Save
Upgrade to remove ads
Busy. Please wait.
Log in with Clever
or

show password
Forgot Password?

Don't have an account?  Sign up 
Sign up using Clever
or

Username is available taken
show password


Make sure to remember your password. If you forget it there is no way for StudyStack to send you a reset link. You would need to create a new account.
Your email address is only used to allow you to reset your password. See our Privacy Policy and Terms of Service.


Already a StudyStack user? Log In

Reset Password
Enter the associated with your account, and we'll email you a link to reset your password.
focusNode
Didn't know it?
click below
 
Knew it?
click below
Don't Know
Remaining cards (0)
Know
0:00
Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

eli

QuestionAnswer
un sport een sport
le foot / le football het voetbal
le tennis tennis
le basket basketbal
la gym het turnen
le vélo het fietsen
la musique (de) muziek
une chanson een lied(je)
faire du sport een sport beoefenen
jouer spelen
Je joue au basket. basketbal spelen
Je joue du piano. piano spelen
Je joue de la guitare. gitaar spelen
se promener wandelen
nager zwemmen
danser dansen
chatter chatten
surfer surfen (op het internet)
bricoler knutselen
dessiner tekenen
bavarder babbelen
l’athlétisme atletiek
le badminton badminton
une BD (bande dessinée) een stripverhaal
l’équitation het paardrijden
le journal de krant
la natation het zwemmen
la piscine het zwembad
la voile het zeilen
gagner winnen
s’entraîner trainen
Au premier étage. Op de eerste verdieping.
le rez-de-chaussée het gelijkvloers
Où sont les toilettes s’il vous plaît ?
Surfer sur Internet. Surfen op (het) internet.
J’aime le/la/les… Ik hou van …
Je n’aime pas le/la/les… Ik hou niet van …
J’ai gagné ! Ik heb gewonnen!
Je fais du basket. Ik basket.
Je fais de la musique. Ik speel muziek.
Je joue du piano. Ik speel piano.
Je joue de la guitare. Ik speel gitaar.
Je joue à la balle. Ik speel met de bal.
Je joue au foot. Ik speel voetbal.
Je joue aux cartes. Ik speel met de kaarten.
à la télé op tv
une école een school
un collège een college
une école primaire een lagere school
un directeur een directeur
une directrice een directrice
un prof / une prof een leraar / een lerares
un élève / une élève een leerling/e
une matière een vak
une leçon een les
un test een toets
une interrogation een overhoring
un examen een examen
une classe een klas
un banc een bank
un bureau een lessenaar
un tableau een bord
un cahier een schrift
une feuille een blad
un livre een boek
un ordinateur een computer
un (ordinateur) portable een laptop
une photo een foto
un stylo een pen
un crayon een potlood
se concentrer zich concentreren
une gomme een gom
un mot een woord
une phrase een zin
un texte een tekst
une page een bladzijde
un devoir een huistaak
un exercice een oefening
une faute een fout
apprendre leren
lire lezen
écrire schrijven
écouter luisteren
regarder kijken
commencer beginnen
travailler werken
parler spreken
raconter vertellen
comprendre begrijpen
un avion een vliegtuig
un bateau een boot
un (auto)bus een (auto)bus
une moto een motor
le métro de metro
un train een trein
un tram een tram
un vélo een fiets
une voiture een auto
un camion een vrachtwagen
un carrefour een kruispunt
un rond-point een rotonde
un agent (de police) een politieagent
le trafic het verkeer
un embouteillage een verkeersopstopping
un hélicoptère een helikopter
conduire vervoeren naar
traverser oversteken
un aéroport een vliegveld
une gare een station
tout droit rechtdoor
à gauche naar links
à droite naar rechts
jusqu’à tot aan
au bout de op het einde van
droit devant vous recht voor u
sur votre droite op uw rechterkant
sur votre gauche op uw linkerkant
les feux (mv.) de verkeerslichten
