click below
click below
Normal Size Small Size show me how
Stack #4558258
| Question | Answer |
|---|---|
| Wat is de meest betrouwbare indicator van perfusie? | Urine-output meten met blaaskatheter |
| Wat is het meest betrouwbare vroege teken van acute verslechtering? | Een stijgende ademhalingsfrequentie (tachypneu). |
| Wat is het kenmerk van Kussmaul-ademhaling en wanneer treedt het op? | Diepe, snelle ademhaling die optreedt bij metabole acidose (bijv. diabetische ketoacidose) als compensatiemechanisme om CO₂ uit te blazen. |
| Wat is Cheyne–Stokes-ademhaling en wat zijn de oorzaken? | Periodiek adempatroon met afwisselend toenemende en afnemende ademdiepte gevolgd door apneuperiodes; typisch bij hersenstam- of cardiale aandoeningen zoals hartfalen of hersenletsel. |
| Wat is ataxische ademhaling en wat betekent het klinisch? | Onregelmatige, chaotische ademhaling met variabele diepte en frequentie, wijst op ernstige neuronale schade in de hersenstam — een teken van zeer slechte prognose. |
| Belangrijke voorspellers van moeilijke maskerventilatie: | Overgewicht of korte nek Beperkte mondopening Slaapapneu of snurken Radiatieschade of gezwellen Baard (enige modificeerbare factor) Bij 1% is maskerventilatie onmogelijk. Difficult intubation komt voor 5%, en is onmogelijk bij 0,5%. |
| Wat is een veilige ademfrequentie bij apneïsche patiënt met circulatie? | Ongeveer 10 beademingen per minuut (één elke 6 seconden). |
| Wat is het risico van te krachtig of te snel beademen met de zak? | Hyperventilatie, gastric distensie, aspiratie en barotrauma. |
| Waar staat SOAP ME voor bij luchtwegvoorbereiding? | Suction – Oxygen – Airway – Position – Monitoring/Medications – End-tidal CO₂/Equipment. |
| Vijf risicofactoren voor circulatiestilstand na intubatie: | Hypotensie (systolisch < 90 mmHg) Hypoxemie vóór intubatie Slechte preoxygenering Obesitas Leeftijd > 75 jaar |
| Waarom wordt permissieve hypercapnie soms toegestaan vóór intubatie? | Omdat behoud van oxygenatie belangrijker is dan perfecte CO₂-controle, tenzij intracraniële druk verhoogd is. |
| Fentanyl (dosis, pro's, con's) | Dosis: 0.5–2 µg/kg IV bolus, titreren Pro: Snelle werking, goede analgesie, kortdurend, omkeerbaar (naloxon) Cautions: Thoraxstijfheid bij snelle injectie, respiratoire depressie, géén amnesie |
| Midazolam (dosis, pro's, con's) | Dosis: 0.1–0.3 mg/kg IV, titreren Pro: Amnesie, kortdurend, kan continu, reversibel (flumazenil) Cautions: Trage onset voor RSII, respiratoire depressie, geen analgesie |
| Etomidate (dosis, pro's, con's) | Dosis: 0.2–0.3 mg/kg IV bolus Pro: Snelle inductie, stabiele hemodynamiek, bruikbaar bij shock en is cardiovasculair neutraal!! Cautions: Geen analgesie, myoclonieën, tijdelijke adrenale suppressie |
| Ketamine (dosis, pro's, con's) | Dosis: 1–4 mg/kg IV (of 4–10 IM) Pro: Analgesie + amnesie, sympathicus-activatie (goed bij shock), behoudt ademhaling Cautions: Hallucinaties, ↑ HR & BP (slecht bij ACS / aortastenose) |
| Propofol (dosis, pro's, con's) | Dosis: 1–2 mg/kg IV (verminder tot 20–50 % bij shock) Pro: Snelle inductie, bronchodilatie, ↓ ICP, anti-emetisch Cautions: Ernstige hypotensie, respiratoire depressie, geen analgesie |
