click below
click below
Normal Size Small Size show me how
cardiologie
| Question | Answer |
|---|---|
| 5 eigenschappen van hartspieren | pacemakercellen dragen niet bij aan contractie, intercalated disks geven kracht door tussen cellen, kleine sarcoplasmatische reticulum ivm hoge afhankelijkheid extracell Ca2+, grote mitochondria, refractie periode eindigt bijna tegelijk met AP. |
| wat bepaald de kracht van de contractie van een hartspier? | Ca2+ levels en sacromeerlengte |
| myocardiaal actie potentiaal 4 fasen | piek -> door open Na+ kanaal vanaf -60mV tot +20mV plateau -> verminderde K+ permeabiliteit, verhoogde Ca2+ permeabiliteit depolarisatie -> tegenovergesteld van plateau rust membraan potentiaal -> -90 mV |
| Wat zijn Funny currents en kanalen | Na/K kanalen die opengaan bij -60mV, bij negatieve membraanpotentialen Na influx > K efflux. Bij positieve potentiaal sluiten If -> Ca2+ kanalen gaan open |
| Beschrijf de 5 fasen van de cardiale circel | 1. laat diastole-> kamers en boezems relaxed, passieve vulling ventrikels 2. atriale systole 3. isovolumetrische ventriculaire contractie -> contractie van ventrikels zonder dat kleppen opengaan 4. ventriculaire ejectie 5. isovolumetrische relaxatie. |
| Wat en hoeveel zijn de eind diastolische EDV en eind systolische ESV volumes? wat is het strookvolume | EDV: maximale hoeveelheid na diastole 135mL ESV: hoeveelheid bloed die achterblijft na contractie: 65mL. SV = EDV - ESV = 70-100mL |
| autonome controle | PNS: Ach op muscarine receptoren -> meer K+ influx, minder Ca2+ efflux -> hyperpolarisatie cel ->HR omlaag SNS: (nor)epinefrine op B1 receptor - meer Na + Ca2+ influx -> snelle depo -> HR omhoog - phospholamban -> meer Ca2+ in SR + snellere Ca uit cyto |
| wat beïnvloed strookvolume | veneuze terugstroom: 1. contractie venen, 2. druk in abdomen bij in en uitademing, 3. SNS. |
| Effect K en Ca overschot en onderschot | K: - Overschot: vertraagde HR, AV blokkade door verlaagde RMP Ca: - Overschot: spastische contractie - Onderschot: zelfde effect als K overschot. |
| impuls afgifte/min van sinus, av en purkinje | Sinus: 70-80, daar komt bij dat de Sinus sneller weer kan dischargen dan de AV en purkinje. AV: 40-60 Purkinje: 15-40 |
| Stokes Adam | bij een totaal AV blok worden de purkinje vezels niet meer geoverstimuleerd door de sinus knoop en zitten ze 5-20sec in een onderdrukte staat voordat ze zelf automatisch gaan kloppen. De patient valt dan flauw. |
| waarom depolariseert endocardium (septum) trager dan de ventrikels | hoge bloeddruk in de ventrikels beperkt bloedstroom naar het endocardium, daarom depolariseert de ventrikel sneller dan het endocardium. |
| leg uit bij welke aandoeningen de hartas verschuift | bij een naar links getild hart -> verschuiving naar links, bij linker hypertrofie -> verschuiving naar links Bundeltakblok -> normaal heffen beide takken elkaar op, bij een LBTB of RBTB schuift de hartas naar de tak die geen blok heeft. |
| reden voor verhoogde of verlaagde voltages in het ECG | Verhoogd: hypertrofie Verlaagd: oude infarcten (+verlengd QRS), amyloidosis, pericardiaal vloeistof, pleurale effusie, pumonaire emfyseem. |
| onderverdeling Acuut Coronair Syndroom | STEMI: ECG -> ST elevatie, verhoogde tropo's NONSTEMI: verhoogde tropo's IAP: geen verhoogde tropo's? |
| DD bij cardiogene shock | Intrinsiek Ischemie (NSTEMI/STEMI) Ritme/geleidingsstoornis anatomisch zichtbaar: Papillairspier/ventrikelseptum/vrijewand ruptuur cardiomyopathie pericarditis/tamponade longembolie |
| Beleid bij cardiogene shock | CCU: - bij geen longstuwing -> 250cc ringers + herevaluatie - O2 - Iotrope middelen: dobuta MAP 60-65mmhg anders + norepi - bij ischemie: PCI |
