Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

VGT Cursus deel 2

QuestionAnswer
Welke relatie is belangrijk bij een AV-blokkade? PR-interval en P-QRS verhouding
Kenmerk eerstegraads AV-blokkade Verlengd PR-interval (>200ms = 1 groot hokje = 5 mini hokjes), na iedere P-top volgt wél een QRS-complex
Kenmerk tweedegraads (type 1) AV-blokkade PR-interval wordt steeds langer tot 1 QRS-complex wegvalt (bv 5:4 of 4:3)
Kenmerk tweedegraads (type 2) AV-blokkade PR-interval heeft een constante lengte maar mist onregelmatig een QRS-complex
Kenmerk derdegraads AV-blokkade Geen relatie tussen P-top en QRS-complex (AV-dissociatie)
Wat gebeurt er bij harttoon S1 "lub"? Begin systole, sluiten mitralisklep en tricuspidalisklep (AV-kleppen)
Wat gebeurt er bij harttoon S2 "dub"? Begin diastole, sluiten aortaklep en pulmonalisklep
De verhouding qua tijd van systole:diastole = ... : .... 1 : 2
Best hoorbare locatie aortaklepstenose (door uistraling) Carotiden
Best hoorbare locatie mitralisklepstenose (door uistraling) Linker oksel
Locatie stethoscoop aortaklep 2e intercostale ruimte rechts van sternum
Locatie stethoscoop pulmonalisklep 2e intercostale ruimte links van sternum
Locatie stethoscoop tricuspidalisklep 4e-5e intercostale ruimte links van sternum
Locatie stethoscoop mitralisklep 5e intercostale ruimte midclaviculair, S1 goed hoorbaar
Locatie stethoscoop Erb's point 3e intercostale ruimte links van sternum, S2 goed hoorbaar
Systolische souffles Insufficiëntie van mitralisklep en tricuspidalisklep Stenose van aortaklep en pulmonaalklep
Diastolische souffles Stenose van mitralisklep en tricuspidalisklep Insufficiëntie van aortaklep en pulmonaalklep
Cardiaal kenmerk reumatische koorts (acuut reuma) Fibrose van mitralisklep/aortaklep, waardoor (meestal) stenose
Oorzaak reumatische koorts (acuut reuma) Streptokokkeninfectie
Risicofactor reumatische koorts (acuut reuma) Leven in/afkomstig zijn uit een ontwikkelingsland
Formule Tiffeneau-index FEV1 / FVC = Forced Expiratory Volume in 1 seconde / Forced Vital Capacity
Functie van de Tiffeneau-index Onderscheid maken tussen obstructieve en restrictieve longziekten
Afkapwaarde Tiffeneau-index bij obstructieve longziekten (oude criteria) < 70%
Afkapwaarde spirometrie bij obstructieve longziekten, post-salbutamol (nieuwe criteria) FEV1/FVC z-score < -1.64
Afkapwaarde Tiffeneau-index bij restrictieve longziekten (oude criteria) > 70%
Afkapwaarde spirometrie bij restrictieve longziekten, post-salbutamol (nieuwe criteria) FVC z-score < -1.64
Astma is (wel/niet) reversibel met salbutamol Wel reversibel
COPD is (wel/niet) reversibel met salbutamol Niet reversibel
Bij astma is de FEV1 (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) Iets gedaald
Bij astma is de FVC (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) Gelijk gebleven
Bij COPD is de FEV1 (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) Sterk gedaald
Bij COPD is de FVC (sterk gedaald/iets gedaald/gelijk gebleven/gestegen) Iets gedaald
Voorbeelden obstructieve longziekten - Astma - COPD
Voorbeelden restrictieve longziekten - Interstitiële problemen (longfibrose) - Thoraxwandproblematiek (pectus excavatum, obesitas) - Druk buitenaf (RIP, ascites)
Soorten anemie Microcytair, normocytair, macrocytair
MCV van microcytaire anemie < 80 fL
MCV van normocytaire anemie 80 - 100 fL
MCV van macrocytaire anemie > 100 fL
Oorzaken microcytaire anemie - IJzergebrek (meest voorkomende oorzaak microcytair!) - Hemoglobinopathie
Onderscheid in lab tussen ijzergebrek en hemoglobinopathie Op basis van reticolocytenaantal Reticulocyten < 2% bij ijzergebrek Reticulocyten > 2% bij hemoglobinopathie