| Succinylcholine (dosis, pro's, con's) | Dosis: 1 mg/kg IV (3–4 IM) Pro: Zeer snel, kortdurend, ideaal bij RSII Cautions: Hyperkaliëmie, maligne hyperthermie, ↑ ICP/IOP/IGP, aritmieën, myalgie |
| Succinylcholine – Contra-indicaties | Belangrijk: Vermijd bij aandoeningen met ↑ K⁺-afgifte (ACh-receptor-upregulatie): Brandwonden (> 24 u) Crush-/massatrauma (> 1 wk) Neurologische denervatie (CVA > 24 u, MS, GBS, dwarslaesie) Myopathie Langdurige immobilisatie / mechanische ventilatie |
| Wat zijn de belangrijkste nadelen van propofol bij kritieke patiënten? | Het veroorzaakt sterke hypotensie door: Systemische vasodilatatie Onderdrukking van het baroreflexmechanisme Hierdoor daalt de hartfrequentie onvoldoende om de bloeddruk te compenseren. |
| Wat maakt propofol tot een geschikt inductiemiddel bij electieve intubaties, astma of neurologische patiënten? | Propofol is een krachtig hypnoticum met snel begin (20–30 s) en korte duur. Het verlaagt de intracraniële druk (ICP) en bronchodilateert |
| In welke situaties is ketamine af te raden ondanks zijn voordelen? | Ketamine verhoogt hartfrequentie, bloeddruk en myocardiale zuurstofbehoefte, dus het is ongeschikt bij: Aortastenose (waar tachycardie de vulling schaadt) ACS)of ernstige ischemische hartziekte |
| Wat is de belangrijkste bijwerking van etomidate bij herhaald of langdurig gebruik? | Adrenale suppressie: etomidate remt synthese van cortisol Langdurig gebruik kan leiden tot hypotensie, refractaire shock of verminderde stressrespons. Dus alleen inductie, niet voor continue sedatie. |
| tidal volume tidal volume hoe hoog? | (6 mL/kg ideal body weight??? |
| pulsus paradoxus = | verschil van 10mm Hg in systolische bloeddruk bij diepe inspiratie → hypovolumie, constrictieve pericarditis, tamponade, astma en COPD. |
| Wat is de gebruikelijke PEEP-instelling? | 5–15 mmHg, maximaal 15–20 mmHg. |
| Laryngoscopische intubatie is moeilijk bij 5% van de populatie en onmogelijk in 0,2-0,5%. → Risicofactoren: | Mallampati classificatie 3-4, leeftijd >57, verminderde kaak protrusie, kleine mond opening, verminderde nek mobiliteit, man en snurken |
| Welke LM-maat gebruik je bij verschillende patiëntcategorieën? >30kg, volwassene grote volwassnee. | 30 kg → LM 3 Normale volwassene → LM 4 Grote volwassene → LM 5 |
| Wat is het maximale cuffvolume bij LM-maat 3, 4 en 5? | LM 3 → 20 ml LM 4 → 30 ml LM 5 → 40 ml |
| Welke hemodynamische veranderingen treden op na intubatie en beademingen waardoor ontstaan ze? | sympathische stimulatie --> hypertensie en tachycardie. Daarna door positive druk ventilatie een toename van intrathoracale druk, --> veneuze return daalt,--> verminderde cardiac output en uiteindelijk hypotensie, aritmie of zelfs hartstilstand. |
| lidocaine spray max dosering | niet meer dan 4 mg/kg (max 300 mg) geven i.v.m. snelle opname via de luchtweg mucosa. |
| Succinlcholine kan maligne hyperthermie veroorzaken. wat is het antidote? | dantroleen 3 mg/kg. |
| Rocuronium , CI? eigenschappen? | 0,6-1.2 mg/kg i.v. bolus, werkt snel en duurt gemiddeld o Weinig contra-indicaties of bijwerkingen o Langere duratie, te couperen met sugammadex |