tourner afslaan
suivre volgen
le transport het vervoer
l’arrivée (f.) de aankomst
le départ het vertrek
une avenue een (brede) laan
un magasin een winkel
un dépliant een folder
un supermarché een supermarkt
une banque een bank
une boucherie een beenhouwerij
un hôpital een hospitaal
un magasin de lunettes een brillenwinkel
une vendeuse een verkoopster
un vendeur een verkoper
une pharmacie een apotheek
une épicerie een kruidenierswinkel
une poissonnerie een viswinkel
le prix de prijs
la caisse de kassa
un euro een euro
un cent (un eurocentime) een (euro)cent
un (demi-)kilo (de) een (halve) kilo
un (demi-)litre (de) een (halve) liter
une bouteille een fles
une tranche een sneetje
un cadeau een geschenk
ouvert open
fermé gesloten
acheter kopen
vendre verkopen
payer betalen
la boulangerie de bakkerij
Je prends le bus. Ik neem de bus.
Je vais à pied. Ik ga te voet.
Je vais en avion. Ik ga met het vliegtuig.
Je vais en bateau. Ik ga met de boot.
Je vais en / à vélo. Ik ga met de fiets.
C’est en Belgique. Het ligt in België.
C’est à Paris. Het ligt / is in Parijs.
en + pays féminin in + vrouwelijk land
au + pays masculin (consonne) in + mannelijk land beginnend met medeklinker
en + pays masculin (voyelle) in + mannelijk land beginnend met klinker
aux + pays pluriel in + meervoudslanden
à + ville/village in + stad/dorp
On y va ! We vertrekken!
Où est ... ? Waar is ... ? Waar bevindt zich ... ?
Je cherche … Ik zoek …
Vous connaissez le chemin (pour aller) à … ? Kent u de weg (om) naar … (te gaan)?
Vous pouvez m’expliquer le chemin (pour aller) à … ? Kunt u me de weg uitleggen (om) naar … (te gaan)?
Prenez la première rue à droite. Neem de eerste straat rechts.
Prenez la deuxième rue à gauche. Neem de tweede straat links.
Tournez à droite. Sla rechtsaf.
Tournez à gauche. Sla linksaf.
Je voudrais … Ik wil graag ….
Ça fait combien ? Hoeveel kost het?
C’est à qui ? Aan wie is het?
C’est à moi je crois.
Ça sera tout ? Zal dat alles zijn?
Attendez je vais chercher !
Vous désirez ? U wenst?
Et avec ça ? En wat nog?
Ça fait huit euros. Het kost 8 euro.
Vous payez comment ? Hoe betaalt u?
Cash ou par carte bancaire ? Cash of met de bankkaart?
un kilo de … een kilo …
cent grammes de … honderd gram …
un agent de police een politieagent
un camionneur een vrachtwagenchauffeur
un cuisinier / une cuisinière een kok / kokkin
un(e) employé(e) een bediende
un(e) infirmier(ère) een verpleger / verpleegster
un(e) ouvrier(ère) een arbeider / arbeidster
un(e) pharmacien(ne) een apotheker(es)
un(e) vendeur(se) een verkoper(ster)
Quels sont les avantages ? Wat zijn de voordelen?
J’ai beaucoup de congés. Ik heb veel vakantiedagen.
Ce n’est pas loin de ma maison. Het is niet ver van mijn huis.
Quelle est ta profession ? Wat is jouw beroep?
Je trouve que je ne gagne pas assez. Ik vind dat ik niet genoeg verdien.
Je suis au chômage. Ik ben werkloos.
Bonjour Madame/Monsieur/Mademoiselle/Jeune Homme
À la prochaine. Tot de volgende keer.
Bonne journée. Prettige dag.
Bienvenue welkom
merci bedankt
merci beaucoup hartelijk bedankt
merci bien dank u (wel)
de rien / il n’y a pas de quoi graag gedaan
heureux heureuse
heureusement gelukkig
malheureux malheureuse
triste droevig
content contente
être fâché(e) contre quelqu’un boos zijn op iemand
sympa sympathiek
bien – mal goed – slecht
amoureux de amoureuse de
aimer houden van
adorer verzot zijn op
détester haten
Ça va ? Gaat het?
Ça va bien / mal. Het gaat goed / slecht.
Et toi / vous ? En met jou / u?
Comment ça va ? Hoe gaat het?
Salut ! Dag!
Au revoir ! Tot (weer) ziens!
À demain ! Tot morgen!
À bientôt ! Tot binnenkort!
Non merci !
Bravo ! Bravo!
C’est chouette ! ’t Is tof!
Formidable ! Geweldig!
Génial ! Geweldig!
Bon anniversaire ! Gelukkige verjaardag!
Bonne chance ! Veel geluk!