| DD acuut hartfalen | LW: anafylaxie, Corpus Alienum INF: pneumonie, sepsis PUL: pneumoth, embolie, astma, COPD, ARDS, Co-intox COR: decompe + longoedeem, harttampona, aritmie, ACS Cere: CVA Psycho: paniek/hypervent |
| 3 fasen van bloestolling | primaire hemostase: trombocytenprop secundaire hemostase: fibrine-netwerk fibrinolyse: afbraak fibrinenetwerk |
| beschrijf de eerste fase van de bloedstolling | trombocyt activatie door beschadigde wand -> aggregatie + activatie (vWf) -> stollingspromotie door tromboxaan A2, ADP, serotonine + glycopro 2B/3a |
| beschrijf de tweede fase van de bloedstolling | tissuefactor aan opp endotheel -> binding bloed + factoren -> activatie -> lever productie |
| bbeschrijf de derde fase van bloedstolling | plasminogeen activatie -> plasmine -> afbraak fibrine |
| Virchow trias | verhoogde stolbaarheid bloed, vertraagde bloedstroom, beschadiging vaatwand |
| onderverdeling antitrombotica | direct werkende: heparine indirect werkende: vit K, coumarine DOAC's trombocytenaggregatieremmers |
| Arteriele trombose ontstaan en behandeling | onderbreking endotheellaag -> trombocyten, weinig fibrine (hartinfarct). Behandeling: trombo-aggregatieremmers (ASA, clopi, dipyridamol) |
| ontstaan en behandeling van veneuze trombose | oorzaak: circulatoire stase-> ery, fibrine, weinig tromo behandeling: coumarinederivaat (vit-K anta), acenocoumarol, heparines, DOAC's (dabigatran, apixa, edoxa, rivoraxa) |
| soorten trombocytenaggregatieremmers en werking | ASA: remt prostaglandine trom A2 door binding Cyclo-oxy, irre (10 dagen) CLOPI: irr ADP blokkade -> GP2b/3a remming (10 dagen) TICA: rev, P2Y12 -> plaatjes agg + acti remming (7uur) -> bloedingen, interactie met cortico, ssri, nsaids |
| werking van vit K antagonisten/coumarine | Remmen stollingsfactoren 1972 -> fibrine vorming. Acenou: werkt enkele dagen CHADVASC2 bij afib |
| Heparines en LMWH | Heparine: activeert anti-trombine 3 -> geen secundaire stolling -> APTT |
| DOAC's soorten en werking | Dabigatran: 80% nierklaring,t1/2 = 14 uur Rivaroxaban: 33% nier, t1/2 = 5-9 uur Apixaban: 27% nier, 12 uur Edoxaban: 35% nier, t 14 uur. |
| soorten diuretica en werking | Lisdiuretica: remming Na/K/2Cl co tranpsort -> meer Na in distale tublus -> verhoogde Na/K transport met K uitscheiding Thiazide: remming Na/Cl in distale tubules -> meer Na aanbod sitale tubule K+ sparend: aldosteron R binding -> minder Na/K uitwissel |
| soorten Beta receptoren en hun functie, wat is het verschil tussen specifiek en non-specifiek | B1: pacemaker en spiercellen van het myocard. sympatholytica zorgen voor chronotropie (HR) en inotropie (contractie hart) en dromotropie (beter geleiding) B2: gladde spiercellen LW en hart. vasodilatatie, luchtwegverwijding, reflectoire tachycardie op BP |
| Doel beta blokke | verbetern ventriculaire vulling tijdens diastole en verminderen ischemie |
| alfa blokkerende sympathicolytica | hypertensie en mictieklachten. Relaxatie gladde spieren prostaat en urinewegen. Verwijding van arteriolen en venen -> BP daling. |
| Indicatie van beta blokkers | AF, hypertensie, HF, secundaire preventie na MI. |
| Calcium antagonisten, verschil tussen dihydropyridines en non-dihydropiridines | dihydropiridines: gladde spiercellen relaxatie -> verlaagde arteriele vaattonus, BP verlagend. non-dihydropiridines: vooral effect op het hart. |
| RAS-remmer, wat is het, wat is het effect | Renine angiotensine remmer-> zelfde effect als ACE remmer. Alleen zit raas hoger in de feedback loop -> meer bijwerkingen. RAAS: meer aldosteron -> H2O & Na+, K verlies, vasoconstrictie |
| Hartglycosiden (digoxine), effect | Effect: vergrote contractiekracht hart, verlaagde HR, vertraagde AV geleiding. BW: hypokal, nierfunctieverlies, verhoogd risico op ritmestoornissen |
