click below
click below
Normal Size Small Size show me how
diag
| Question | Answer |
|---|---|
| Welke vijf clusters worden onderscheiden bij een hersenaandoening? | psychische stoornis chronische hersenaandoening die geleidelijk is ontstaan (denk aan dementie) niet-aangeboren hersenletsel (bijvoorbeeld een beroerte) slaapstoornissen een verstandelijke handicap. |
| In 1856 ontwikkelde de Duitse psychiater Ludwig Snel een zogenaamde symptoomvaliditeitstest, die bestond uit een aantal zeer gemakkelijke taken waarmee hij kon aantonen dat simulanten probeerden om opzettelijk fouten te maken op deze gemakkelijke taken. | |
| Op basis van observaties en testscores kon men gerichter de oorzaak van onderliggende factoren onderzoeken. Dit leidde tot het hypothesetoetsend diagnostisch onderzoek. | Hierbij gaat het er niet om zoveel mogelijk tests af te nemen, maar enkel die tests of onderdelen die nodig zijn om de onderzoeksvragen en -hypothesen te testen. Tegenwoordig wordt ook rekening gehouden met de ontwikkeling van een persoon en context |
| Het doel van een neuropsychologisch onderzoek (NPO) is cognitieve, emotionele en gedragsveranderingen in het (dis)functioneren van de hersenen in kaart te brengen. Hierbij zijn deze drie punten van belang: | 1) goed observeren van het gedrag en eventuele beperkingen 2) het gebruik van psychometrisch verantwoorde onderzoeksprocedures 3) het formuleren en toetsen van hypothesen aan de hand van bestaande kennis over hersenen en stoornissen. |
| In welke vier groepen zijn neuropsychologische tests in te delen? Noem bij elke groep een voorbeeld van een test. | 1) algemene niveau- en screeningtests 2) specifieke tests voor verschillende domeinen van cog 3) tests voor emotioneel functioneren, persoonlijkheid en attitudes 4) klinimetrische methoden |
| Naast de ‘standaard’-meetinstrumenten, zoals vragenlijsten en tests, kunnen aanvullend aan het NPO onderstaande drie soorten technieken worden toegepast: | 1) elektrische afleidingen (EEG) 2) structurele beeldvorming (CT en MRI) 3) functionele beeldvorming (PET, fMRI, rsMRI, DTI). |
| Multiconditionaliteit= | Testscores op een NPO worden niet alleen beïnvloed door hersenletsel, maar ook door achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, vaardigheden, motivatie, en fysieke condities, zoals vermoeidheid of pijn. Daarom niet te snel conclusies te trekken |
| Persoonlijkheidseigenschappen = | worden over het algemeen gezien als vrij stabiele en deels erfelijke kenmerken van personen die invloed hebben op hoe deze personen denken, zich voelen en zich gedragen. |
| vier temperamenten: sanguinisch (bloed), flegmatisch (slijm), melancholisch (zwarte gal) en cholerisch (gele gal). | |
| PEN-model van Eysenck | 3 factoren: extraversie , neuroticisme (versus emotionele stabiliteit) en psychoticisme + biologische grondslag voor iemands persoonlijkheid + factoren extraversie en neuroticisme gerelateerd aan het centrale zenuwstelsel |
| De lexicale hypothese vindt zijn oorsprong in Galton’s Measurement of Character (1884). | Door dus in het woordenboek die woorden op te sporen die iets zeggen over persoonlijkheid en ze vervolgens te ordenen en te classificeren, zou een persoonlijkheidsstructuur ontdekt kunnen worden. |
| Allport en Odbert (1936) zetten het werk van Galton voort en identificeerden zo'n 4.500 stabiele eigenschappen in het woordenboek. | Cattell (1943,1945) gebruikte deze inventarisatie mbv factoranalytische technieken een overkoepelende 16ph Norman (1963) voerde een nieuwe factoranalyse uit op de inventarisatie van Allport en Odbert. Hij kwam uit op vijf factoren, de zgn 'Norman Five' |
| norman five: Big Five of het Five Factor Model (FFM). Ze staan bekend als extraversie, vriendelijkheid, consciëntieusheid (of ordelijkheid), emotionele stabiliteit (of neuroticisme) en openheid. | |
| de logicafout | ofwel de neiging om gelijksoortige oordelen te geven over eigenschappen die logisch met elkaar verbonden lijken te zijn, hoewel die eigenschappen in werkelijkheid geheel los van elkaar kunnen staan |
| de contrastfout | ofwel de neiging om anderen tegengesteld aan de eigen persoon te beoordelen op een bepaalde eigenschap |
| de primacy effect | en recency-(recentheids)effecten ofwel de neiging om de eerste of juist de laatste observatie veel gewicht toe te kennen |
| de logicafout | ofwel de neiging om gelijksoortige oordelen te geven over eigenschappen die logisch met elkaar verbonden lijken te zijn, hoewel die eigenschappen in werkelijkheid geheel los van elkaar kunnen staan |
| Daarnaast hebben mensen de neiging vast te houden aan hun eerste indruk, ook als ze later informatie krijgen die daarmee strijdig is. Uit onderzoek blijkt dat psychologen in hun oordeel over de prognose worden beïnvloed wanneer ze | vrij vroeg in het diagnostische proces informatie krijgen over een ernstige stoornis. Wanneer dezelfde informatie pas later beschikbaar is, blijkt deze het beoordelingsproces niet of nauwelijks te beïnvloeden. (effect is niet bij niet-psych.) |