Reiter | Conjunctivitis + urethritis + artritis Ezelsbruggetje: can't see, can't pee, can't climb a tree |
| Kenmerkend voor artritis psoriatica | - Meestal bij iemand die reeds psoriasis vulgaris heeft - Dactylitis (worstvingers- en tenen), voorkeur DIP (noduli van Heberden) |
| Onderscheid tussen noduli van Heberden en Bouchard o.b.v. DIP/PIP | Heberden = DIP --> artritis psoriatica Bouchard = PIP --> reumatoïde artritis |
| Voorkeursgewrichten van jicht | 1. MTP-1 (grote teen) 2. Enkel |
| Jichtkristal | Urinezuur/uraat |
| Risicofactoren van jicht | Man, overgewicht, alcoholgebruik, hart- en vaatziekten, rood vlees, diuretica |
| Extra-articulaire manifestatie van jicht | Tophi en urinezuur nierstenen |
| Behandeling van jicht | Acuut: 1. NSAID's / prednison 2. Colchicine Onderhoud: 1. Allopurinol |
| Voorkeursgewrichten van pseudojicht | 1. Knie 2. Pols / elleboog / schouder |
| Pseudojichtkristal | Calciumpyrofosfaat |
| Risicofactoren van pseudojicht | Vrouw, ouderen, diuretica |
| Kenmerken van syndroom van Sjögren | SS-A, SS-B (ezelsbruggtje: Sjögren Syndroom A en B) Xerostomie = droge mond Exocriene klieren aangedaan (ogen, speeksel- en zweetklieren) |
| Volgorde van verkleuring fenomeen van Raynaud | Wit --> blauw --> rood |
| Kenmerken van ziekte van Behçet | Orale en genitale aften Hypopyon (voorste oogkamer) uveïtis Erythema nodosum = ontsteking onderhuidse vetweefsel, meestal aan de schenen |
| Kenmerken van SLE | Vlindervormig erytheem anti-dsDNA ANA Zonlichtovergevoeligheid |
| Kenmerken dermatomyositis | Heliotrope rash = donker paars/rode uitslag op de oogleden Gottronpapels = paars/rode bulten op de knokkels, enkel, ellebogen of knieën Sterke associatie met maligniteit 5-jaarsoverleving 60% |
| WHO pijnladder | 1. Niet-opioïden (paracetamol -> NSAIDs -> coxibs) 2. Toevoegen zwakke opioïden (tramadol) 3. Toevoegen sterke opioïden (morfine) |
| Werking van paracetamol | Reversibele remming van COX, voornamelijk in CZS, niet anti-inflammatoir |
| Bijwerking paracetamol | Hepatotoxiciteit |
| Antidotum paracetamol | N-acetylcysteïne |
| Bijwerking opiaten | Ademdepressie |
| Antidotum opiaten | Naloxon |
| Antidotum benzodiazepines | Flumazenil |
| Afkorting SABA / LABA | Short/long acting beta-receptor agonist |
| Afkoring SAMA / LAMA | Short/long acting muscarinic-receptor antagonist |
| Voorbeeld SABA | Salbutamol, terbutaline |
| Voorbeeld LABA | Salmeterol, formoterol |
| Voorbeeld SAMA | Ipratropium |
| Voorbeeld LAMA | Tiotropium |
| Beleid astma | 1. SABA bij aanvallen 2. Indien 3 of meer aanvallen per week: onderhoudsinhalatiecorticoïden (ICS) + SABA 3. Bij geen verbetering: vervang SABA door LAMA |
| Voorbeelden onderhoudsinhalatiecorticoïden | Fluticason, beclomethason, budesonide, ciclesonide |
| Cave astma en medicatiegebruik | - Aspirine (vermindert prostaglandinesynthese, prostaglandines zijn bronchodilators) - Bètablokkers (zoals metoprolol, kunnen bronchoconstrictie geven) |
| Beleid COPD | 1. SABA of SAMA (als de een niet goed werkt, schakel dan over op de andere) 2. Bij aanhoudende klachten: stap over op LABA of LAMA 3. Bij aanhoudende klachten met exacerbaties voor 1 jaar: inhalatiecorticoïd. Bij acute exacerbatie: orale corticoïdtablet |
| Voorbeeld osmotische diuretica | Mannitol |
| Voorbeeld thiazide diuretica | Hydrochloorthiazide |
| Voorbeeld lisdiuretica | Furosemide |
| Voorbeeld aldosteron antagonist | Spironolacton |
| Voorbeeld angiotensine II receptorblokker (ARB) | Losartan |
| Voorbeeld triamtereen | Triamtereen |
| Voorbeeld carbonzuur anhydrase remmers | Acetazolamide |
| Voorbeelden kaliumsparende en niet-kaliumsparende diuretica | Niet-kaliumsparend: lisdiuretica en thiazide diuretica Wel kaliumsparend: aldosteron antagonisten, ARBs, triamtereen |