Oorzaken macrocytaire anemie - Vitamine B12-deficiëntie (pernicieuze anemie) - Foliumzuurdeficiëntie * Vitamine B12 = cobalamine * Vitamine B11 = foliumzuur
Pathofysiologie pernicieuze anemie Atrofische gastritis → destructie pariëtaalcellen → verminderde productie intrinsic factor → minder B12-absorptie → macrocytaire anemie
Onderscheid tussen ijzergebreksanemie en anemie van chronische ziekte o.b.v. labresultaten - Serumijzer - Transferrine/TIBC - Ferritine IJzergebreksanemie: serumijzer laag, TIBC hoog, ferritine laag Anemie van chronische ziekte: serumijzer laag, TIBC laag, ferritine hoog
Roken is een beschermende factor bij (Morbus Crohn/colitis ulcerosa) en is een risicofactor bij (M. Crohn/colitis ulcerosa) Colitis ulcerosa: roken beschermt M. Crohn: roken is een risicofactor
Onderscheid tussen M. Crohn en colitis ulcerosa op basis van symptomen Colitis ulcerosa: bloederige diarree M. Crohn: krampende buikpijn + vit. B12 deficiëntie
Kenmerken van M. Crohn bij scopie Kan zich voordoen in de gehele GI-tract Skip lesions Ileïtis (distale ileum) Cobblestoning Niet-verkazende granulomen
Kenmerken van colitis ulcerosa bij scopie Van rectum naar proximaal, maar gaat niet voorbij het colon Continue inflammatie Pseudopoliepen
Complicaties M. Crohn Fissuren, abcessen
Complicatie c. ulcerosa Toxisch megacolon
Pathofysiologie coeliakie Inflammatie in reactie op gliadine-antigen in gluten → vlokatrofie duodenum → verminderd absorberend oppervlak (minder absorptie van vetten/vitamines) → steatorroe, anemie, vermagering
Serologische (IgA) diagnose coeliakie - Anti-tissue-transglutaminase (anti-TTG) - Anti-endomysiumlichaam
Endoscopische diagnose coeliakie (definitieve diagnose) Vlokatrofie, welke verdwijnt na eliminatiedieet
Complicatie coeliakie Morbus Duhring/dermatitis herpetiformis = jeuk ten gevolge van depositie anti-TTG in dermale papillen, m.n. strekzijde ellebogen
Betrokken organen bij de aanmaak van schildklierhormonen: TRH, TSH, T4, T3 TRH: hypothalamus TSH: adenohypofyse = anterieure hypofyse T4, T3: schildklier
Aanmaak van hormonen in de anterieure en posterieure hypofyse Anterieur = adenohypofyse - GH - TSH - ACTH - FSH - LH - Prolactine - Endorfines Posterieur = neurohypofyse - ADH - Oxytocine
De schildklier werkt via een (positieve/negatieve) feedbackloop Negatieve (want het remt een proces: meer hormoon = minder stimulatie)
Verschil tussen T4 (thyroxine) en T3 (triiodothyronine) T4: inactief (prohormoon, activatie in perifere weefsels waarbij omzetting naar T3) T3: actief
Labwaarden van hypothyreoïdie (TSH, vrij T4) TSH hoog, vrij T4 laag
Labwaarden van hyperthyreoïdie (TSH, vrij T4) TSH laag, vrij T4 hoog
Wat meten amylase en lipase? Pancreatitis
Wat meten alkalisch fosfatase en gamma-GT? Cholestase
Wat meten ALAT en ASAT? Leverschade, indien ASAT>ALAT is het irreversibel
Wat meten serumalbumine en PT-tijd? Synthesecapaciteit van de lever
Wat meet ammoniak? Ontgiftingcapaciteit van de lever
Wat meet PSA? BPH, prostatitis of prostaatcarcinoom
Wat meet LDH? Aspecifieke celnecrose
Wat meet CK? Celnecrose van hart- en skeletspier
Wat meten CRP en BSE? Acute fase ontsteking/infectie
Ezelsbruggetje typen hypersensitiviteit Type I "A" = At once Type II "B" = anti-Body Type III "C" = immune Complexes Type IV "D" = Delay
Binnen welke tijd treedt type I hypersensitiviteit op? Binnen minuten (<30 minuten)
Binnen welke tijd treedt type II hypersensitiviteit op? Binnen minuten (<30 minuten), maar kan ook tot uren erna ontstaan (geen eenduidige literatuur)