| Wat is de betekenis van TTM na reanimatie? | Targeted Temperature Management — gecontroleerde afkoeling tot 32–36 °C om hersenschade te beperken. Minimaal 24 uur, gevolgd door langzaam opwarmen. |
| Waarop moet je letten bij glucose tijdens TTM? | Zowel hypo- als hyperglycemie moeten vermeden worden, omdat ze de neurologische uitkomst verslechteren. |
| Wat is het doel van end-tidal CO₂-monitoring tijdens reanimatie? | Beoordelen van de effectiviteit van borstcompressies en vroegtijdige herkenning van ROSC. effectieve borstcompressie: ≥ 10–20 mmHg (1,3–2,6 kPa). |
| Wat betekent een plotselinge stijging in end-tidal CO₂ tijdens reanimatie? | ROSC |
| Wat is het gewenste CO₂-doel na reanimatie? | Normocapnie: PCO₂ tussen 38–42 mmHg. |
| Wat zijn de belangrijkste oorzaken van respiratoir arrest bij beademde patiënten, vooral bij bradycardie of asystolie? | Mogelijke oorzaken zijn: Barotrauma of (spannings)pneumothorax Ventilatoire disconnectie Tubeproblemen, zoals dislocatie of obstructie (slijmplug, bijten op de tube) — dit geeft meestal geen hypotensie. |
| Hoe maak je onderscheid tussen acuut en chronisch respiratoir falen (ARF)? | Respiratoir falen is chronisch wanneer de nieren het verhoogde CO₂ proberen te compenseren door bicarbonaat (HCO₃⁻) vast te houden. Bij acuut respiratoir falen is die renale compensatie nog niet opgetreden. |
| Wat zijn de belangrijkste oorzaken van hypoxemie | Hypoxemie ontstaat door verminderde oxygenatie van het bloed, bijvoorbeeld bij: - Acute longschade - Longoedeem of shuntvorming |
| Wat zijn de belangrijkste oorzaken van hypercapnie? | Hypercapnie ontstaat door onvoldoende alveolaire ventilatie, bijvoorbeeld bij: - Airflowobstructie (zoals bij COPD of astma) - Centrale ademhalingsdepressie - Neuromusculaire zwakte (zoals bij Critical Illness Polyneuropathie, CIPN) |
| De P/F-ratio is de verhouding tussen: | PaO₂ = arteriële zuurstofdruk (in mmHg of kPa) FiO₂ = fraction of inspired oxygen, dus de ingeademde [02] (in decimale vorm, bv. 0,21 voor KL). Het vertelt je hoe goed de longen zuurstof overbrengen van de ingeademde lucht naar het bloed. |
| p;F ratio normaalwaarden: | Normaal: > 400 mmHg Licht verlaagd: 300–400 → milde oxygenatiestoornis Matig verlaagd: 200–300 → matige stoornis Ernstig verlaagd: < 200 → ernstige stoornis |
| Wat is de meest voorkomende oorzaak van hypoxemie? | (V/Q) mismatch of shunt-effect, waarbij delen van de long wel doorbloed maar niet goed geventileerd zijn (zoals bij atelectase, pneumonie, aspiratie of longoedeem). Hierdoor bereikt te weinig zuurstof het bloed → hypoxemie. |
| Definitie ARDS: | Start binnen 7 dagen na verergerende symptomen • Bilaterale diffuse alveolaire afwijkingen op x-thorax of CT thorax • P:F <300 (mild = 201 tot 300) (gemiddeld = 101-200) (ernstig is <100) → gemeten bij minimum PEEP met CPAP bij 5cm H2O |
| Wat meet de Oxygenation Index (OI)? | De OI is een maat voor hoe moeilijk het is om voldoende zuurstof in het bloed te krijgen, rekening houdend me druk en zuurstof. Hoe hoger de OI, hoe slechter de oxygenatie — want meer druk en zuurstof nodig om PaO₂ te bereiken. |
| Wat betekenen NIP en FVC, en wanneer moet je overgaan tot intubatie? | De negatieve inspiratoire druk (NIP) meet de inademingsrkracht; normaal –80 tot –100 cmH₂O. FVC meet de ademhalingsreserve; ± 4–5 liter. Wanneer de NIP minder negatief wordt dan –30 cmH₂O of de FVC daalt tot < 15 ml/kg (of < 1 L), --> spierfalen |