| Vaakst toegediende renaal werkende medicatie en werking | Thiazide diuretica: voornamelijk antihypertensief effect, bij hypertensie Lisdiuretica: voornamelijk diuretisch effect, bij oedeem |
| Aangrijppunt en effect osmotische diuretica | Proximale tubulus en lis van Henle. Osmotische verhindering van terugresorptie van water en dus Na+ en Cl-. K+ wordt ook meer uitgescheiden. |
| Aangrijppunt en effect thiazide diuretica | Distale tubulus. Remming Na+/Cl- cotransport. |
| Aangrijppunt en effect lisdiuretica | Stijgende deel van lis van Henle. Remming Na+/K+/2Cl- cotransport |
| Aangrijppunt en effect aldosteronantagonisten | Proximale verzamelbuis. Remt de mineralocorticoïd receptor, waardoor aldosteron minder Na+/K+ ATPases kan inbouwen. |
| Aangrijppunt en effect ARBs | Bloedvaten, (bij)nier. Remt de angiotensine II receptor type 1 (AT-II1) → minder aldosteron. |
| Aangrijppunt en effect triamtereen | Verzamelbuis (en distale tubulus). Blokkeert epitheliale natriumkanaal (ENaC). |
| Aangrijppunt en effect carbonzuuranhydraseremmers | Proximale tubulus. H+ en HCO3-. Het H+ wordt apicaal uitgewisseld met Na+. Door dit te remmen: natriurese. Pas op: kans op metabole acidose. Carbonzuur anhydrase zet plasma-CO2 en H2O om in |
| Het dalende deel van de lis van Henle is permeabel voor (water/zout) | Water |
| Het stijgende deel van de lis van Henle is permeabel voor (water/zouten) | Zouten |
| Behandeling hypertensie: stap 1 | Leefstijl |
| Behandeling hypertensie: stap 2 | - Bij geen comorbiditeit, kies één: ACE-remmer, ARB, dihydropyridine, thiazide, β-blokker - Bij patiënten van West- of Zuid-Afrikaanse afkomst, kies één: thiazide, dihydropyridine - Bij comorbiditeit, zie FK |
| Behandeling hypertensie: stap 3 | Voeg een 2e antihypertensivum toe Cave: - combinatie ACE-remmer/ARB afgeraden i.v.m. risico nierfalen, hyperkaliemie - combinatie β-blokker/diureticum geeft een verhoogd risico op het ontstaan van diabetes mellitus. |
| Behandeling hypertensie: stap 4 | Voeg een 3e antihypertensivum toe Cave: - Zie stap 2 |
| Behandeling hypertensie: stap 5 | Verhoog doseringen |
| Behandeling hypertensie: stap 6 | Verwijs naar specialist of voeg spironolacton of amiloride/hydrochloorthiazide toe. |
| Behandeling hypertensie in de zwangerschap | Start één van de volgende middelen: Start één van de volgende middelen: - Methyldopa (offlabel) - Labetalol (voorkeur indien β–blokker) of metoprolol (offlabel) - Calciumantagonist (niet in het 1e trimester): nifedipine (offlabel) |
| Streeftensie bij hypertensie in de zwangerschap | Systolisch: <160 mmHg. Diastolisch 80-100 mmHg. |
| Medicatie bij hypercholosterolemie | - Statines (remmen HMG-CoA reductase) - Ezetemibe (vermindert enterale cholesterolabsorptie) - Galzuurbindende harsen zoals colestyramine (verlagen galzuurabsorptie) |
| Medicatie bij hypertriglyceridemie | Fibraten (verminderen hepatische synthese van VLDL welke rijk is aan triglyceriden) |
| Een man bekend met een depressieve stoornis meldt zich !poliklinisch! met onvoldoende reactie op de fluoxetine. Wat is nu het gewenste beleid? | Een andere SSRI starten |
| Medicamenteuze beleid bij unipolaire depressie | 1. SSRI (fluoxetine/paroxetine) → cave: verergering symptomen in begin. 2. TCA → minder goed getolereerd dan SSRI’s. |
| Kenmerken directe hernia inguinalis | Oudere mannen, direct door buikwand, mediaal van a. epigastrica inferior, boven ligament van Poupart |
| Kenmerken indirecte hernia inguinalis | Jongetjes, door lieskanaal, lateraal van a. epigastrica inferior, boven ligament van Poupart |
| Kenmerken hernia femoralis | Vrouwen, door femorale kanaal, onder ligament van Poupart |
| Kenmerken pylorushypertrofie (kinderchirurige) | Jongetjes tussen 2 weken en 2 maanden oud, projectiel braken |
| Kenmerken Meckel-divertikel (kinderchirurige) | Proximal van klep van Bauhin (40-100 cm), restant van ductus omphalomesentericus (Vitellinus) |