Binnen welke tijd treedt type III hypersensitiviteit op? Na 4-8 uur
Binnen welke tijd treedt type IV hypersensitiviteit op? >24 uur tot dagen (langzaamste van allemaal)
Hoe wordt type I hypersensitiviteit gemedieerd? IgE (Th2, mestcellen, eosinofielen, histamine, leukotriënen)
Hoe wordt type II hypersensitiviteit gemedieerd? Antilichamen gericht tegen celgebonden antigenen (IgG/IgM, complement)
Hoe wordt type III hypersensitiviteit gemedieerd? Immuuncomplexen die neerslaan in weefsels (IgG/IgM, circulerende antigenen, complement)
Hoe wordt type IV hypersensitiviteit gemedieerd? T-cellen (CTL, Th1, Th17, cytokines)
Wat gebeurt er bij type I hypersensitiviteit ? Allergeen → Th2-respons → IL-4 → class switching naar IgE → IgE bindt FcεRI op mestcellen. Bij hernieuwde blootstelling ontstaan klachten door cross-linking van IgE op mestcellen → degranulatie
Voorbeelden type I hypersensitiviteit Allergie (voedsel, seizoensgebonden), anafylaxie, atopisch astma, atopisch eczeem, urticaria
Voorbeelden type II hypersensitiviteit Transfusiereactie, erythroblastosis fetalis, syndroom van Goodpasture, hemolytische anemie
Voorbeelden type III hypersensitiviteit Post-streptokokken glomerulonefritis, serumziekte, SLE
Voorbeelden type IV hypersensitiviteit Contacteczeem, DM1, psoriasis, M. Crohn, lepra, sarcoïdose, SJS
3 grote categorieën binnen reumatologie Reumatoïde artritis, spondylarthropatieën, kristalarthropatieën
Ziekten die vallen onder spondylarthropatieën (SpA) - Ziekte van Bechterew = spondylitis ankylopoetica - Reactieve artritis = syndroom van Reiter - Artritis psoriatica - Artritis bij IBD
Ziekten die vallen onder kristalartropatieën - Jicht - Pseudojicht
Oorzaak van verergering van inflammatoire gewrichtspijn in rust Ophoping van ontstekingsmediatoren bij inactiviteit
Langdurige ochtendstijfheid, verergering in rust en verbetering bij beweging zijn kenmerken van (inflammatoire/niet-inflammatoire gewrichtspijn) Inflammatoire gewrichtspijn (ezelsbruggetje: inflammatoiR, Rust Roest, bewegen smeert)
Geen/kortdurende ochtendstijfheid, verbetering in rust en verergering bij beweging zijn kenmerken van (inflammatoire/niet-inflammatoire gewrichtspijn) Niet-inflammatoire gewrichtspijn
Kenmerken van reumatoïde artritis - Symmetrische polyartritis - >55 jaar - MCP en PIP (noduli van Bouchard)
Extra-articulaire manifestaties van reumatoïde artritis Syndroom van Sjögren, reumanoduli
Aanvullend onderzoek (lab) bij reumatoïde artritis - Anti-CCP (specificiteit 80%) - RF (prognostisch)
Kenmerken van spondylarthropathie - Asymmetrische oligoartritis - 20-40 jaar - SI-gewricht, enthesen (m.n. achillespees)
Extra-articulaire manifestaties van spondylarthropathie Uveïtis anterior, psoriasis, IBD
Aanvullend onderzoek (lab) bij spondylarthropathie - RF seronegatief - HLA-B27
Kenmerkend voor spondylitis ankylopoetica = M. Bechterwew (SpA) Bamboo spine, ankyloserende wervelkolom met syndesmofyten
Oorzaak van reactieve artritis = syndroom van Reiter Auto-inflammatoire, steriele artritis die immunologisch wordt uitgelokt door een infectie - Gastroinstinaal: Campylobacter, Salmonella, Shigella - Urogenitaal: Chlamydia, Gonorroe
Symptomen van reactieve artritis = syndroom van Reiter Conjunctivitis + urethritis + artritis Ezelsbruggetje: can't see, can't pee, can't climb a tree
Kenmerkend voor artritis psoriatica - Meestal bij iemand die reeds psoriasis vulgaris heeft - Dactylitis (worstvingers- en tenen), voorkeur DIP (noduli van Heberden)