| onderverdeling hypertensie | Renaal: a. ren stenose, parenchymateuze nierafwijking Endocrien: te veel mineraalcortico, glucocortico, catecholamines Overige: coarct aorta, medicamen, alcohol, drop |
| behandeling hypertensie | essentiële: diureticum/ca-anta/ace/arb ->duo therapie -> triple negroïd: ca/diure -> duo HF: ace/arb + beta + diur -> + spironolacton AF: pols > 100: beta + ace/arb of ca + antistolling pols < 100: ace.arb + caant + antistolling |
| onderverdeling stabiel coronair hartlijden | SAP: inspanningsgebonden, verdwijnd < 15 min Microvasculaire angina: hartlijden met normale coronairen Prinzmetal angina: angina door coronairspasen |
| Beleid bij stabiel coronair lijden | SAP: tropo/CK-MB, lipiden -> beta + langwerkende nitraten + statine + ASA MIA: ,, + beta + ca anta + nicorandil PA: holter + ca anta |
| Onderverdeling surpaventriculaire ritmestoornissen | AF/AFlu: carotismassage, valsalva, anti aritmica I en III + beta + chadvasc Atach: carotis/valsalva, anti aritmica I + adenosine AVRT/AVNRT: ,, + anti aritmica I t/m IV daarna digoxine AVjunctachy: anti artimica I, II, III |
| Soorten anti-aritmica klassen | I: Na+ block -> IA: quinidine , IB: lido, IC II: Beta block: -lol III: K kanaal block: amiodaron, sotolol IV: Ca2+ kanaal block: verapamil V: acute: Adenosine acute SVT Digoxine AF rate-control Mg torsades de pointes Atropine → bradycardie |
| WPW | accessoire bundel tussen atria en ventrikel |
| welke klasse aritmica bij AF, SVT, VT | AF: Beta, bij HF:digoxine, amiodaron voor ritme controle SVT: Adenosine daarna B of verapamil VT: amiodaron |
| Soorten ventriculaire ritmestoornissen | fibbrilleren: 400-600BPM door chaotische ontlsading cardiomyocyten vaak na MI, < 48 uur -> defib flutter: 150-300 BPM, re-entry -> cardioversie VT: 110-250BPM, ectopische focus, cardioversie Torsade de pointes: 150-300BPM, QT^ re-entry, onderliggende b |
| Infectieus endocarditis | Staphylococcus aureus, viridans. LO: koorts, splinterbloedingen, janeway leasies, souffle. B: IV AB. |
| Infectieuze pericarditis | Viraal, vaak bij immunoproblematiek. Scherpe thoracale pijn, meer pijn bij liggen en inademing, afname foetushouding. |
| NYHA klassen | I: asymptomatisch II: dyspneu bij forse inspanning III: dyspneu bij matige inspannig IV: dyspenu in rust |
| Sinusarrest en SA block | SA block: PQRST ontbreekt, pauze is veelvoud van RR Sinusarrest: PQRST, pauze is 1.5xRR |
| Pacemaker codes: A/V/D A/V/D 0/T/I/D 0/P/M/R 0/P/S/D | A: atrium V: ventrikel D: dual T: triggering, er wordt gepaced I: inhibitie, er wordt niet gepaced D: dual triggering of inhibitie P: programeerbaar M: multiprogrameerbaar R: frequentie modulatie P: anti tachycardie pacing S shock (ICD) D: P+S |
| Pacemaker defecten: undersensing, oversensing, non-pacing, malpacing | U: geen detectie van impulsen, pacemaker vuurt onterecht -> moet gevoeliger worden O: te sterke detectie van impulsen, vuurt te weinig of onjuist NP: geen stroom opwekken of afgeven M: te kleine prikkel |
| Waarbij wordt welke soort antiaritmica voorgeschreven IA/B/C = Na block, II = betablock ,III K+ block, IV = Ca2+, V overige. | IA: werken op A en V, niet op AV knoop IB: werken op ischemisch myocard, niet voor atriale aritmie IC: SV ritme, alleen bij geen ACL/HF/LVdys II: remmen AV. bij AF, niet bij brady III: Verlengde repolarisatie AF, VF IV: negatief ino dus niet bij HF. |
| antiaritmica beslisboom | 1. AF: betablokker 2. SVT: adenosine, daarna betablokker 3. VT: stabiel: amiodaron, instabiel cardioversie 4. structureel/HF: amiodaron |
| wat is amiodaron en wat doet het? | Klasse III anti-aritmica. Verlengt de refractionaire periode atria, av, his en purkinje -> verhoogde drempelwaarde. Werkt 15 min. Nooit bij 2e/3e grd AV. |