| Wat gebeurt er met het sympathisch zenuwstelsel bij zuurstoftekort? | Bij hypoxemie komt adrenaline en noradrenaline vrij, wat leidt tot tachycardie, hypertensie en zweten (diaforese). Dit is een stressreactie om meer zuurstof naar vitale organen te sturen en zijn vroege tekenen van respiratoire stress. |
| Contra-indicaties NIPPV: | • Cardiale / respiratoire arrest, pH <7.10/7.20, Hemodynamisch instabiel, Patient die zijn luchtweg niet vrijhoudt, Slechte respiratoire drive/ apneus, Braken, tractus GI bloeding, pulmonaal secreet, Trauma/brandwonden gelaat, Agitatie. |
| NPPV = IPAP + EPAP | Non-Invasive Positive Pressure Ventilation — oftewel niet-invasieve beademing met positieve. Combineert: PSV – Pressure Support Ventilation → Ondersteunt de inademing. en soort non invasive PEEP (CPAP): luchtwegen open tijdens de uitademing. |
| wanneer Hoge ScvO₂ (>80%) maar toch zorgwekkend? | De weefsels nemen géén zuurstof op (bijv. bij sepsis, mitochondriale disfunctie, cyanidevergiftiging). Of er is shunting: bloed stroomt langs de capillairen zonder uitwisseling. |
| Wat meten SvO₂ en ScvO₂, en wat zijn de normale waarden? | SvO₂ (gemengde veneuze O₂-saturatie) > 65% ScvO₂ (centrale veneuze O₂-saturatie) > 70% Laag → te weinig aanbod of verhoogd verbruik (shock, anemie, lage CO). Hoog → verminderde O₂-opname door weefsels (bijv. sepsis, mitochondriale disfunctie, shunt). |
| Waarop moet je letten bij het interpreteren van een saturatiemeting (SpO₂)? | SpO₂ van 92% ≈ PaO₂ 60 mmHg |
| Saturatie verstoorende factoren: | Donkere huid (streefwaarde ≥ 94%), nagellak, nepnagels Hypothermie, hypotensie, anemie, hyperlipidemie, tachycardie Fel licht, slechte sensorplaatsing, beweging Propofol of lipide-infusies → vals hoge waarden Carboxyhemoglobine → geeft vals hoge SaO₂ |
| Wat is arteriële cannulatie en wanneer gebruik je het? | Een arteriële lijn meet de bloeddruk continu en direct via een katheter in een arterie (meestal radialis of femoralis). Indicaties: vasopressoren, instabiele patiënten, of frequente bloedafname. |
| Wat betekent underdamped vs. overdamped bij arteriële curven? | Underdamped: scherpe pieken, overschat systolische druk (meestal signaalstoring). Overdamped: afgevlakte curve, onderschat systolische druk (vaak luchtbellen). |
| Wat betekent “vochtresponsief”? | De CO of het slagvolume stijgt ≥10–15% na vochttoediening of passieve benenheffing (±300 mL extra veneus bloed). Slechts ±50% van de patiënten is vochtresponsief. |
| MUDPILES: voor verhoogde anion gap metabole acidose | Methanol • Uremia • Diabetische ketoacidose • Propofol, Propylene glycol, paracetamol • Iron • Lactaat • Ethanol • Starvation ketoacidose, salicylate. |
| oorzaken metabole acidose | Ontstaat door een toename van een endogeen zuur dat de renale productie overschreid (ketoacidose, lactaatacidose), exogeen zuur (toxine ingestie), excessief verlies van bicarbonaat (diarree, braken) of verminderd renale excretie van zuur (nierfalen). |