Onderscheid tussen noduli van Heberden en Bouchard o.b.v. DIP/PIP Heberden = DIP --> artritis psoriatica Bouchard = PIP --> reumatoïde artritis
Voorkeursgewrichten van jicht 1. MTP-1 (grote teen) 2. Enkel
Jichtkristal Urinezuur/uraat
Risicofactoren van jicht Man, overgewicht, alcoholgebruik, hart- en vaatziekten, rood vlees, diuretica
Extra-articulaire manifestatie van jicht Tophi en urinezuur nierstenen
Behandeling van jicht Acuut: 1. NSAID's / prednison 2. Colchicine Onderhoud: 1. Allopurinol
Voorkeursgewrichten van pseudojicht 1. Knie 2. Pols / elleboog / schouder
Pseudojichtkristal Calciumpyrofosfaat
Risicofactoren van pseudojicht Vrouw, ouderen, diuretica
Kenmerken van syndroom van Sjögren SS-A, SS-B (ezelsbruggtje: Sjögren Syndroom A en B) Xerostomie = droge mond Exocriene klieren aangedaan (ogen, speeksel- en zweetklieren)
Volgorde van verkleuring fenomeen van Raynaud Wit --> blauw --> rood
Kenmerken van ziekte van Behçet Orale en genitale aften Hypopyon (voorste oogkamer) uveïtis Erythema nodosum = ontsteking onderhuidse vetweefsel, meestal aan de schenen
Kenmerken van SLE Vlindervormig erytheem anti-dsDNA ANA Zonlichtovergevoeligheid
Kenmerken dermatomyositis Heliotrope rash = donker paars/rode uitslag op de oogleden Gottronpapels = paars/rode bulten op de knokkels, enkel, ellebogen of knieën Sterke associatie met maligniteit 5-jaarsoverleving 60%
WHO pijnladder 1. Niet-opioïden (paracetamol -> NSAIDs -> coxibs) 2. Toevoegen zwakke opioïden (tramadol) 3. Toevoegen sterke opioïden (morfine)
Werking van paracetamol Reversibele remming van COX, voornamelijk in CZS, niet anti-inflammatoir
Bijwerking paracetamol Hepatotoxiciteit
Antidotum paracetamol N-acetylcysteïne
Bijwerking opiaten Ademdepressie
Antidotum opiaten Naloxon
Antidotum benzodiazepines Flumazenil
Afkorting SABA / LABA Short/long acting beta-receptor agonist
Afkoring SAMA / LAMA Short/long acting muscarinic-receptor antagonist
Voorbeeld SABA Salbutamol, terbutaline
Voorbeeld LABA Salmeterol, formoterol
Voorbeeld SAMA Ipratropium
Voorbeeld LAMA Tiotropium
Beleid astma 1. SABA bij aanvallen 2. Indien 3 of meer aanvallen per week: onderhoudsinhalatiecorticoïden (ICS) + SABA 3. Bij geen verbetering: vervang SABA door LAMA
Voorbeelden onderhoudsinhalatiecorticoïden Fluticason, beclomethason, budesonide, ciclesonide
Cave astma en medicatiegebruik - Aspirine (vermindert prostaglandinesynthese, prostaglandines zijn bronchodilators) - Bètablokkers (zoals metoprolol, kunnen bronchoconstrictie geven)
Beleid COPD 1. SABA of SAMA (als de een niet goed werkt, schakel dan over op de andere) 2. Bij aanhoudende klachten: stap over op LABA of LAMA 3. Bij aanhoudende klachten met exacerbaties voor 1 jaar: inhalatiecorticoïd. Bij acute exacerbatie: orale corticoïdtablet
Voorbeeld osmotische diuretica Mannitol
Voorbeeld thiazide diuretica Hydrochloorthiazide
Voorbeeld lisdiuretica Furosemide
Voorbeeld aldosteron antagonist Spironolacton
Voorbeeld angiotensine II receptorblokker (ARB) Losartan
Voorbeeld triamtereen Triamtereen
Voorbeeld carbonzuur anhydrase remmers Acetazolamide
Voorbeelden kaliumsparende en niet-kaliumsparende diuretica Niet-kaliumsparend: lisdiuretica en thiazide diuretica Wel kaliumsparend: aldosteron antagonisten, ARBs, triamtereen
Vaakst toegediende renaal werkende medicatie en werking Thiazide diuretica: voornamelijk antihypertensief effect, bij hypertensie Lisdiuretica: voornamelijk diuretisch effect, bij oedeem
Aangrijppunt en effect osmotische diuretica Proximale tubulus en lis van Henle. Osmotische verhindering van terugresorptie van water en dus Na+ en Cl-. K+ wordt ook meer uitgescheiden.