| behandeling ventriculaire aritmie SVT Bradycardie | VA: amiodaron, betablokker, verapamil. lange termijn: ACE, aldosteron, beta blokker, sglt2 SVT: adenosine-> verapamil/beta blokker. Brady: atropine, isoprenaline. |
| Behandeling bij hartfalen | Vochtbeperking (1500-2000cc/24u), zoutbeperking Volumebeperking middels diuretica Fantastic 4: beta, sglt2, MRA aldosteron (spiro), ARNI (valsartan) of ACE2 |
| symptomen laag hartminuutvolume | Bleek/koud/cyanose/gemarmerde huid/suf/verward/angst/oligurie/hypotensie/tachycard/bradycard |
| Tekenen verhoogde vullingsdrukken | 1. pulmonale veneuze stuwing: dyspneu, orthopneu, hoestprikken zonder sputum, hypertenvilatie etc, vermoeid, halsvenen 2. systemische veneuze stuwing: bovenbuikpijn, oedeem, nycturie, gewichtstoename bij minder eten, vermoeid, ascites |
| Vertakkingen LCA en RCA | LCA< LAD+circumflex. LAD< 2diagonale en 1 septaal. Circumflex-marginal branches (M1,M2) RCA: < acute marginale tak (AM) + av node tak + posterior descending artery (PDA) |
| WHO klassen pulmonale hypertensie | PAH: arteriële vernauwing -> erfelijk, medicatie, sle, hiv etc PH bij linkerhartaandoeningen -> lV probleem PH bij longaandoeningen -> COPD en longfibrose PH bij verstopping longslagaders -> bloedproppen/andere afsluitingen PH idiopathisch |
| fantastic 4 bij hartfalen | 1. Betablokker 2. SGLT2: dapagliflozine en empagliflozine 3. MRA aldosteron-anta: spiro en eplerenon 4. ARNI/ACE: verapamil, lisinopril |
| Golden 5 ACS | 1. DAPT (asa + p2y12) 2. Anticoagulans hepa of lmwh 3. betablokker 4. statine 5. ace-remmer |
| ECG veranderingen bij een nstemi | ST-depressies >0.5mm en >2 afleidingen T-top inversie (meestal V2-V6) Zowel ST depressies als T-top inversies die komen en gaan zijn een hoog risico nstemi |
| hoe werkt ST elevatie? | bij ischemie krijgen de cellen te weinig zuurstof, atp daalt, na/k pomp faalt, k+ lekt uit de cel -> minder negatief resting membrane potential -> injury current tussen gezond en ischemisch myocard -> st elevaties. |
| injury current | de ischemische cellen hebben een rustpotentiaal van -60mV, tijdens ST horen alle cellen gedepolariseerd te zijn op -90mV -> +30mV verschil wat de st-elevatie inhoudt. |
| 4 stadia pericarditis | I: ST-elevatie in bijna alle afleidingen, behalve in AVR, V1 en III. PTa-depressie (depressie tussen het einde van de P-top en het begin van het QRS-complex) II: pseudonormalisatie III: omgekeerde T-golven IV: normalisatie |
| behandeling pericarditis | NSAID Colchicine |
| pathofysiologie van astma cardiale | 1. Linkerhartfalen → verhoogde LV-vullingsdruk → pulmonaal oedeem 2. Pulmonale sensorische prikkeling → reflex bronchospasme → piepen (astma cardiale) 3. Sympaticus / RAAS → vicieuze cirkel van vochtretentie en drukstijging |
| behandeling astma cardiale | diuretica, vasodilator bij hypertensie, o2. niet direct een ace ivm risico op hypotensie |
| Brugada criteria | 1. afwezigheid RS complex in precordiale afleidingen 2. R-S interval > 100ms in 1 afleiding 3. AV dissociatie 4. Morfologische criteria voor VT aanwezig in V1-2 en V6 -> no SVT 5. Alles nee -> morfologische criteria |
| Morfologische criteria vt bij LBTB patroon | 1. R > 40ms 2. Slurred/notched neergaand been van S gold in V1,/2 3. Begin Q tot QS > 60 ms in V1/V2 4. Q of QS in V6 |
| Morfologische criteria vt bij RBTB patroon | 1. Monofasische R of qR in V1 2. R hoger dan R' 3. rS in V6 |
| ECG veranderingen mogelijk bij NSTEMI | ST-depressies, T-top afwijkingen. |
| Nieuwe ST elevatie: | > 2.5mm in man <40jr, >2mm in man > 40 jr of > 1.5mm in vrouw ongeacht leeftijd +/ >1mm andere leads mits geen LBTB of LVH |