| Kenmerken ziekte van Hirschsprung (kinderchirurige) | Aanlegstoornis ganglia plexus myentericus (van Auerbach) in distale colon. Uitblijven meconiumlozing eerste 48 uur postpartum. |
| Kenmerken omphalocele hernia (kinderchirurige) | Buikwanddefect waarbij darmen/organen buiten het lichaam liggen, maar wel bedekt zijn door peritoneum Ezelsbruggetje: de O is gesloten (dus organen omvat) |
| Kenmerken gastroschisis hernia (kinderchirurige) | Buikwanddefect waarbij darmen/organen buiten het lichaam liggen, maar niet bedekt zijn door peritoneum Ezelsbruggetje: de G is open (dus organen niet omvat) |
| Locatie van galsteenobstructie bij pancreatitis | Papil van Vater |
| Risicofactoren van aneurysma aorta abdominalis (AAA) | Hypertensie, atherosclerose, bindweefselziekten (bv. Marfan, Ehlers-Danlos) |
| Indicaties voor chirurgie bij aneurysma aorta abdominalis (AAA) | Man: 5.5 cm of groter in diameter Vrouw: 5.0 cm of groter in diameter Ook als >0.5 cm groei in 6 maanden Jaarlijkse screening middels echografie, zo nodig EVAR. |
| Locatie en beleid van aortadissectie Stanford type A = De Bakey type I+II | Proximaal van a. subclavia sinistra (met evt. uitbreiding naar distaal), spoedchirurgie gezien mortaliteit 1-2% per uur de eerste 24-48 uur |
| Locatie en beleid van aortadissectie Stanford type B = De Bakey type III | Distaal van a. subclavia sinistra, conservatief |
| Spieren van de rotator cuff | Supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis |
| Aanhechting van spieren van de rotator cuff | Tuberculum majus: supraspinatus, infraspinatus, teres minor Tuberculum minus: subscapularis |
| Functie van de rotator cuff | Stabiliseren van het schoudergewricht (glenoïdkom is ondiep) |
| Kenmerken van schouderluxatie | 95% anterieur (indien posterieur meestal door epileptisch insult), risico op letsel van n. axillaris waarbij zwakte van m. deltoïdeus |
| Kenmerken van supraspinatuspeestendinitis | Veel voorkomend, pijn bij abductie (low painful arc, tussen 60-120 graden) Low painful arc kan ook voorkomen bij impingement |
| Kenmerken van acromioclaviculaire (AC) pathologie (e.g. luxatie) | Pijn bij abductie (high painful arc, vanaf 160 graden) |
| Welke percentages horen bij het totaal verbrande lichaamsoppervlak van volwassenen? | Hoofd 9%, romp voor 18%, romp achter 18%, per arm 9%, per been 18%, genitaliën 1% |
| Welke percentages horen bij het totaal verbrande lichaamsoppervlak van kinderen? | Hoofd 18%, romp voor 18%, romp achter 18%, per arm 9%, per been 14%, genitaliën 1% (dus 4.5% per been naar het hoofd in vergelijking met volwassenen) |
| Kenmerken eerstegraads brandwond | Epidermis, erytheem, pijnlijk, intacte capillaire refill (<3 sec), spontaan herstel na 1 week |
| Kenmerken tweedegraads oppervlakkige brandwond | Deels door dermis, bullae (blaren), nat aspect, pijnlijk, intacte capillaire refill (<3 sec), spontaan herstel na 2-4 weken |
| Kenmerken tweedegraads diepe brandwond | Deels door dermis, bullae (blaren), nat aspect, verminderd pijnlijk, vertraagde capillaire refill (>3 sec), antimicrobiële crème en chirurgie |
| Kenmerken derdegraads brandwond | Bereikt subcutis, donker, leerachtig, bleek, vettig, ongevoelig voor pijn, afwezige capillaire refill, geen spontaan herstel, antimicrobiële crème en chirurgie |
| Cross-bridge cycle stap 1 | Myosinekop met ATP is los van actine (lage energie) |
| Cross-bridge cycle stap 2 | ATP wordt omgezet in ADP + fosfaat → myosinekop 'spant zich op' (hoge energie) |
| Cross-bridge cycle stap 3 | Calcium komt vrij, bindt aan troponine → tropomyosine verschuift van actine af → myosine bindt aan actine |
| Cross-bridge cycle stap 4 | Fosfaat laat los → myosine trekt aan actine (power stroke) → spiercontractie vv |
| Cross-bridge cycle stap 5 | ADP laat los, nieuw ATP bindt → myosine laat los. Cycle herhaalt als calcium (en ATP) hoog blijft |