Aangrijppunt en effect thiazide diuretica Distale tubulus. Remming Na+/Cl- cotransport.
Aangrijppunt en effect lisdiuretica Stijgende deel van lis van Henle. Remming Na+/K+/2Cl- cotransport
Aangrijppunt en effect aldosteronantagonisten Proximale verzamelbuis. Remt de mineralocorticoïd receptor, waardoor aldosteron minder Na+/K+ ATPases kan inbouwen.
Aangrijppunt en effect ARBs Bloedvaten, (bij)nier. Remt de angiotensine II receptor type 1 (AT-II1) → minder aldosteron.
Aangrijppunt en effect triamtereen Verzamelbuis (en distale tubulus). Blokkeert epitheliale natriumkanaal (ENaC).
Aangrijppunt en effect carbonzuuranhydraseremmers Proximale tubulus. H+ en HCO3-. Het H+ wordt apicaal uitgewisseld met Na+. Door dit te remmen: natriurese. Pas op: kans op metabole acidose. Carbonzuur anhydrase zet plasma-CO2 en H2O om in
Het dalende deel van de lis van Henle is permeabel voor (water/zout) Water
Het stijgende deel van de lis van Henle is permeabel voor (water/zouten) Zouten
Behandeling hypertensie: stap 1 Leefstijl
Behandeling hypertensie: stap 2 - Bij geen comorbiditeit, kies één: ACE-remmer, ARB, dihydropyridine, thiazide, β-blokker - Bij patiënten van West- of Zuid-Afrikaanse afkomst, kies één: thiazide, dihydropyridine - Bij comorbiditeit, zie FK
Behandeling hypertensie: stap 3 Voeg een 2e antihypertensivum toe Cave: - combinatie ACE-remmer/ARB afgeraden i.v.m. risico nierfalen, hyperkaliemie - combinatie β-blokker/diureticum geeft een verhoogd risico op het ontstaan van diabetes mellitus.
Behandeling hypertensie: stap 4 Voeg een 3e antihypertensivum toe Cave: - Zie stap 2
Behandeling hypertensie: stap 5 Verhoog doseringen
Behandeling hypertensie: stap 6 Verwijs naar specialist of voeg spironolacton of amiloride/hydrochloorthiazide toe.
Behandeling hypertensie in de zwangerschap Start één van de volgende middelen: Start één van de volgende middelen: - Methyldopa (offlabel) - Labetalol (voorkeur indien β–blokker) of metoprolol (offlabel) - Calciumantagonist (niet in het 1e trimester): nifedipine (offlabel)
Streeftensie bij hypertensie in de zwangerschap Systolisch: <160 mmHg. Diastolisch 80-100 mmHg.
Medicatie bij hypercholosterolemie - Statines (remmen HMG-CoA reductase) - Ezetemibe (vermindert enterale cholesterolabsorptie) - Galzuurbindende harsen zoals colestyramine (verlagen galzuurabsorptie)
Medicatie bij hypertriglyceridemie Fibraten (verminderen hepatische synthese van VLDL welke rijk is aan triglyceriden)
Een man bekend met een depressieve stoornis meldt zich !poliklinisch! met onvoldoende reactie op de fluoxetine. Wat is nu het gewenste beleid? Een andere SSRI starten
Medicamenteuze beleid bij unipolaire depressie 1. SSRI (fluoxetine/paroxetine) → cave: verergering symptomen in begin. 2. TCA → minder goed getolereerd dan SSRI’s.
Kenmerken directe hernia inguinalis Oudere mannen, direct door buikwand, mediaal van a. epigastrica inferior, boven ligament van Poupart
Kenmerken indirecte hernia inguinalis Jongetjes, door lieskanaal, lateraal van a. epigastrica inferior, boven ligament van Poupart
Kenmerken hernia femoralis Vrouwen, door femorale kanaal, onder ligament van Poupart
Kenmerken pylorushypertrofie (kinderchirurige) Jongetjes tussen 2 weken en 2 maanden oud, projectiel braken
Kenmerken Meckel-divertikel (kinderchirurige) Proximal van klep van Bauhin (40-100 cm), restant van ductus omphalomesentericus (Vitellinus)
Kenmerken ziekte van Hirschsprung (kinderchirurige) Aanlegstoornis ganglia plexus myentericus (van Auerbach) in distale colon. Uitblijven meconiumlozing eerste 48 uur postpartum.