| hoe berken je de anion gap | AG = Natrium+ – (Chloor- + HCO3-) Metabole acidose met een normale AG wordt vaak een hyperchloremisch acidose genoemd vaak veroorzaakt door gastrointestinaal verlies of renaal verlies van HCO3 of door het geven van te veel NaCl. |
| HARD UP: voor normaal anion gap metabole acidose | • Hyperchloremie • Acetazolamide • Renale tubulaire acidose • Diarree • Ureteroenterostomy • Pancreatico-enterostomie |
| Metabole alkalose kan j eop verdelen tussen | Chloride responsief (meest voorkomend) vs niet chloride responsief. → kan onderzocht worden met urine chloride. |
| veel voorkomende oorzaak van hypochloremische metabole alkalose. | Diuretica gebruik |
| 4 categoriën van shock (en wat er onder valt) | Hypovolemisch (Hemorrhagisch /Non-hemorrhagisch (brandwonden, GI-verlies) Cardiogeen (Ischemisch/ Acute klep dysfunctie/Aritmie) Distributief (Septisch/Anafyl/NeurogeenAdrenale crisis) Obstructief (LE/ Spanningspneu/ tamponade/ Constri pericarditi |
| Veel voorkomende oorzaak cardiogene shock | Anterieur myocardinfarct |
| wat is Dobutamine | Dobutamine is een inotroop middel dat de contractiliteit verhoogt → slagvolume stijgt → CO stijgt. Soms kan het reflexmatig de SVR iets laten stijgen of juist dalen, afhankelijk van de patiënt. Belangrijkste doel: CO en weefselperfusie verbeteren. |
| Hoeveel vloeistof geef je bij sepsis als eerste resuscitatie? | Start met 30 mL/kg kristalloïde oplossing, daarna bolussen afhankelijk van CO, MAP en perfusie. |
| Wat doe je als hypotensie blijft bestaan (MAP < 65 mmHg) na vulling bij sepsis? | Start noradrenaline (eerste keus vasopressor). Indien refractair: vasopressine of adrenaline toevoegen. |
| Obstructieve shock wat absoluut niet geven? | Diuretica en venodilatoren |
| wat doen Inotropica? | verhoogd cardiale contractiliteit |
| Norepinefrine (noradrenaline): wanneer, hoe, effect en cave | Eerste keus bij septische shock. Sterke α-vasoconstrictor, lichte β₁-inotroop. Start: 0,05 µg/kg/min → titreren. Kan CO doen dalen (afterload ↑ en BD), verbetert renale perfusie. |
| Dopamine: wanneer, hoe, effect en cave | Niet aanbevolen bij septische shock. Dosisafhankelijk effect: 1–5 µg/kg/min → inotroop, ↑ urineproductie (geen nierbescherming). 10 µg/kg/min → α-vasoconstrictie. 20 µg/kg/min geen voordeel t.o.v. noradrenaline. Cave: tachycardie, aritmieën. |
| Epinefrine (adrenaline): wanneer, hoe, effect en cave | α + β-agonist → inotroop, chronotroop, bij hoge dosis vasopressor. Start: 0,05 µg/kg/min → titreren. Kan O₂-verbruik hart verhogen → risico bij ischemie. |
| Fenylefrine (phenylephrine): wanneer, hoe, effect en cave | Pure α-agonist → arteriële vasoconstrictie. Start: 25 µg/min → titreren. Gebruik: neurogene shock of hypotensie door epiduraal. Niet gebruiken bij septische shock. |
| Vasopressine: wanneer, hoe, effect en cave | Werkt via V₁-receptoren → sterke vasoconstrictie. Vaak toegevoegd aan norepinefrine bij refractaire hypotensie. Kan CO verlagen. Geen bewezen mortaliteitswinst. |
| Dobutamine: wanneer, hoe, effect en cave | β-agonist → inotroop, verhoogt CO en SV. dosis: 5–20 µg/kg/min. RR vaak stabiel. Handig bij sepsis + hartfalen (combineer met nor voor RR). |
| Indicaties voor dialyse zijn: | extreme uremie (ureum > 50), overvulling met longoedeem, hyperkaliëmie, persisterende acidose |