Super ! Super!
Je suis heureux / heureuse. Ik voel mij gelukkig.
J’ai peur ! Ik ben bang! Ik heb schrik!
C’est dommage mais je ne peux pas venir.
Rien à faire. Niets aan te doen.
D’accord ! Akkoord!
C’est intéressant ! Het is interessant!
Parfait ! Uitstekend!
Ce n’est pas grave ! Het is niet erg.
Tu as envie de … Heb jij zin om …
Ça te dit de … Heb jij zin om …
un légume een groente
une salade een slaatje
une laitue een kropsla
une tomate een tomaat
un poivron rouge een rode paprika
une carotte een wortel
un champignon een paddenstoel
un fruit een stuk fruit
un haricot een boon
une pomme een appel
une framboise een framboos
une fraise een aardbei
un citron een citroen
un chou-fleur een bloemkool
un melon een meloen
un pois een erwt
une poire een peer
une banane een banaan
une tarte aux fraises een aardbeientaart
une orange een sinaasappel
un kiwi een kiwi
un pain een brood
une baguette een stokbrood
un croissant een croissant
la viande het vlees
la charcuterie de fijne vleeswaren
le jambon de hesp
une tartine een boterham
la confiture de jam
le fromage de kaas
le beurre de boter
un œuf een ei
le sucre de suiker
la soupe de soep
un poisson een vis
une crevette een garnaal
le saumon de zalm
une moule een mossel
des frites frieten
une pomme de terre een aardappel
des spaghettis spaghetti
une pizza een pizza
une sauce een saus
le sel het zout
la mayonnaise de mayonaise
un dessert een dessert
une glace een ijsje
le chocolat de chocolade
manger eten
préparer klaarmaken
le vin de wijn
l’eau (f.) het water
le lait de melk
une bière een bier(tje)
une limonade een limonade
un coca een cola
un jus de fruit(s) een fruitsap
un café een koffie
un thé een thee
un chocolat (chaud) een (warme) chocolademelk
boire drinken
Je voudrais du pain. Ik zou brood willen.
Je voudrais des croissants. Ik zou croissants willen.
J’ai envie de / d’ … Ik heb zin in …
À votre santé ! Gezondheid! Proost!
un verre de / d’ … een glas …
une tasse de / d’ … een tas …
une bouteille de / d’ … een fles …
un repas een maaltijd
un petit-déjeuner een ontbijt
un déjeuner een middagmaal
un dîner een avondmaal
un menu een menu
une assiette een bord
À table ! Aan tafel!
Bon appétit ! Smakelijk!
Passe-moi la viande s’il te plaît.
une tasse een tas
un verre een glas
une fourchette een vork
une cuillère / une cuiller een lepel
un couteau een mes
un restaurant een restaurant
mettre la table de tafel dekken
débarrasser la table de tafel afruimen
avoir faim honger hebben
avoir soif dorst hebben
Encore un peu de … ? Nog een beetje …?
C’est bon ! Het is lekker / goed!
J’ai faim. Ik heb honger.
J’ai soif. Ik heb dorst.
Created by: user-1988621
 

 



Voices

Use these flashcards to help memorize information. Look at the large card and try to recall what is on the other side. Then click the card to flip it. If you knew the answer, click the green Know box. Otherwise, click the red Don't know box.

When you've placed seven or more cards in the Don't know box, click "retry" to try those cards again.

If you've accidentally put the card in the wrong box, just click on the card to take it out of the box.

You can also use your keyboard to move the cards as follows:

If you are logged in to your account, this website will remember which cards you know and don't know so that they are in the same box the next time you log in.

When you need a break, try one of the other activities listed below the flashcards like Matching, Snowman, or Hungry Bug. Although it may feel like you're playing a game, your brain is still making more connections with the information to help you out.

To see how well you know the information, try the Quiz or Test activity.

Pass complete!
"Know" box contains:
Time elapsed:
Retries:
restart all cards