Kenmerken omphalocele hernia (kinderchirurige) Buikwanddefect waarbij darmen/organen buiten het lichaam liggen, maar wel bedekt zijn door peritoneum Ezelsbruggetje: de O is gesloten (dus organen omvat)
Kenmerken gastroschisis hernia (kinderchirurige) Buikwanddefect waarbij darmen/organen buiten het lichaam liggen, maar niet bedekt zijn door peritoneum Ezelsbruggetje: de G is open (dus organen niet omvat)
Locatie van galsteenobstructie bij pancreatitis Papil van Vater
Risicofactoren van aneurysma aorta abdominalis (AAA) Hypertensie, atherosclerose, bindweefselziekten (bv. Marfan, Ehlers-Danlos)
Indicaties voor chirurgie bij aneurysma aorta abdominalis (AAA) Man: 5.5 cm of groter in diameter Vrouw: 5.0 cm of groter in diameter Ook als >0.5 cm groei in 6 maanden Jaarlijkse screening middels echografie, zo nodig EVAR.
Locatie en beleid van aortadissectie Stanford type A = De Bakey type I+II Proximaal van a. subclavia sinistra (met evt. uitbreiding naar distaal), spoedchirurgie gezien mortaliteit 1-2% per uur de eerste 24-48 uur
Locatie en beleid van aortadissectie Stanford type B = De Bakey type III Distaal van a. subclavia sinistra, conservatief
Spieren van de rotator cuff Supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis
Aanhechting van spieren van de rotator cuff Tuberculum majus: supraspinatus, infraspinatus, teres minor Tuberculum minus: subscapularis
Functie van de rotator cuff Stabiliseren van het schoudergewricht (glenoïdkom is ondiep)
Kenmerken van schouderluxatie 95% anterieur (indien posterieur meestal door epileptisch insult), risico op letsel van n. axillaris waarbij zwakte van m. deltoïdeus
Kenmerken van supraspinatuspeestendinitis Veel voorkomend, pijn bij abductie (low painful arc, tussen 60-120 graden) Low painful arc kan ook voorkomen bij impingement
Kenmerken van acromioclaviculaire (AC) pathologie (e.g. luxatie) Pijn bij abductie (high painful arc, vanaf 160 graden)
Welke percentages horen bij het totaal verbrande lichaamsoppervlak van volwassenen? Hoofd 9%, romp voor 18%, romp achter 18%, per arm 9%, per been 18%, genitaliën 1%
Welke percentages horen bij het totaal verbrande lichaamsoppervlak van kinderen? Hoofd 18%, romp voor 18%, romp achter 18%, per arm 9%, per been 14%, genitaliën 1% (dus 4.5% per been naar het hoofd in vergelijking met volwassenen)
Kenmerken eerstegraads brandwond Epidermis, erytheem, pijnlijk, intacte capillaire refill (<3 sec), spontaan herstel na 1 week
Kenmerken tweedegraads oppervlakkige brandwond Deels door dermis, bullae (blaren), nat aspect, pijnlijk, intacte capillaire refill (<3 sec), spontaan herstel na 2-4 weken
Kenmerken tweedegraads diepe brandwond Deels door dermis, bullae (blaren), nat aspect, verminderd pijnlijk, vertraagde capillaire refill (>3 sec), antimicrobiële crème en chirurgie
Kenmerken derdegraads brandwond Bereikt subcutis, donker, leerachtig, bleek, vettig, ongevoelig voor pijn, afwezige capillaire refill, geen spontaan herstel, antimicrobiële crème en chirurgie
Cross-bridge cycle stap 1 Myosinekop met ATP is los van actine (lage energie)
Cross-bridge cycle stap 2 ATP wordt omgezet in ADP + fosfaat → myosinekop 'spant zich op' (hoge energie)
Cross-bridge cycle stap 3 Calcium komt vrij, bindt aan troponine → tropomyosine verschuift van actine af → myosine bindt aan actine
Cross-bridge cycle stap 4 Fosfaat laat los → myosine trekt aan actine (power stroke) → spiercontractie vv
Cross-bridge cycle stap 5 ADP laat los, nieuw ATP bindt → myosine laat los. Cycle herhaalt als calcium (en ATP) hoog blijft
Created by: s3330877
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards