click below
click below
Normal Size Small Size show me how
Eigen M1 heelkunde G
| Question | Answer |
|---|---|
| 001 Wat is de aangewezen diagnostiek bij een aortaruptuur net distaal van de a. subclavia links/onder de clavicula? | CT-angio |
| 002 Wat is de beste manier om de verdenking op een geruptureerd AAA te bevestigen? | Echo |
| 003 De a. femoralis is een voortzetting van? | a. iliaca externa |
| 004 Waar loopt de v. splenica in over? | v. porta |
| 005 Wat is geen oorzaak van een aneurysma/aortadissectie/AAA? A. Hypertensie B. COPD C. Marfan D. Alcoholabuses | D. Alcoholabuses |
| 006 Een AAA ligt meestal craniaal van de aa. Renales? A. Juist B. Onjuist | Onjuist |
| 007 Welke van onderstaande symptomen past het meest bij een geruptureerd AAA? A. Pijn tussen de schouderbladen B. Rugpijn met uitstraling in een been C. Buikpijn D. Rugpijn met collaps | D. Rugpijn met collaps (buikpijn met shock kan ook) |
| 008 Een AAA moet geopereerd worden bij een diameter van meer dan? | 5 cm bij vrouwen en 5,5 cm bij mannen |
| 009 Een ruptuur van de aorta abdominalis bloedt meestal intraperitoneaal? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 010 Wat is de meest voorkomende oorzaak voor veneuze insufficientie? A. Varicosis B. DVT C. Staand beroep D. Diabetes | B. DVT |
| 011 Welke uitspraak is juist? DVT: A. Ontstaat vooral na ingrepen in het kleine bekken B. Wordt uitgesloten door het gebruik van subcutane heparine C. Moet vaak behandeld worden met een cava-filter D. Kan goed met klinisch onderzoek worden uitgesloten. | A. Ontstaat vooral na ingrepen in het kleine bekken |
| 012 Een zittend beroep is een risicofactor voor DVT? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 013 Maligniteit is een risicofactor voor DVT? A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 014 Waar komen varices het meest vaak voor? A. Anteromediaal B. Anterolateraal C. Posteriomediaal D. Posteriolateraal | A. Anteromediaal bovenbeen (v. saphena magna), v. saphena parva geeft varices posteriolateraal in het onderbeen. |
| 015 Welk antwoord in ONJUIST? De kans op DVT wordt verhoogd door: A. Overvulling B. Maligniteit C. Hoge leeftijd D. Zwangerschap | A. Overvulling |
| 016 Ontstaan van veneuze insufficiëntie na DVT: A. Weken B. Maanden C. Enkele jaren D. Tientallen jaren | C. Enkele jaren |
| 017 De terugstroom van bloed van de VSM en VSP wordt ondersteund door spierbewegingen? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 018 In tegenstelling tot arteriële claudicatio gaat neurogene claudicatio pas over als je gaat zitten. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (arteriele claudicatio klachten verminderen bij rust (Fontaine I/II), bij neurogene claudicatio werkt dit niet) |
| 019 Hoeveel kans heeft een claudicatio patiënt op een amputatie binnen 10 jaar? | Max. 5% |
| 020 Welke bewering is juist? Pijn bij arteriële claudicatio: A. Wordt erger bij inspanning B. Gaat vaak gepaard met nachtelijke krampen C. Leidt meestal tot verlies van een extremiteit D. Is zelden alleen met een anamnese goed te duiden | A. Wordt vaak erger bij inspanning |
| 021 Waarop kan een acute arteriële afsluiting van een been lijken? A. Erysipelas B. Verlamming C. Trombose been | B. Verlamming |
| 022 In welke arterie komen aneurysmata het minste voor? A. a. femoralis B. a. poplitea C. a. iliaca communis D. a. iliaca externa | D. a. iliaca externa |
| 023 Welk uit de aorta ontspringend bloedvat kruist de v. renalis sinistra? A. a. mesenterica superior B. a. mesenterica inferior C. truncus coeliacus | A. a. mesenterica superior (voorziet jejunum, ileum, colon ascendens en colon transversum) |
| 024 Bij een man van 59 jaar met DM wordt een ulcus op de mediale malleolus waarschijnlijk veroorzaakt door: A. Veneuze insufficiëntie B. Arteriële insufficiëntie | A. Veneuze insufficientie (arterieel geeft een ulcus aan de laterale zijde van het onderbeen of aan voorvoet/tenen) |
| 025 Een ulcus op de MTP wordt veroorzaakt door: A. Trauma B. Arterieel C. Veneus D. Neuropathie | D. Neuropathie (vaak bij DM) |
| 026 Controleren of een bypass goed open is wordt gedaan met: A. Echo-doppler B. Palpatie van de vaten C. MRangio | A. Echo-doppler |
| 027 Man heeft last van kramp tijdens het lopen, bij rust verdwijnt deze weer. Pulsaties a. femoralis zijn zwak. Wat is de beste behandeling? A. Revascularisatie B. Looptraining C. Statines | B. Looptraining (bij Fontaine I/II) |
| 028 Welke bewering is juist? Claudicatio intermittens: A. Dient met revascularisatie behandeld te worden B. Kan afdoende behandeld worden met statines C. Kan vaak behandeld worden met looptraining D. Wordt altijd door een arteriële obstructie veroorzaakt | C. Kan vaak behandeld worden met looptraining |
| 029 Patient met Fontaine II heeft last van het lopen na 100 meter. Wat nu? A. Conservatief B. Angiografie C. Operatie D. Looptraining | D. Looptraining |
| 030 Man heeft last van kramp tijdens het lopen, in rust neemt de pijn niet af. Pulsaties a. femoralis zijn zwak. Welk Fontaine stadium? | Fontaine III |
| 031 Welke klachten heeft iemand met Fontaine IV? A. Geen B. Claudicatio C. Necrose | C. Necrose |
| 032 Bij een afsluiting van de a. mesenterica superior treedt ischemie op van: | Jejunum, ileum, colon ascendens en colon transversum |
| 033 Waardoor wordt een a. mesenterica superior aflsuiting (trombose) meestal veroorzaakt? | Embolie van atriumfibrilleren (75%) |
| 034 Complicaties na een a. carotis operatie hangen vooral af van? A. Stenose B. Inhechten patch C. Lokale anesthesie D. Cardiovasculair lijden voor de operatie | D. Cardiovasculair lijden voor de operatie |
| 035 Wat is de meest voorkomende oorzaak van oedeem in de enkels? A. Hartfalen B. Veneuze insufficiëntie | B. Veneuze insufficiëntie |
| 036 Nachtelijke kramp in de kuiten is een .... probleem? A. Arterieel B. Veneus | B. Veneus |
| 037 Maakt de v. saphena magna deel uit van het diep veneuze systeem? A. Ja B. Nee | B. Nee (samen met v. saphena parva is dit het oppervlakkige systeem) |
| 038 Wat is de volgorde van ontspringen uit de aorta? | Truncus coeliacus, a. mesenterica superior, aa. renales, a. mesenterica inferior |
| 039 Welk symptoom past niet bij een acute arteriële afsluiting? A. Pallor B. Paresthesia C. Pyrexia (koorts) D. Paralysis | C. Pyrexia (denk aan de 5 P's: pain, pallor, pulselessness, paresthesia, paralysis) |
| 040 Wat geeft meer klachten bij een acute arteriële afsluiting? A. Trombus B. Embolie C. Geen verschil | B. Embolie (meer plotseling dan trombus --> nog geen collateralen gevormd, waardoor meer ischemie en meer pijn) |
| 041 Welk percentage van AAA's kunnen endovasculair behandeld worden? | 50% |
| 042 Wat is de beste beeldvorming bij een AAA? A. Echo B. CT angio C. MR angio | A. Echo (in acute situatie, anders kan CT angio gedaan worden) |
| 043 Eerste keus onderzoek om een a. carotis stenose te diagnosticeren is een carotis angiografie? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (echo, CT angio of MR angio) |
| 044 De cerebrale bloedstroom neemt kritisch af als een stenose in de a. carotis het lumen vernauwt met meer dan: A. 40% B. 55% C. 70% D. 85% | C. 70% |
| 045 De INR is 4. Hoe moet dit omlaag gebracht worden? A. Novoseven infuus B. Vitamine K infuus C. Protrombine complex | B. Vitamine K infuus (Protrombine complex is voor acute behandeling) |
| 046 Welk van onderstaande bloedvaten is het meest gevoelig voor occlusie? A. tr. Coeliacus B. a. mesenterica superior C. a. mesenterica inferior | B. a. mesenterica superior |
| 047 Wat is de meest voorkomende plaats van een perifeer aneurysma? | a. poplitea |
| 048 Na een doorgemaakte DVT ontwikkelt (onbehandeld) 25% van de patiënten na 5 jaar een posttrombotisch syndroom (PTS). A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 049 De dunne darm wordt van bloed voorzien door: | a. mesenterica superior |
| 050 De familie anamnese voor een aneurysma is positief. Wat behoort niet tot de DD? A. Hypertensie B. Syndroom van Marfan C. Atherosclerose D. Angina pectoris E. Ehlers Danlos syndroom | D. Angina pectoris (factoren van invloed zijn: atherosclerose (A, roken, copd), bindweefselziekten (B & E) en familiair voorkomen) |
| 051 Een aortadissectie type A wordt behandeld met: A. Anti-hypertensiva B. Chirurgie C. Expectatief | B. Chirurgie (type B is primair medicamenteus door lager risico op pericardruptuur, harttamponade of aortaklepinsufficientie) |
| 052 Welke stollingsfactoren zijn afhankelijk van vitamine K? A. II, VII, IX, X B. II, V, IX, X C. IV, V, X, XII | A. II, VII, IX, X |
| 053 De test van Buerger is een test voor: A. Arteriële insufficiëntie B. Veneuze insufficiëntie | A. Arteriële insufficiëntie (been optillen tot wanneer dit bleek wordt, dan naast het bed hangen --> langzamer roze) |
| 054 Wat past bij arteriële insufficiëntie? A. Bij optillen van de voet wordt deze wit, bij afhangen rood B. Afhangen van de voet is pijnlijk C. Bij afhangen van de voet wordt deze wit | A. Bij optillen van de voet wordt deze wit, bij afhangen rood (bij afhangen betere perfusie door zwaartekracht) |
| 055 Een patient komt met erectieklachten en heeft geen pulsaties in zijn liezen. Welk syndroom past hierbij? A. Leriche B. Fontaine (classificatie van claudicatio intermittens) C. Courvoisier (palpabele galblaas bij pancreaskoptumor) | A. Leriche (aortoilliac occlusive disease) |
| 056 Wat is GEEN risicofactor voor het optreden van DVT en longembolie? A. Leeftijd B. Zwangerschap C. Hypertensie D. Kanker E. Proteïne-C deficiëntie | C. Hypertensie |
| 057 De luidheid van een carotissoufle zegt iets over de grootte van stenose? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 058 Wat is geen grampositieve bacterie? A. E. Coli B. Clostridium C. Listeria D. Stafylokok | A. E. Coli (gonokokken en meningokokken (Klebsiella, Proteus, Enterobacter, Yersinia, Shigella, Salmonella, H. Influenzae, Pseudomonas aeruginosa) zijn gramnegatief) |
| 059 Tot de grampositieve bacterien worden gerekend: A. E. Coli B. Stafylokokken C. Streptokokken D. Salmonella | B. Stafylokokken en C. Streptokokken |
| 060 Wat is de beste behandeling voor een Stafylokokken infectie? A. Vancomycine B. Flucloxacilline C. Floxmethylpenicilline | B. Flucloxacilline (vancomycine is laatste keus ivm resistentie, vooral bij MRSA gebruiken) |
| 061 Wat wordt niet veroorzaakt door S. Aureus? A. Furunkel (steenpuist) B. Karbunkel (groepje verbonden furunkels) C. Erysipelas (wondroos) D. Impetigo (krentenbaard) | C. Erysipelas (kan ook door S. Aureus veroorzaakt worden, maar soms) |
| 062 Wat hoort niet bij de eerste fase van wondgenezing? A. Contractie wond B. Herstructurering C. Invasie van mestcellen/macrofagen | B. Herstructurering (Fase 1: inflammatoire-, debridiments- of ontstekingsfase. Vasodilatatie, waardoor verhoogde perfusie. Permeabiliteitsveranderingen, waarbij ontstekingsexudaat vrijkomt. Chemotaxis, macrofagen fagocyteren.) |
| 063 Bij een punctie uit een abces vind je welke soort cellen? A. B-cellen B. Macrofagen C. Lymfocyten D. Granulocyten E. Neutrofielen | B. Macrofagen (zorgen voor fagocytose) |
| 064 Erysipelas bij Streptococcus Pyogenes? A. Juist B. Onjuist | A. Juist (net als cellulitis) |
| 065 Welke bacterie is niet gevoelig voor penicilline? A. Grampositief B. Gramnegatief | B. Gramnegatief |
| 066 Tot welke groep antibiotica horen Gentamycine en Tobramycine? A. Betalactamantibiotica B. Aminoglycosiden C. Chinolonen | B. Aminoglycosiden |
| 067 Welk type bacterie heeft een membraan dat primair bestaat uit lipopolysaccharide (LPS)? A. Grampositief B. Gramnegatief | B. Gramnegatief |
| 068 Wanneer u instrumentaria wilt ontsmetten tegen sporen, welke methode moet u dan toepassen? A. Sterilisatie B. Desinfectie (alcohol, waterstof peroxide, formaldehyde of chloor) C. Antisepsis | A. Sterilisatie (desinfectie is tegen alles behalve sporen, antisepsis is om het aantal microben te verminderen. Sporen worden NOOIT door gramnegatieve bacteriën gevormd) |
| 069 Een vrouw van 32 heeft waterige/bloederige diarree. Er wordt Clostridium difficile toxine aangetoond. Op welke wijze is pseudomembraneuze colitis opgelopen? A. Contact met peuters op werk B. Besmet water gedronken C. Slikken van ceftazidim tegen UWI | C. Slikken van ceftazidim tegen UWI (vrijwel elk antibioticum kan dit veroorzaken doordat er overgroei van Clostridium difficile in de darm ontstaat, wat ernstige gevolgen kan hebben) |
| 070 Welke bacterie kan impetigo (krentenbaard) veroorzaken? A. Stafylococcus Aureus B. Streptococcus Pyogenes C. Beide D. Geen van beide | C. Beide (meestal S. Aureus) |
| 071 Welke bacterie wordt gekweekt bij secundaire peritonitis? A. Pseudomonas B. Enterokok C. Bacteroides D. Enterobacter | B. Enterokok (secundaire peritonitis ontstaat door ontsteking, perforatie of ischemie van een abdominaal orgaan, kan post-OK. Verder worden E. Coli of Bacteriodes Fragilis gekweekt. Post-OK meestal enterokok.) |
| 072 Kan een uit de groep B afkomstige hemolytische streptokok rheuma en glomerulonefritis als ernstige complicatie geven? A. Ja B. Nee | B. Nee (bij volwassenen: bacteriemie, pneumonie, bot en gewrichtsontstekingen en huid- en weke delen infecties) |
| 073 Een opgenomen vrouw van 50 jaar krijgt koorts bij een rode verheven begrensde wond ter hoogte van het onderbeen. Er is sprake van erysipelas. Wat is de behandeling? A. Benzylpenicilline B. Flucloxacilline | A. Benzylpenicilline (bij cellulitis wordt eerder flucloxacilline gegeven) |
| 074 Vrouw op CSO met een begrensde, pijnlijke, warm aanvoelende, iets verheven rode plek met een diameter van 15 cm. Wat is de behandeling? A. Conservatief B. Benzylpenicilline C. Flucloxacilline D. Ciproxine | B. Benzylpenicilline (bij cellulitis wordt eerder flucloxacilline gegeven, is in deze casus niet duidelijk) |
| 075 Wat is geen bijwerking van antibiotica? A. Ototoxiciteit B. Nefrotoxiciteit C. Pseudomembraneuze colitis D. Vitamine C deficiëntie | D. Vitamine C deficiëntie |
| 076 Welk kenmerk komt niet voor bij primaire wondgenezing? A. Wondcontractie B. Granulatie C. Neutrofielen emigratie | B. Granulatie (kenmerk van secundaire wondgenezing) |
| 077 Wat is wonddehiscentie? A. Uit elkaar gaan van de naden B. Infectie met streptococcen groep B | A. Uit elkaar gaan van de naden (uiteenwijken van de wondranden, als dit abdominaal gebeurt heet dit Platzbauch) |
| 078 Humorale immuniteit zorgt voor: A. Bescherming tegen bacteriën B. Neutraliseren van toxinen C. Voorkomen van (her)infectie van virussen D. Alle bovenstaanden | D. Alle bovenstaanden |
| 079 Bij welk percentage verbranding van de huid is er een grote kans op hypovolemie? | 15% |
| 080 Bij verbranding kan de regel van 9 toegepast worden. Hoeveel bedraagt het percentage van een arm en een been? | 27% (been = 9+9, arm= 9) |
| 081 Wat is de behandeling bij een gele wond? A. Reinigen B. Debridement C. Beschermen | A. Reinigen (bij zwarte wond: debridement (necrose verwijderen), bij rode wond: beschermen) |
| 082 Bij een patient is een barstwond opgetreden, wat is de behandeling? A. Schoonspoelen, steriele gazen en verbinden B. Primair hechten en verbinden C. Debridement en approximerende hechtingen | C. Debridement en approximerende hechtingen (gekneusde wondranden door geweld, dood weefsel verwijderen) |
| 083 Bij welke temperatuur is er sprake van koorts? | 38 graden (verhoging bij 37.7) |
| 084 Een patient met een temp van 38,5, ademfrequentie van 30/min, een pols van 70/min en leuko's 13.000/mm. Er is nog geen kweek afgenomen. Waar is sprake van? A. SIRS B. Sepsis C. Septische shock | A. SIRS (systemic inflammatory response syndrome, 2 van 4 criteria: - koorts of hypothermie - tachycardie >90 bpm - tachypnoe >20/min - leukocytose (>12.000) of leukopenie (<4.000).) |
| 085 Welk verband is het goedkoopst? A. Steriele gazen B. VAC systeem C. Schuimverband D. Alginaat | A. Steriele gazen |
| 086 Welk verband kan het meest absorberen? A. Zilververband B. Schuimverband C. Gelverband D. Hydrofiber | B. Schuimverband of hydrofiber (zilververband= bestrijden infectie, gelverband= beperkte opname, hydrofiber en schuimverband absorberen goed: niet duidelijk welke beter is) |
| 087 Welke factor vertraagt wondgenezing het meest? A. Rheumatoide artitis B. Overdosis vitamine C C. Hyperaemie D. Oudere leeftijd | A. Rheumatoide artritis (door gebruik corticosteroiden) |
| 088 Hoe moet een geinfecteerde wond behandeld worden? A. Openen en spoelen B. Echogeleide punctie C. CT geleide punctie | A. Openen en spoelen |
| 089 Welke bacterie loopt met het vaakst op in het ziekenhuis? A. Grampositief B. Gramnegatief C. MRSA D. Pseudomonas aeruginosa | B. Gramnegatief |
| 090 Aminoglycosiden werken niet voor: A. Anaerobe bacterien B. Gramnegatieve staven C. Grampositieve staven | A. Anaerobe bacterien |
| 091 Een patient heeft een wond die eerder gehecht is. Nu komt hij terug met een necrotische wond. Wat is dit voor wond? A. Zwart B. Geel C. Rood D. Bruin | A. Zwart |
| 092 Wat is er bij een zwarte barstwond? A. Infectie B. Necrose | B. Necrose |
| 093 Een jongen van 5 jaar krijgt kokend water over zijn borst heen. Er zijn blaren en ontvellingen te zien. De capillaire refill is ongestoord. Er is sprake van: A. Eerste graads B. Tweede graads C. Derde graads | B. Tweede graads |
| 094 Wat zorgt voor een diepere verbranding? A. Heet water B. Heet vet | A. Heet water |
| 095 Welk percentage krijgt een wondinfectie na een colonoperatie? | 12,7% (Gooszens, 10% in oude toetsvragen) |
| 096 Wat is het onderzoek van eerste keus bij een acute buik? A. blanco CT B. Echo C. X-BOZ D. MRI | B. Echo (CT moet MET contrast zijn) |
| 097 Wat is het onderzoek van eerste keus bij een geperforeerd ulcus pepticum? A. Gastroscopie B. Echo C. X-BOZ D. CT | C. X-BOZ (vrij lucht zichbaar, kan ook met CT) |
| 098 Wat is de meest voorkomende oorzaak van een dikke darm obstructie? A. Volvulus B. Diverticulitis C. Carcinoom | C. Carcinoom |
| 099 Wat is het beste onderzoek bij een verdenking op een gestranguleerde darm? A. Laparoscopie B. Echo C. X-BOZ D. CT | C. X-BOZ (eigenlijk laparotomie) |
| 100 Wat moet er gedaan worden bij een verdenking op strangulatie? A. CT B. Echodoppler C. Anamnese en LO D. Laparotomie | D. Laparotomie (strangulatie= chirurgische spoedindicatie) |
| 101 Wat wordt er gedaan bij een zwangere vrouw (16 wk) bij verdenking op een appendicitis accuta? A. CT B. Mediane laparoscopie C. Diagnostische laparoscopie D. Antibiotica | C. Diagnostische laparoscopie (zwangerschap in derde trimester is contra-indicatie laparoscopie) |
| 102 Hoe wordt een appendicitis veroorzaakt? A. Bacteriele overgroei B. Lumenobstructie C. Ontsteking | B. Lumenobstructie (door zwelling omgevend lymfoid weefsel of fecoliet (appendicoliet)) |
| 103 Wat is tenesmus? A. Gevoel van onvolledige defaecatie B. Bloed bij de ontlasting C. Slijm bij de ontlasting | A. Gevoel van onvolledige defaecatie (aandrang bij een leeg rectum) |
| 104 Waarbij bestaat er druk- en loslaatpijn? A. Viscerale pijn B. Parietale pijn | B. Parietale pijn |
| 105 Parietale pijn is beter lokaliseerbaar dan viscerale pijn? A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 106 Waar straalt de pijn bij een pancreatitis naar uit? A. Linkeronderbuik B. Rug C. Rechter schouderblad D. Rechter onderbuik | B. Rug |
| 107 Na pancreatitis blijven vaak restverschijnselen zoals diabetes? A. Juist B. Onjusit | B. Onjuist |
| 108 Wat is het beleid bij vocht bij een necrotiserende pancreatitis? A. Antibiotica B. Drainage en necrose verwijderen | B. Drainage en necrose verwijderen |
| 109 Wat past er bij de volgende labuitslagen? Verhoogd gamma-GT, LDH, kreat en bili, verlaagde leuko's? A. Cholecystitis B. Levermetastasen C. Pancreastumor | C. Pancreastumor (geen ontsteking, maar wel cholestase: "stille icterus") |
| 110 Wat zijn verhoogde parameters bij cholestase? | Alkalisch fosfatase (en bilirubine) |
| 111 Wat zijn de meest voorkomende galstenen in de westerse wereld? A. Pigment B. Cholesterol C. Carbasalaatcalcium | B. Cholesterol (75% van de patienten) |
| 112 Wat is het aangewezen onderzoek bij verdenking op galstenen? A. Echo B. Serum AF C. Serum transaminase | A. Echo (echo heeft hoge sensibiliteit en specificiteit voor galstenen, lab veranderd pas bij cholestase) |
| 113 Bij een geincarcereerde breuk is de breukinhoud: A. Diep ischemisch B. Goed reponibel C. Niet reponibel D. Acuut beklemd | C. Niet reponibel (incarceratie betekent beklemming van een breuk, hernia incarcerata moet operatief behandeld worden) |
| 114 Een bloeding ter hoogte van het ligament van Treitz kan leiden tot: A. Haematemesis B. Melaena C. Beide | C. Beide (lig. van Treitz is de ophangspier van het duodenum) |
| 115 Wat wordt met het syndroom van Boerhaave bedoeld? A. Deegachtige huid, oesophagus stenose en vasculitis B. Drukgevoelige blaasregio door ontsteking C. Perforatie van slokdarm door braken D. Claudicatio door een infrarenale occlusie van de aorta | C. Perforatie van slokdarm door braken (Boerhaave is een spontane, atraumatische, complete slokdarm ruptuur, vaak na overmatig alcohol) |
| 116 Hoe heet de weefsellaag van de darmen met de bloed- en lymfevaten? A. Serosa B. Mesenterium C. Mesotheel D. Endotheel | B. Mesenterium |
| 117 Welk van onderstaande symptomen hoort niet bij diverticulitis? A. Helderrood bloedverlies per anum B. Overmatige flatulentie C. Pneumaturie D. Dikke darm obstructie | B. Overmatige flatulentie |
| 118 Waarbij heeft men het vaakst bloedverlies per anum zonder klachten? A. Volvulus B. Divertikels C. Carcinoom | C. Carcinoom (bij volvulus is er veel pijn en bloed bij divertikels pas bij gecompliceerde diverticulitis) |
| 119 Welk van onderstaande structuren loopt in het lieskanaal bij de vrouw? A. Nervus ilio-inguinalis B. Tuba uterina C. Ductus deferens D. Ligamentum falciforme | A. Nervus ilio-inguinalis |
| 120 Door welke structuur gaat een mediane laparotomie? A. Linea semilunaris B. Linea semicircularis C. Musculus rectus abdominis D. Linea alba | D. Linea alba |
| 121 Waar komt diverticulose het meest voor? A. Colon ascendens B. Colon sigmoideum C. Colon transversum D. Colon descendens | B. Colon sigmoideum (valse divertikels zijn herniaties van mucosa, submucosa en serosa) |
| 122 In welke leeftijdscategorie komt appendicitis het meest voor? A. 0-2 jaar B. 3-7 jaar C. 8-14 jaar D. 20-40 jaar | C. 8-14 jaar |
| 123 Wat is de voorkeursbehandeling bij een groot-abdominaal abces? A. Incisie en drainage via laparotomie B. Drainage via echogeleide punctie C. Bedrust in Fowlerse ligging en antibiotica | B. Drainage via echogeleide punctie |
| 124 Wat zijn de vier groepen van de Hinchey classificatie? | I: pericolisch abces of flegmone |
| 125 II: abces in pelvis III: gegeneraliseerde purulente peritonitis IV: gegeneraliseerde faecale peritonitis Wat zorgt voor een kloppende buikpijn? A. Appendicitis B. Ulcus ventriculi (maagzweer) C. Ziekte van Crohn D. Pancreatitis | A. Appendicitis |
| 126 Wat zorgt voor een borende buikpijn? A. Appendicitis B. Cholelithiasis C. Ulcus pepticum | C. Ulcus pepticum |
| 127 Wat past er niet bij een ulcus perforatie? A. Leverdemping B. Vagale prikkeling C. Druk- en loslaatpijn | A. Leverdemping (juist opgeheven door het ontstane pneumoperitoneum door vrij lucht) |
| 128 Bij een geperforeerd ulcus pepticum wordt een gastrocopie uitgevoerd om de diagnose te stellen: A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (gastroscopie is gecontra-indiceerd omdat hierbij lucht in de maag moet worden geblazen, terwijl dit in de buikholte terecht komt. Diagnose door X-BOZ) |
| 129 Welke kenmerken zie je WEL bij Crohn en NIET bij colitis ulcerosa? A. Stukken niet aangedane darm tussen andere stukken aangedane darm B. Orale ulcers (aften) C. Anorexie | A. Stukken niet aangedane darm tussen andere stukken aangedane darm |
| 130 Wanneer is een Hartmann procedure geindiceerd? A. Diverticulitis B. Invaginatie C. Volvulus | A. Diverticulitis (Hartmann: resectie rectosigmoid met eindstandig colostoma, kan ook bij coloncarcinoom geindiceerd zijn) |
| 131 Er is sprake van chemische peritonitis bij acute pancreatitis. Wat hoort daar niet bij? A. Defense musculaire B. Bewegingsdrang C. Pijn in de rug D. Braken | B. Bewegingsdrang (vooral bij koliekpijnen) |
| 132 Er is een pijnloze icterus en het teken van Courvoisier, wat is de diagnose? A. Galwegobstructie door carcinoom B. Hydrops van de galblaas | A. Galwegobstructie door carcinoom |
| 133 Welke structuren lopen door het ligament hepatoduodenale? A. Ductus choledochus B. Ductus choledochus, v. porta en a. hepatica C. Ductus pancreaticus, v. hepatica en a. hepatica | B. Ductus choledochus, v. porta en a. hepatica |
| 134 Welke graad zijn hemorrhoiden die uit het anale kanaal steken? A. I B. II C. III D. IV | C. III (geprolabeerd maar reponibel, bij graad IV niet meer reponibel) |
| 135 Waarbij ontstaat er GEEN verhoging van plasma amylase? A. Prostatitis B. Darmischemie C. Duodenum ulcus | A. Prostatitis (serum amylase verhoogd bij elke oorzaak van peritonitis) |
| 136 Waardoor worden veel perianale abcessen gevormd? A. Ontsteking kliertjes linea dentata B. Fissura ani C. Getromboseerde hemorrhoiden | A. Ontsteking kliertjes linea dentata |
| 137 Wat is de voorkeurshouding bij pancreatitis? A. Voorovergebogen B. Foetushouding | A. Voorovergebogen |
| 138 Waarbij komt veel pijn en bewegingsdrang voor? A. Darmischemie B. Acute cholangitis C. Pancreatitis D. Urolithiasis | D. Urolithiasis (bewegingsdrang door koliekpijn) |
| 139 Wat is de behandeling bij hemorrhoiden? A. Bananen eten B. Obstipatie vermijden C. Langdurig toiletbezoek | B. Obstipatie vermijden (kan door veel vocht en vezels, bananen werken obstiperend) |
| 140 De kans op doorsnijden van de ductus choledochus bij een cholecystectomie is het grootst bij: A. Laparotomie B. Laparoscopie | B. Laparoscopie |
| 141 Een 35-jarige man komt op de CSO met buikpijn met obstructie van de darm. Hij is nog nooit in het ziekenhuis geweest. Wat is er waarschijnlijk aan de hand? A. Adhesies B. Ileus C. Carcinoom D. Herniatie dunne darm | C. Carcinoom |
| 142 Wat is de meest voorkomende oorzaak van een dunne darm ileus? A. Strengen (bride) B. Hernia C. Tumor | A. Strengen (ten gevolge van postoperatieve adhesievorming) |
| 143 Wat geeft een zwelling in de lies? A. Bakersecyste B. Hernia inguinalis | B. Hernia inguinalis |
| 144 Bij een patiente is sprake van galsteenlijden. Welke uitspraak is ONJUIST? A. Ze moet afvallen tot er sprake is van een BMI <25 B. Galstenen worden bijna altijd gediagnosticeerd met echo C. Er bestaan frequente koliekpijnen in de rechterbovenbuik | A. Ze moet afvallen tot er sprake is van een BMI <25 (risicofactoren: Female, Fourty, Faty en Fertile) |
| 145 Welk deel van het duodenum bevindt zich intraperitoneaal? A. Pars superior B. Pars descendens C. Pars horizontalis D. Pars ascendens | A. Pars superior |
| 146 Vrouw met constante, ondraaglijke anale pijn. Ze heeft nog geen ontlastign gehad. Wat is er aan de hand? A. Fissuur B. Fistel C. Getrombotiseerd hemorrhoid | C. Getrombotiseerd hemorrhoid (fissuur: pijn tijdens defecatie, fistel: periodieke pijn, getrombotiseerd hemorrhoid: acute pijn) |
| 147 Rectumprolaps komt het minst vaak voor bij: A. Ouderen B. Jong volwassenen C. Kinderen | B. Jong volwassenen |
| 148 Een rode, pijnlijke zwelling in de bilspleet is het meest waarschijnlijk: | Sinus pilonidalis (haarnestcyste) |
| 149 Waar wordt een beginnende, acute pancreatitis door gekenmerkt? A. Bradycardie B. Opgeheven leverdemping C. Bewegingsdrang | C. Bewegingsdrang (kan door afsluiting ductus pancreaticus door een galsteen --> bewegingsdrang) |
| 150 Wat is de behandeling van een sigmoid volvulus? A. Aan buikwand bevestigen B. Tube inbrengen en desoufflatie | B. Tube inbrengen en desoufflatie (definitieve behandeling is een sigmoidresectie, anders meer dan 50% kans op een recidief) |
| 151 Wat is de behandeling bij een jong persoon met een acute cholecystitis? | Cholecystectomie (binnen 7 dagen, laparoscopisch binnen 4 dagen) |
| 152 Wat is verhoogd bij galstenen? A. Gamma-GT B. Alkalisch fosfatase C. LDH D. Amylase | B. Alkalisch fosfatase (en bili) |
| 153 Wat zijn de verschijnselen van pseudomembraneuze colitis? A. Laaggradige koorts en bloederige diarree B. Hooggradige koorts en bloederige diarree C. Laaggradige koorts en waterige diarree D. Hooggradige koorts en waterige diarree | C. Laaggradige koorts en waterige diarree (soms ook bloederige diarree) |
| 154 Wat is het Ogilvie syndroom? A. Volvulus B. Acute pseudoobstructie en dilatatie van het colon ascendens | B. Acute pseudoobstructie en dilatatie van het colon ascendens (passagebelemmering zonder anatomisch substraat) |
| 155 Wat is de meest voorkomende oorzaak van gastro-intestinale bloedingen? A. Colitis B. Ulcer lijden C. Slokdarmvarices | B. Ulcer lijden |
| 156 Welk van de volgende organen ligt NIET retroperitoneaal? A. Nieren B. Duodenum C. Bijnieren D. Appendix | D. Appendix |
| 157 De bijnieren liggen mediaal van de nieren. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (craniaal) |
| 158 De curvatura major ligt caudaal van het omentum. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (de curvatura major bevindt zich craniaal van het omentum majus, maar caudaal van het omentum minus) |
| 159 Wat is het diagnostische beleid bij een 63 jarige vrouw met verdenking op een volvulus? A. Barium coloninloopfoto B. X-BOZ | B. X-BOZ (lucht te zien in proximale darm) |
| 160 Een pasgeborene heeft niet ingedaalde testes, wanneer wordt dit behandeld? A. Binnen het 1e levensjaar B. Tussen 2e en 6e jaar C. Vlak voor de puberteit D. Vlak na de puberteit | A. Binnen het 1e levensjaar |
| 161 Komt appendicitis minder vaak voor bij zwangere vrouwen dan bij niet zwangere vrouwen? A. Ja B. Nee | A. Nee (even vaak) |
| 162 Bij welke soort hernia inguinalis is er eerder sprake van strangulatie? A. Direct B. Indirect | B. Indirect |
| 163 Wat is de minst voorkomende complicatie van diverticulitis? A. Bloeding B. Abces C. Fistel D. Perforatie | A. Bloeding |
| 164 Het teken van Grey Turner bij lichamelijk onderzoek, wat is de diagnose? | Pancreatitis (Grey Turner sign: hematomen in de flanken) |
| 165 Welke aandoening van de dikke darm komt het meest voor? A. Tumor B. Divertikel C. Volvulus | B. Divertikel |
| 166 Van welke stenose is er sprake bij gal in het braaksel? A. Duodenum B. Pylorus | A. Duodenum |
| 167 Wat vind je bij een patiënt met pylorushypertrofie? A. Projectiel braken B. Fecoid braken C. Gal braken | A. Projectiel braken |
| 168 Een oude vrouw zonder medische klachten slikt een knoop in, wat is het beleid? A. Starre oesofagusscoop B. Flexibele oesofagusscoop C. Afwachten | C. Afwachten (bij medische problemen door een corpus alienum wordt een starre scoop gebruikt, de flexibele scoop is vooral voor diagnostisering) |
| 169 Waar wordt nitroglycerinecreme bij gebruikt? A. Anale fistel B. Haemorrhoid C. Anale fissuur D. Abces | C. Anale fissuur (bij fistel/abces: drainage middels fistulotomie) |
| 170 Cullen's sign is teken van: A. Levercirrose B. Pancreatitis | B. Pancreatitis (ecchymose rond navel) |
| 171 Welke van de volgende factoren draagt het MINST bij aan het ontstaan van galstenen? A. Versnelde kristallisatie van cholesterol B. Onverzadiging van gal met cholesterol C. De aanwezigheid van een porseleingalblaas | C. De aanwezigheid van een porseleingalblaas (broze, kalkhoudende galblaaswand) |
| 172 Bij kolonisatie met Helicobacter Pylori ontwikkelt 70-90% van de patiënten een ulcus pepticum. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (5-20% krijgt een ulcus, als er een ulcus vastgesteld heeft 70-90% een H. Pylori) |
| 173 Wat behoort NIET tot de risicofactoren voor cholelithiasis? A. Vetzucht B. Vrouwelijk geslacht C. Gebruik van orale anticonceptiva D. Roken | D. Roken |
| 174 De kans op een acute appendicitis is: A. Hoger bij mannen B. Hoger bij vrouwen C. Gelijk voor mannen en vrouwen | A. Hoger bij mannen |
| 175 De meest voorkomende oorzaak van appendicitis komt door een corpus alienum in het darmlumen. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 176 Bij een vermoeden van appendicitis maakt een rectaal toucher het lichamelijk onderzoek compleet. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 177 Bij een patient met een verdenking op appendicitis wordt de buik opengemaakt en blijkt de appendix niet ontstoken. Toch verwijdert de chirurg deze. Is dit de juiste beslissing? A. Ja B. Nee | A. Ja |
| 178 Bij een patient met chronische buikklachten wordt tijdens laparoscopie afwijkende mucosa gevonden in het terminale ileum. Colitis ulcerosa is nu MEER waarschijnlijk dan Crohn. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 179 Bij echografie wordt gebruik gemaakt van: A. Rontgenstraling B. Hoogfrequente geluidsgolven C. Vrije waterstof atomen D. Isotopen | B. Hoogfrequente geluidsgolven |
| 180 Is op een MRI bot wit van kleur? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 181 Bij welke aandoening is er sprake van cranberry ontlasting? A. Diverticulitis B. Invaginatie C. Volvulus | B. Invaginatie |
| 182 Wat is de beste behandeling van een rectumprolaps? | Chirurgische fixatie dmv een rectopexie |
| 183 Wat is de meest waarschijnlijke locatie van niet ingedaalde testes? A. Lieskanaal B. Subrenaal C. Peritoneaal | A. Lieskanaal |
| 184 Waar duidt het teken van Chvostek op? A. Hyponatriemie B. Hypokaliemie C. Hypocalciemie D. Hypofosfatemie | C. Hypocalciemie (tetanische spiercontracties (krampen) kunnen opgewekt worden door te tikken op de n. facialis op de wang vlak voor de uitwendige gehoorgang) |
| 185 Welke plexus bevindt zich in de submucosa van het spijsverteringskanaal? A. Plexus van Meissner B. Plexus van Auerbach C. Plexus van myentericus D. Autonome plexus | A. Plexus van Meissner (lagen van darm van binnen-buiten: mucosa - submucosa - muscularis - serosa. Plexus myentericus = plexus van Auerbach) |
| 186 Waar bevindt de appendix vermiformis zich in de meeste gevallen? A. In het kleine bekken B. Retrocoecaal C. Pre-ileaal D. Post-ileaal | B. Retrocoecaal |
| 187 Waarbij komt sfincter spasme voor? A. Anaal fissuur B. Fistel C. Hemorrhoid | A. Anaal fissuur (interne sfincter spasme) |
| 188 Patient van 8 maanden oud met soms aanvallen van buikpijn en ontlasting lijkend op rode bessen pudding. Wat is de diagnose? A. Pylorus hypertrofie B. Beklemde liesbreuk C. Invaginatie | C. Invaginatie |
| 189 Een kind van 1,5 jaar heeft sinds 5 uur aanvalsgewijze buikpijn met tussendoor klachtenvrije perioden. Hoe ziet zijn ontlasting er uit? A. Diarree met bloed B. Obstipatie C. Stopverf D. Drilpudding en bloed | D. Drilpudding en bloed (invaginatie) |
| 190 Welk orgaan ligt retroperitoneaal? A. Pancreas B. Coecum C. Ileum | A. Pancreas |
| 191 Een 45 jarige man presenteert zich met een pijnlijke, gevoelige, rode zwelling dichtbij de anale rand. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A. Hemorrhoiden B. Perianaal abces C. Ischiorectaal abces D. Supralevator abces | B. Perianaal abces (ischiorectaal komt vanuit de externe sfincter en supralevator zit intersfincterisch) |
| 192 Welk deel van het verteringsstelsel is gevoelig voor een volvulus? A. Duodenum B. Ileum C. Sigmoid D. Rectum | C. Sigmoid (vaak geassocieerd met een dolichocolon (lang colon)) |
| 193 Hoe is het onderscheid te maken tussen een pylorusstenose en een duodenumstenose? A. Bij een pylorusstenose bevat de vomitus geen gal B. Bij een duodenumstenose bevat de vomitus geen gal C. Er is geen onderscheid te maken | A. Bij een pylorusstenose bevat de vomitus geen gal |
| 194 Diverticulaire ziekte wordt gekenmerkt door: A. Hypertrofie van de spierwand van het colon B. Abnormale verdeling van elastinevezels tussen de spiervezels | B. Abnormale verdeling van elastinevezels tussen de spiervezels |
| 195 Bij welke electieve ingreep is er geen antibiotica profylaxe geindiceerd? A. Oesofagusresectie B. Correctie van een liesbreuk waarbij een kunststof matje wordt geplaatst C. Cholecystectomie | C. Cholecystectomie |
| 196 Ondervoeding door grote weefselschade wordt gekenmerkt door verschillende symptomen, welk van onderstaanden? A. Lymfocytose B. Verhoogde serum transferrine C. Gewichtsverlies (starvation) D. Stijging van het serum albumine | C. Gewichtsverlies (bij ondervoeding vind je: lage lymfocyten, laag serum albumine en laag serum transferrine) |
| 197 Een 52 jarige vrouw presenteert zich met misselijkheid, anorexie en epigastrische pijn welke verergerd bij voedselinname. Welk peptisch ulcus is het meest waarschijnlijk? A. Van oesofagus B. Van maag C. Van duodenum | B. Van maag (ulcus duodenum geeft hongerpijn en nachtelijke pijnen) |
| 198 Tijdens een coloscopie is het colon transversum te onderscheiden van het ascendens en descendens door? A. De driehoekige vorm van het colon transversum B. In het colon transversum zijn altijd faeces resten te zien | A. De driehoekige vorm van het colon transversum |
| 199 Wat veroorzaakt empyeem? A. Gastritis B. Cholecystitis C. Prostatitis D. Diverticulitis | B. Cholecystitis (kan empyeem in de galblaas veroorzaken, in de pleuraholten wordt dit door pneumonie veroorzaakt) |
| 200 Bij een 7 jarig meisje met een zwelling net onder het ligamentum inguinale is de meest waarschijnlijke diagnose: A. Hernia inguinale B. Opgezette lymfeklier | B. Opgezette lymfeklier (zou nog een hernia femoralis kunnen zijn) |
| 201 Hoeveel mictie moet een patient post-operatief hebben? A. 0,1 ml/kg/uur B. o,5 ml/kg/uur C. 1,5 ml/kg/uur D. 1,8 ml/kg/uur | B. o,5 ml/kg/uur |
| 202 Waar komt fistelvorming bij voor? A. Crohn B. Colitis ulcerosa C. Diverticulose | A. Crohn |
| 203 Wat is het minst waarschijnlijk bij een lage darmobstructie? A. Obstipatie B. Pijn C. Braken D. Opgezette buik | C. Braken |
| 204 Welk orgaan is het vaakst aangedaan bij stomp buikletsel? A. Lever B. Nieren C. Milt D. Pancreas | C. Milt |
| 205 Waar duidt pijn in het hypochondrium op? A. Pancreatitis B. Cholecystitis C. Cystitis | B. Cholecystitis (kan ook geperforeerd maagulcus zijn, maar meer epigastrisch) |
| 206 Invaginatie heeftr bij een jong kind vaak een virale oorzaak. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (lymfeklieren naast darm zwellen op door viraalinfect, waardoor de darm denkt dat dit faeces is wat naar buiten moet) |
| 207 Wat is de meest voorkomende plaats van een hernia inguinalis bij oudere mannen? A. Annulus internus B. Achterwand C. Lacuna vasorum | B. Achterwand (hernia medialis/direct, lacuna vasorum = hernia femoralis, annulus internus = hernia lateralis/indirect) |
| 208 Een 72 jarige man met obstipatie in de VG komt op de CSO met geleidelijk begonnen, continue buikpijn linksonder. Temp 38,2 met pijnlijke percussie/palpatie. Wat is de diagnose? A. Acute diverticulitis B. Symptomatisch aneurysma C. Acute appendicitis | A. Acute diverticulitis |
| 209 Een 53 jarige man heeft sinds een jaar chronische bovenbuikpijn uitstralend naar de rug, welke steeds heviger wordt. Hij is bekend met alcoholabuses. Wat is de diagnose? A. Ulcus ventriculi B. Chronische pancreatitis C. Cholecystolithiasis | B. Chronische pancreatitis |
| 210 Welke liesbreuk komt vaker voor bij vrouwen? A. Hernia inguinalis lateralis B. Hernia inguinalis medialis C. Hernia femoralis | C. Hernia femoralis |
| 211 Wanneer braakt een patient met appendicitis? A. In aansluiting op het ontstaan van pijn B. Voorafgaand aan de pijnklachten | A. In aansluiting op het ontstaan van pijn |
| 212 Welke stelling over pylorushypertrofie is JUIST? A. Afwijking komt altijd tot uiting op de leeftijd tussen 2 en 3 maanden oud B. Er is sprake van gallig braken C. Komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes D. Er is geen sprake van oesofagitis | C. Komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes (4:1) |
| 213 Wat is de behandeling bij een asymptomatisch littekenbreuk van de buikwand bij een oudere persoon? A. Expectatief beleid B. Opereren C. Breukband | A. Expectatief beleid (bij een symptomatische breuk meestal een breukband) |
| 214 Wat is de definitie van strangulatie? | Obstructie met afklemming van de bloedtoevoer. |
| 215 Wat is de kans op een reciedief postoperatieve littekenbreuk? | 70% |
| 216 Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van buikpijn in het rechter hypochondrium? A. Cholecystitis B. Diverticulitis C. Pancreatitis D. Gastritis | A. Cholecystitis |
| 217 Wat is het juiste onderzoek bij een malrotatie/volvulus? A. CT met contrast B. X-BOZ C. CT-blanco D. Echo | B. X-BOZ |
| 218 Waar komt de laterale rectummusculatuur op uit? A. Musculus piramidalis B. Linea alba C. Linea semilunaris (spigeli) D. Circularis | C. Linea semilunaris (spigeli) |
| 219 Een patient is gediagnosticeerd met een rectumcarcinoom Dukes C, wat is de 5 jaars overleving? | 50-70% (Dukes A: >90%, Dukes B: 70-90%, Dukes C: 50-70%, Dukes D: 30-50%) |
| 220 Wat is GEEN indicatie voor behandeling met immuunmodulerende BCG? A. Longcarcinoom B. Niercelcarcinoom C. Blaascarcinoom | A. Longcarcinoom (BCG bevat verzwakt Mycobacerium bavis voor actieven immunisatie tegen TBC, ook kan dit gebruikt worden bij urotheelcelcarcinomen) |
| 221 Welke vorm van kanker komt het meeste voor bij kinderen? A. Hersen B. Lymfeklier C. Leukemie | C. Leukemie |
| 222 Bij welke tumoren wordt regionale perfusie met chemo toegepast? A. Osteosarcoom B. Colorectaalcarcinoom C. Mammacarcinoom D. Niercelcarcinoom | A. Osteosarcoom (vooral bij tumoren in extremiteiten, zoals osteosarcoom, Ewingsarcoom en maligne fibreuze hystiocytoom) |
| 223 Bij welke ingreep hoef je geen rekening te houden met tumorspill? A. Incisiebiopt B. Excisiebiopt C. Dunne naald biopsie D. Dikke naald biopsie | C. Dunne naald biopsie (het is theoretisch mogelijk, maar uiterst zeldzaam dat er tumorspill plaatsvindt) |
| 224 Waarbij kan je geen histologisch onderzoek doen? A. Incisiebiopt B. Excisiebiopt C. Dunne naald biopsie D. Dikke naald biopsie | C. Dunne naald biopsie (cytologisch onderzoek) |
| 225 Er is een vergrote lymfeklier midjugulair in de hals, proximaal van de m. sternocleidomastoideus. Waar zit de tumor? A. Nasofarynx B. Lip C. Schildklier | C. Schildklier (level 3; midjugulair) |
| 226 Wat is brachytherapie? A. Uitwendige bestraling B. Inwendige bestraling | B. Inwendige bestraling |
| 227 Wat is een korte termijn complicatie bij radiotherapie? A. Demyelinisatie B. Teleangiectasien C. Desquamatie D. Xerostomie | C. Desquamatie |
| 228 Wat is de aangewezen vorm van beeldvormend onderzoek bij verdenking op lymfemetastasen? A. PET B. CT C. MRI | A. PET |
| 229 Hoeveel kans heeft een man gedurende zijn leven om kanker te ontwikkelen? A. 20% B. 30% C. 40% | C. 40% (bij vrouwen is dit ongeveer 35%) |
| 230 Bij welk van de volgende typen kanker is metastasering het meest efficient? A. Coloncarcinoom B. Sarcoom C. Longcarcinoom | C. Longcarcinoom |
| 231 Het baarmoederuitstrijkje is een voorbeeld van: A. Excisiebiopt B. Cytologische punctie C. Exfoliatieve cytologie | C. Exfoliatieve cytologie |
| 232 Metastasen in het bot worden vaak pas zichtbaar als ten minste 40% van de kalk ter plaatse is verdwenen. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 233 Welke manier van biopteren geeft de meeste kans op tumorspill? A. Excisie biopt B. Incisie biopt C. Dunne naald biopsie | B. Incisie biopt |
| 234 Mondzorg bij bestraling in het hoofd-hals gebied is een vorm van: A. Palliatieve behandeling B. Palliatieve zorg C. Ondersteunende behandeling | C. Ondersteunende behandeling |
| 235 Onder een en-bloc excisie wordt het verwijderen van de primaire tumor en het regionale lymfeklierbed verstaan. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 236 Hoeveel klierstations zitten er voor de sentinel node? A. 1 B. 2 C. 3 D. 4 | A. 1 |
| 237 Bestraling is een goede behandeling voor: A. Osteosarcoom B. Ewingsarcoom C. Fibrosarcoom D. Chondrosarcoom | B. Ewingsarcoom (Ewing: gevoelig voor radio- en chemotherapie, osteosarcoom: gevoelig voor chemo, fibrosarcoom: matig gevoelig voor chemo, chondrosarcoom: ongevoelig voor radio- en chemotherapie) |
| 238 Welke uitspraak past het MINST bij tumorspill? A. Het kan tot ver in de omgeving optreden B. Het kan optreden in de directe omgeving van de behandeling C. Het ontstaat frequent na een dunne-naald biopsie D. Het kan spontaan optreden | C. Het ontstaat frequent na een dunne-naald biopsie |
| 239 Wat is het basisprincipe van brachytherapie? A. Volume-effect B. Dosis-effect C. Fractionering D. Tumor-volume relatie | A. Volume-effect (als omringend weefsel tolerant is, kan er een groter volume op 1 plaats gegeven worden) |
| 240 Hematogene metastasen gaan verder dan lymfogene metastasen. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 241 Waar zitten hematogene metastasen bij mammacarcinoom het vaakst? A. Hersenen B. Huid C. Longen D. Skelet | D. Skelet |
| 242 Wat is geen voorkeursplaats voor hematogene metastasen van mammacarcinoom? A. Skelet B. Lever C. Longen D. Hersenen | D. Hersenen (metastaseert vooral naar skelet en lever, minder naar longen en hersenen) |
| 243 Welk van onderstaande factoren verhoogt het risico op mammacarcinoom? A. Vroege menopauze B. Late menarche C. Oudere leeftijd bij geboorte eerste kind D. Geven van borstvoeding | C. Oudere leeftijd bij geboorte eerste kind |
| 244 Hoe vaak en bij wie wordt er mammografie gedaan bij het bevolkingsonderzoek? A. 1 x per 2 jaar bij vrouwen >50 B. 1 x per 2 jaar bij vrouwen 50-75 C. 2 x per jaar bij vrouwen >50 D. 2 x per jaar bij vrouwen 50-75 | B. 1 x per 2 jaar bij vrouwen 50-75 |
| 245 Hoeveel nieuwe patienten met mammacarcinomen worden ieder jaar ongeveer gediagnosticeerd in Nederland? A. 1000 B. 4000 C. 7000 D. 11000 | D. 11000 |
| 246 Hoe hoog is het percentage patienten met een mammacarcinoom bij wie erfelijke factoren een rol spelen? A. 5-10% B. 15-20% C. 25-30% D. 35-40% | A. 5-10% |
| 247 Wat bepaalt de indicatie voor radiotherapie bij de postoperatieve behandeling van het weke delen sarcoom? A. Tumormarge ten opzichte van het circumferentiele snijvlak B. Histologische graad van tumor C. Grootte van tumor D. Lokalisatie van tumor | A. Tumormarge ten opzichte van het circumferentiele snijvlak (snijvlak moet vrij zijn van tumor) |
| 248 Wat is een blastoom? A. Tumor uitgaande van lymfoide cellen B. Tumor die lijkt op zich ontwikkelend weefsel C. Tumor uitgaande van kiemcellen | B. Tumor die lijkt op zich ontwikkelend weefsel |
| 249 Waarvan is peau d'orange het gevolg? A. Ulcerend mammacarcinoom B. Ductectasien in een mediaal kwadrant C. Geblokkeerde lymfedrainage D. Eczeem van de tepel | C. Geblokkeerde lymfedrainage (lymfangitis carcinomatosa) |
| 250 Stelling 1: adjuvant wordt NA de hoofdbehandeling gegeven. Stelling 2: neo-adjuvant wordt VOOR de hoofdbehandeling gegeven. A. Stelling 1 juist, 2 onjuist B. Stelling 1 onjuist, 2 juist C. Beide stellingen juist D. Beide stellingen onjuist | C. Beide stellingen juist |
| 251 Hoe kom je erachter of een tumor primair is of een metastase? A. Immunohystochemie B. DNA C. Microscopische morfologie | A. Immunohystochemie |
| 252 Welke maligniteit wordt veroorzaakt door alcohol? A. Maag B. Colon/rectum C. Hoofd-hals | C. Hoofd-hals |
| 253 Welke waarden worden gecontroleerd bij curatieve behandeling van non-seminoom testis carcinoom? A. CEA B. CA 125 C. AFP D. PSA | C. AFP (bij testiscarcinomen: LDH, beta-HCG en AFP) |
| 254 Een man wordt geopereerd aan een peniscarcinoom, waarbij een klierdissectie wordt uitgevoerd. Wat is dit voor behandeling? A. Watchfull waiting B. Electief C. Neo-adjuvant D. Adjuvant | B. Electief (uitvoeren van een operatie bij een aandoening die in de toekomst (levensbedreigende) complicaties kan veroorzaken, dus bijv. klinisch negatieve lymfeklieren verwijderen) |
| 255 Een vrouw heeft metastasen in haar longen, maar geen tumor in haar lever. Waar zit de primaire tumor het meest waarschijlijk? A. Rectum B. Maag C. Colon | A. Rectum (kan rechtstreeks op v. cava inferior draineren, in plaats van via het portale systeem) |
| 256 Bij diagnostiek van levermetastasen wordt naast echo ook CT gebruikt, welke? A. Zonder contrast B. Spiraal CT C. 3-fase CT D. 4-fase CT | B. Spiraal CT |
| 257 Wat is de meest voorkomende locatie van een pancreascarcinoom? A. Kop B. Staart | A. Kop |
| 258 Als gunstige tumortypen worden geselecteerd bij populatiescreening kan er een statische onnauwkeurigheid ontstaan: A. Lenght bias B. Lead time bias C. Selectiebias | C. Selectiebias(length bias: missen van snelgroeiende tumoren, bij lead time bias leven mensen langer met onbehandelbare ziekte) |
| 259 Uit een biopt van een maligne tumor komt de volgende bevinding: maligne tumor met goede prognose. Toch treedt er tumorgroei op, waarom? A. Tumorlysis B. Heterogeniteit C. Paraneoplastisch | B. Heterogeniteit (meerdere gradaties binnen een tumor, waardoor diversiteit in groeiprocessen maar ook in gevoeligheid voor behandelingen) |
| 260 Bij hoeveel % van de tumoren wordt de primaire tumor niet gevonden? A. 1-5% B. 10-15% C. 20-25% D. >25% | A. 1-5% |
| 261 Hoeveel procent van alle kankersoorten samen wordt bepaald door erfelijke aanleg? A. 1% B. 5% C. 10% D. 15% | B. 5% |
| 262 Wanneer een longcarcinoom doorgroeit in de pleuraholte is er sprake van tumorspill. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (tumorspill is besmetting van de omgeving met tumorcellen, welke kunnen uitgroeien tot recidieftumoren) |
| 263 Hoeveel patienten met mammacarcinoom in Nederland is man? A. 1 op 10 patienten B. 1 op 100 patienten C. 1 op 150 patienten D. 1 op 200 patienten | C. 1 op 150 patienten |
| 264 Wat is de meest frequente lokalisatie van mammacarcinoom? A. Mediale onderkwadrant B. Laterale onderkwadrant C. Mediale bovenkwadrant D. Laterale bovenkwadrant | D. Laterale bovenkwadrant |
| 265 Kan er bij eczeem van de borst zonder palpabele tumor/lymfeklieren sprake zijn van M. Paget? A. Ja B. Nee | A. Ja |
| 266 Er is M. Paget, maar geen palpabele tumor/lymfeklieren. Is een adenocarcinoom waarschijnlijk? A. Ja B. Nee | A. Ja (M. Paget is een adenocarcinoom van de huid, vooral op de tepel) |
| 267 Bij een vrouw is er een klinische verdenking op mammacarcinoom. Op mammografie zijn er geen aanwijzingen. Is een dunne naald biopsie gerechtvaardigd? A. Ja B. Nee | A. Ja (altijd triple-diagnostiek) |
| 268 Er vindt tumorspill bij de a. iliaca interna plaats. A. Lokaal recidief B. Lymfogene metastase C. Hematogene metastase | A. Lokaal recidief |
| 269 Bij welke gradering van een tumor wordt anaplasie meestal gezien? A. Graad 1 B. Graad 2 C. Graad 3 D. Graad 4 | C. Graad 3 (en graad 4, weinig tot niet gedifferentieerde tumor --> zeer uitgesproken anaplasie) |
| 270 Na operatie van een mammacarcinoom zegt de patholoog: tumor 4 cm, schildwachtklier negatief. Wat is het stadium? A. cT2N0Mx B. pT2N0Mx C. cT3N1M0 d. pT3N1M0 | B. pT2N0Mx |
| 271 Wat is de aangewezen methode om levermetastasen op te sporen? A. CT blanco B. CT contrast C. Echo | B. CT contrast |
| 272 Adjuvante chemotherapie bij een gemetastaseerd mammacarcinoom is: A. Curatief B. Palliatief | B. Palliatief (bij metastasen op afstand, bij lokale metastasen nog curatieve behandeling) |
| 273 Wat is de meest voorkomende tumorsoort bij mannen? A. Darmkanker B. Longkanker C. Prostaatkanker | C. Prostaatkanker (daarna long en darm) |
| 274 Waar metastaseerd een coloncarcinoom vaak naar toe? A. Bot B. Long C. Lever D. Dunne darm | C. Lever |
| 275 Wat is een risicofactor voor het ontstaan van een adenocarcinoom? A. Anti-aritmica B. Orale anticonceptiva C. Te hoge gal productie D. Hepatitis B | B. Orale anticonceptiva |
| 276 Is een darmpoliep een voorstadium van coloncarcinoom? A. Ja B. Nee | A. Ja (de kans op maligne ontaarding van een poliep neemt toe met: - grootte poliep - mate van dysplasie - aanwezigheid villeuze component |
| 277 Fielblock anesthesie wordt gedaan bij: A. Maligniteit B. Atheroomcyste C. Abces | A. Maligniteit |
| 278 Wat is de meest voorkomende vorm van kanker? A. Colon B. Long C. Mamma D. Prostaat | C. Mamma |
| 279 Welke tumor metastaseerd bijna nooit? A. Melanoom B. Plaveiselcelcarcinoom C. Basaalcelcarcinoom | C. Basaalcelcarcinoom |
| 280 Bij een vrouw van 50+ wordt een knobbel in de borst gevoeld. Wat is op basis van leeftijd de kans dat dit maligne is? A. 10% B. 20% C. 30% | A. 10% |
| 281 Welke leukemie komt het meest voor bij kinderen? A. CML B. CLL C. AML D. ALL | D. ALL (daarna AML) |
| 282 Welk kenmerk maakt mammacarcinoom MINDER waarschijnlijk? A. Intrekking tepel B. Retractie huid C. Pijnloos proces D. Spontane tepeluitvloed | D. Spontane tepeluitvloed (kan bij veel andere problemen voorkomen) |
| 283 Welke metastasen komen het minst voor bij mammacarcinoom? A. Pancreas B. Hersen C. Lever | A. Pancreas |
| 284 Wat is de MINST vaak gedane behandeling bij kanker? A. Radiotherapie B. Regionale perfusie met chemo C. Excisie met ruime marge D. Excisie met krappe marge | B. Regionale perfusie met chemo |
| 285 Hoe werken de evenwichtsorganen (halfcirkelvormige organen)? A. Hoekversnelling B. Stand ten opzichte van zwaartekracht C. Lengteversnelling | A. Hoekversnelling |
| 286 Waarvan is bij een patient met een cerumenprop in het linker oor sprake? A. Positieve Rinne links B. Negatieve Rinne links C. Lateralisatie van Weber naar recht | B. Negatieve Rinne links |
| 287 Een patient heeft lawaaidoofheid links, waarbij een positieve Rinne wordt gevonden. De Weber: A. Lateraliseert naar rechts B. Lateraliseert naar links C. Lateraliseert niet | A. Lateraliseert naar rechts |
| 288 Bij een patient lateraliseert de Weber naar links, Rinne is beiderzijds positief. Er blijkt perceptief gehoorsverlies te zijn, welk oor is "goed"? A. Links B. Rechts | A. Links |
| 289 Hoeveel procent van de patienten met een Bellse paralyse herstelt zonder restverschijnselen? A. 20% B. 30% C. 70% D. 85% | C. 70% |
| 290 Bij de Bellse paralyse hangt de rechter mondhoek af, maar kan het rechter oog nog gesloten worden. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (het oog kan niet gesloten worden, maar de oogbol draait naar boven) |
| 291 Aan welke zijde zit een pancoasttumor die heesheid veroorzaakt? A. Linker longtop B. Rechter longtop | A. Linker longtop |
| 292 Welke stemband vertoont uitvalsverschijnselen als dit door een pancoasttumor veroorzaakt wordt? A. Rechter stemband B. Linker stemband | B. Linker stemband (de linker n. recurrens is langer) |
| 293 Bij Reinke's oedeem is er sprake van een acute laryngitis. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (Reinke's oedeem zorgen voor een diffuus gezwollen beeld, vooral bij rokende vrouwen) |
| 294 Chronische laryngitis heeft altijd een infectieuze oorzaak. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (multifactoriele etiologie) |
| 295 Waar kruisen de ademweg en het spijsverteringskanaal? A. Nasofarynx B. Oropharynx C. Hypofarynx D. Mesofarynx | B. Orofarynx |
| 296 Wat is GEEN kenmerk van laryngitis subglottica? A. Hoge koorts B. Schorer stem C. Blafhoest D. Rhinitis | A. Hoge koorts (epiglottitis) |
| 297 Meisje van 2,5 met blafhoest, inspiratoire stridor, een schorre stem en lichte temperatuursverhoging. Wat is er aan de hand? A. Laryngobronchitis B. Epiglottitis C. Corpus alienum D. Laryngitis subglottica | D. Laryngitis subglottica |
| 298 Welke luchtwegobstructie wordt veroorzaakt door H. influeza? A. Laryngitis subglottica B. Epiglottitis C. Laryngobronchitis | B. Epiglottitis |
| 299 Ouders bellen over een kind van 3 met piepende ademhaling, angst, hoge koorts en niet willen drinken. Wat doen? A. Huisbezoek zonder keel inspectie B. Direct insturen C. Corticosteroiden | B. Direct insturen |
| 300 Welke neusholte bevindt zich tussen beide orbita? A. Wiggebeenholte B. Kaakholte C. Voorhoofdsholte D. Zeefbeenholte | D. Zeefbeenholte (sinus ethmoidalis, wiggebeenholte: sinus sphenoidalis, kaakholte: sinus maxillaris, voorhoofdsholte: sinus frontalis) |
| 301 Wat is de kans op blindheid bij bacteriele cellulitis orbita stadium IV? A. 0,1-1% B. 5-10% C. 11-20% D. >20% | C. 11-20% (?) |
| 302 Bij een kind lijkt het oog naar buiten te puilen bij een sinusitis, verder geen klachten. Welk orbita stadium? A. I B. II C. III D. IV | C. III |
| 303 Een kind van 3 hoort minder goed, Weber is mediaan en Rinne beiderzijds negatief. Wat is de oorzaak? A. Congenitaal oordefect B. Otitis media | B. Otitis media |
| 304 Een man heeft kloppende pijn achter zijn oog, met pussige uitvloed uit de neus. Wat wordt er als eerst gedaan? A. Rontgenfoto B. Antibiotica C. Kweek | B. Antibiotica (acute ethmoiditis) |
| 305 Bij een sinusitis wordt de neustoegankelijkheid bevorderd met: A. Corticosteroiden B. Kaakspoeling C. Oxymetazoline D. Fenylefrine | C. Oxymetazoline (een sympaticomimeticum met voornamelijk alfa-effect) |
| 306 Iemand komt met braken en rechtszijdig vallen, naar welke kant nystagmus? A. Links B. Rechts C. Beide | A. Links |
| 307 Wat hoort NIET bij Meniere, maar WEL bij BPPD? A. Vertigo B. Tinnitus C. Canalolithiasis | C. Canalolithiasis |
| 308 Tinnitus komt NIET voor bij BPPD. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 309 De ziekte van Meniere: A. Verergert door psychische stress B. Wordt het beste behandeld door verwijdering van het labyrinth C. Veroorzaakt geleidingsverlies | A. Verergert door psychische stress (geen geleidings-, maar wel perceptieverlies) |
| 310 Iemand heeft last van braken en misselijkheid, er is sprake van: A. Ziekte van Meniere B. BPPD C. Beide D. Geen van beide | C. Beide (komt wel vaker voor bij Meniere) |
| 311 Bij het verwijderen van welke tonsillen krijgen patienten met palatoschizis last van regurgitatie in de neusholte? A. Keeltonsillen B. Adenoid C. Tongtonsillen | B. Adenoid |
| 312 Een kind met palatoschizis heeft meer kans op chronische otitis media. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (door verminderde functie van tuba auditiva) |
| 313 Hoeveel kinderen tussen 0 en 6 jaar maken een acute otitis media door? A. 40% B. 50% C. 60% D. 70% | D. 70% (treedt op in het beloop van een bovensteluchtweginfectie) |
| 314 Welk van onderstaande symptomen is een vroeg verschijnsel van neuspoliepen? A. Reukvermindering B. Mucopurulente secretie C. Afwezige peristaltiek | A. Reukvermindering |
| 315 Hoeveel % van de Nederlandse bevolking heeft last van allergische rhinitis? A. 5-10% B. 15-20% C. 20-30% D. 35-40% | C. 20-30% (symptomen: - rhinorroe - neusverstopping - jeuk aan neus en gehemelte - niezen) |
| 316 Een patient heeft last van neusverstopping en ernstige oorpijn als gevolg van myringitis bullosa, wat is het beleid? A. Oordruppels met lidocaine B. Blaren doorprikken en orale analgetica C. Spontane regressie | A. Oordruppels met lidocaine |
| 317 Patient met een jeukend, branderig plekje onder de neus, met droge en schilferige huid. Wat is de behandeling? A. Systemische corticosteroiden B. Lokale corticosteroiden en lokale antibiotica | B. Lokale corticosteroiden en lokale antibiotica (eczeem van vestibulumhuid, soms secundair aan chronische purulente rhinosinusitis met veel secretie) |
| 318 Kinderen hebben een hogere mortaliteit (morbiditeit) bij een tonsillectomie dan volwassenen. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 319 Bij volwassenen is een langere ziekenhuisopname gewenst na een tonsillectomie dan bij kinderen. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 320 Door welke zenuw worrdt de wurgreflex veroorzaakt? A. N. Vagus B. N. Trigeminus C. N. Glossopharyngeus D. N. Hypoglossus | C. N. Glossopharyngeus |
| 321 In het adenoid en de keeltonsillen komen zowel T- als B-lymfocyten voor. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 322 De zenuwen betrokken bij de slikactie zijn: n. trigeminus, n. glossofaryngeus, n. vagus en n. accesorius. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (n. trigeminus, n. facialis, n. glossofaryngeus en n. vagus) |
| 323 Een parese van de n. laryngeus superior: A. Geeft meer stemklachten bij het produceren van lage tonen B. Geeft een gestoorde mobiliteit van een larynxhelft C. Wordt als klinische diagnose vaak gemist D. Wordt bij voorkeur chirurgisch behandeld | C. Wordt als klinische diagnose vaak gemist (geeft meer stemklachten bij hoge tonen, ongestoorde mobiliteit en wordt logopedisch behandeld) |
| 324 De glandula parotis produceert meer dan 50% van het speeksel. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (3/2 glandula submandibularis, 3/4 glandula parotidea) |
| 325 Een voetballer komt nadat hij een bal op zijn oor heeft gehad. Er lekt vloeistof uit zijn oor, wat is het? A. Endolymfe B. Perilymfe C. Liquor | B. Perilymfe (labiryntvensterruptuur) |
| 326 Wat is de volgorde van de gehoorsbeentjes vanaf het trommelvlies? A. Malleus, incus, stapes B. Incus, stapes, malleus C. Stapus, malleus, incus | A. Malleus, incus, stapes |
| 327 Een patient kan na een keelontsteking zijn stemgeluid niet meer terugvinden, dit is een: A. Constitutionele spraakstoornis B. Habituele dysfunctie | B. Habituele dysfunctie |
| 328 Waar blijft een visgraat NIET vastzitten? A. Epiglottis B. Tongbasis C. Valleculae D. Tonsillen | A. Epiglottis |
| 329 Welke benige structuur zie je door het trommelvlies heen? A. Nijptang B. Hamersteel C. Stijgbeugel D. Aambeeld | B. Hamersteel (malleus, stijgbeugel=stapes, aambeeld=incus) |
| 330 Leukoplakie op de stembanden wijst het vaakst op: A. Verminderde differentiatie van het epitheel B. Maligne ontaarding | B. Maligne ontaarding (is een premaligne afwijking) |
| 331 Wat is het beleid bij een peritonsillair abces? A. Incideren en draineren B. Antibiotica | A. Incideren en draineren (eventueel herhaaldelijk punctueren) |
| 332 Wat is een synoniem voor n. recurrens? A. n. laryngeus superior B. n. laryngeus inferior C. n. vagus intermedius | B. n. laryngeus inferior |
| 333 Welke stembandaandoening komt het meest voor bij mannen? A. Knobbel B. Poliep C. Reinke's oedeem | B. Poliep (knobbel uitsluitend bij jonge vrouwen, Reinke's oedeem bij rokende vrouwen van middelbare leeftijd) |
| 334 Leidt een paralyse van een n. recurrens altijd tot heesheid? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 335 Welke van onderstaande stoffen is NIET ototoxisch? A. Alcohol B. Lisdiuretica (zoals Furosemide) C. Aminoglycosidenantibiotica (zoals Gentamycine) D. Betablokkers (zoals metoprolol) | D. Betablokkers |
| 336 Van welk soort gehoorsverlies is er sprake bij een probleem met de gehoorbeentjes? A. Perceptief B. Geleidings | B. Geleidings |
| 337 Wat is de behandeling van een ethmoiditis? | Antibiotica (infectieuze sinusitis) |
| 338 Welke sinus geeft orbitale complicaties? A. Ethmoidalis B. Maxillaris C. Frontalis | A. Ethmoidalis (orbitale complicaties komen vooral bij kinderen voor) |
| 339 Door welke zenus worden de chorda tympani geinnerveerd? A. n. vagus B. n. facialis C. n. cohclearis | B. n. facialis |
| 340 Waar is sprake van bij een brughoektumor met tinnitus? A. Schwannoom van n. vestibularis B. Schwannoom van n. cochlearis | A. Schwannoom van n. vestibularis |
| 341 Bij welke van de volgende patienten met sinusitis is antibiotica NIET geindiceerd? A. Oude man, 2 dagen ziek met 39,5 en purulente secretie B. Jongen, 5 dagen ziek met 37,5 C. Jongen met ernstige sinusitis volgens huisarts met otitis media | B. Jongen, 5 dagen ziek met 37,5 (patienten behandelen: - met klachten die in 14 dagen niet zijn afgenomen - die opnieuw koorts krijgen in 1 klachtenepisode - met een gestoorde afweer - die 4e klachtenepisode binnen 1 jaar doormaken) |
| 342 De m. tensor tympani wordt geinnerveerd door: A. n. facialis B. n. trigeminus C. n. cochlearis D. n. vestibularis | B. n. trigeminus |
| 343 Welke stelling over het orgaan van Corti is juist? A. Binnenste haarcellen geleiden de trillingen, de buitenste filteren en versterken het geluid B. Buitenste haarcellen geleiden de trillingen, de binnenste filteren en versterken het geluid | A. Binnenste haarcellen geleiden de trillingen, de buitenste filteren en versterken het geluid |
| 344 Treedt er hyperpolarisatie op bij buiging van de haarcel richting de stria in het orgaan van Corti? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (zorgt voor depolarisatie) |
| 345 Hoge frequenties worden bij de base van het orgaan van Corti waargenomen en lage frequenties aan de apex. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 346 Loudness recruitment ontstaat door schade aan de buitenste haarcellen in het orgaan van Corti. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 347 Hoge tonen kunnen makkelijker lage tonen maskeren dan andersom? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 348 Als in een spraakaudiogram de curve naar rechts verschuift ten opzichte van de referentiewaarde dan is er sprake van: A. Geleidingsslechthorendheid B. Perceptieverlies C. Beide | A. Geleidingsslechthorendheid |
| 349 De proef van Rinne zegt NIETS over het perceptieverlies van de patient. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 350 Hoeveel cupula bevinden zich in het labyrint? A. 1 B. 2 C. 3 D. 4 | C. 3 |
| 351 Waar ontstaat de ziekte van Meniere door? A. Scheurtje in het membraan van Reisner B. Ontsteking binnenoor C. Overproductie van endolymfe D. Infectie van het orgaan van Corti | A. Scheurtje in het membraan van Reisner |
| 352 In welke van de drie semicirculares komen canalolithiasis het meest voor? A. Anterior B. Posterior C. Lateralis | B. Posterior |
| 353 Welke zenuw verzorgt de sensibiliteit van de hypofarynx? A. N. Glossopgaryngeus B. N. Laryngeus superior C. N. Recurrens D. N. Facialis | B. N. Laryngeus superior |
| 354 Het Bell fenomeen houdt in dat het oog lateraalcraniaal wegdraait op het moment dat de patient het oog probeert te sluiten. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 355 Welk van onderstaande opdrachten hoort niet bij het lichamelijk onderzoek van de n. facialis? A. Optrekken wenkbrauwen B. Ogen sluiten C. Optrekken neusvleugels D. Wangen bol blazen | C. Optrekken neusvleugels |
| 356 Wat is in de normale bevolking de prevalentie van inflammatoire slijmvliespathologie op een MRI-sinussen? A. 5% B. 15% C. 30% D. 45% | C. 30% |
| 357 Waar in de neusholte monden de sinussen uit? A. Concha media B. Meatus media C. Concha inferior D. Meatus inferior | B. Meatus media |
| 358 Wat is het eerste keus onderzoek bij een sinusitis maxillaris? A. MRI B. CT C. Rontgen | B. CT |
| 359 Welk orgaan speelt GEEN rol bij het optreden van complicaties van de bof? A. Pancreas B. Longen C. Testikels D. Meningen | B. Longen |
| 360 In welk stadium van orbitale complicaties is de aandoening niet meer eenzijdig? A. 2 B. 3 C. 4 D. 5 | D. 5 |
| 361 De n. laryngeus verzorgt de innervatie van de m. cricothyroideus. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 362 Een 42 jarige patient presenteert zich met dyspnoe, stridor, maar een normale stem. Welk n. recurrens letsel? A. Dubbelzijdige mediale stilstand B. Dubbelzijdige laterale stilstand C. Enkelzijdige mediale stilstand D. Enkelzijdige laterale stilstand | A. Dubbelzijdige mediale stilstand |
| 363 64 jarige man met enkelzijdige rode zwelling op de vrije rand van de stemplooi, behandeld door een microlaryngoscopische verwijdering. Diagnose? A. Stemplooipoliep B. Reinke's oedeem C. Stemplooiknobbel | A. Stemplooipoliep |
| 364 De kans dat een patient met larynxcarcinoom een 2e carcinoom in het hoofd-halsgebied ontwikkelt is 2% per jaar. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 365 In welk kwadrant van het trommelvlies wordt normaliter de lichtreflex verwacht? A. Achter-boven B. Achter-onder C. Voor-boven D. Voor-onder | D. Voor-onder |
| 366 Klachten van spontaan optredende duizeligheid met tinnitus past het beste bij: A. BPPD B. Ziekte van Meniere C. Brughoektumor | B. Ziekte van Meniere |
| 367 Welke twee complicaties van sinusitis komen vrijwel NOOIT bij kinderen <5 jaar voor? A. Bacteriele cellulitis orbita & meningitis B. Pott's puffy tumor & bacteriele cellulitis orbita C. Intracraniaal abces & Pott's puffy tumor | C. Intracraniaal abces & Pott's puffy tumor |
| 368 Het palperen van de schildklier kan men het beste doen wanneer men voor de patient staat. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 369 De hals is anatomisch ingedeeld in niveau I t/m VI, waarvan niveau II de bovenste jugulaire lymfegroep is. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 370 Het ontstaan van hydrops bij de ziekte van Meniere wordt deels toegeschreven aan een verminderde afvoer van perilymfe. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (endolymfe) |
| 371 Een 3 jarig jongetje komt op de CSO met een inspiratoire stridor en blafhoest, wat is de meest waarschijnlijkde diagnose? A. Epiglottitis B. Laryngotracheobronchitis C. Laryngisitis sublottica | C. Laryngisitis sublottica |
| 372 Welk orgaan zorgt voor evenwicht als je tijdens het rennen een scherpe bocht naar rechts maakt? A. Booggang B. Macula | A. Booggang |
| 373 Welke speekselklier is bij de bof meestal ontstoken? A. Glandula parotidae B. Glandula submandibularis C. Glandula sublingualis | A. Glandula parotidae |
| 374 Wat is de oorzaak van een articulatiestoornis na een recent behandelde hazelip? A. Ontwikkelingsstoornis (dyslalie) B. Afwijking van een spraakorgaan (dysglossie) C. Beperking in motorische besturing (dysartrie) | B. Afwijking van een spraakorgaan (dysglossie) |
| 375 Welke acute luchtwegobstructie wordt veroorzaakt door H. Influenza en is zeer ernstig? A. Laryngitis subglottica B. Laryngotracheobronchitis C. Epiglottitis | C. Epiglottitis |
| 376 Via welke zenuw verloopt de hoestreflex bij prikkeling van de gehoorgang? A. Auriculare tak van n. vagus B. N. auriculotemporalis van n. trigeminus C. N. tympanicus van n. glossopharyngeus D. N. facialis | A. Auriculare tak van n. vagus |
| 377 Bij het horen met 1 oor worden beide auditieve cortices geactiveerd. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 378 Bij een niet-afwijkend spraakaudiogram wordt een 100% foneemscore behaald bij: A. 25 dB B. 45 dB C. 65 dB D. 85 dB | B. 45 dB |
| 379 Unilateraal gehoorverlies met verminderde spraakdiscriminatie en tinnitus is kenmerkend voor een brughoektumor, welk soort? A. Schwannoom van n. cohclearis B. Schwannoom van n. vestibularis C. Meningeoom D. Primair congenitaal cholesteatoom | B. Schwannoom van n. vestibularis |
| 380 Een audiogram kan het onderscheid tussen perceptief en geleidingsdoofheid weergeven. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 381 Meniere geeft positie afhankelijke draaiduizeligheid. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (PBBD is positieafhankelijk, Meniere is structureel) |
| 382 Een CT-hals bij een patient met een klein larynxcarcinoom toont een 15mm lymfeklier aan ipsilaterale zijde, wat is de diagnostische stap? A. MRI-hals B. Echogeleide punctie C. Biopsie D. PET-scan | B. Echogeleide punctie |
| 383 Welke behandeling heeft de voorkeur bij een T2 larynxcarcinoom zonder halskliermetastasen? A. Radiotherapie B. Chemoradiatie C. Laryngectomie D. Laserevaporisatie | A. Radiotherapie |
| 384 Welk larynxcarcinoom wordt in een vroeg stadium ontdekt? A. Subglottisch larynxcarcinoom B. Glottisch larynxcarcinoom C. Supraglottisch larynxcarcinoom | B. Glottisch larynxcarcinoom |
| 385 Een grote meerderheid van de speekselklier tumoren bevindt zich in de glandula parotis. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (80%, waarvan 25% maligne is) |
| 386 Een etiologische factor voor de ontwikkeling van een speekselkliertumor is bestraling speekselklierweefsel. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 387 Glottische larynxcarcinomen hebben een slechtere prognose dan supraglottische larynxcarcinomen. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (kans op lymfekliermetastasen is groter bij supraglottische carcinomen) |
| 388 Een carcinoom van de larynx is het meest waarschijnlijk een: A. Adenocarcinoom B. Planocellulair carcinoom | B. Planocellulair carcinoom |
| 389 Bij welke speekselklier is een tumor vrijwel altijd maligne? A. Parotis B. Submandibulair C. Sublinguaal | C. Sublinguaal |
| 390 Wat is de meest voorkomende plaats voor een maligniteit in de mond? A. Sublinguaal B. Submandibulair C. Parotis | B. Submandibulair |
| 391 Maligne melanomen komen zelden voor in: A. Anale kanaal B. Orofarynx C. Huid D. Ogen | B. Orofarynx (locaties: huid, oog, mondholte, vulva en anus/rectum) |
| 392 Welk symptoom past bij thyreotoxicose? A. Obstipatie B. Gewichtstoename C. Inertie (traagheid) D. Nervositeit | D. Nervositeit (rest past bij hypothyreoidie) |
| 393 Wat is de meest voorkomende locatie van een larynxcarcinoom? A. Supraglottisch B. Transglottisch C. Glottisch D. Subglottisch | C. Glottisch |
| 394 Een patiente met langdurige klachten van dyspnoe bij lange inspanning, met rood slijmvlies aan de achterzijnde van de tong. Wat is de diagnose? A. Allergische rhinitis B. Gastrofaryngeale reflux C. Larynxcarcinoom D. Excessief stemgebruik | B. Gastrofaryngeale reflux |
| 395 Wat is er bij een cholesteatoom zichtbaar bij otoscopie? A. Trommelvliesperforatie met granulatieweefsel B. Gaaf, grijs, glanzed trommelvlies C. Geen zichtbaar trommelvlies door obstructie D. Infiltraat | A. Trommelvliesperforatie met granulatieweefsel (zichtbaar in het achterste kwadrant) |
| 396 Wat is de de meest voorkomende oorzaak van epistaxis? A. Uitdroging neusslijmvlies door neusspray B. Bij jonge kinderen uit plexus Kiesselbach C. Bij oude mensen uit plexus Kiesselbach | B. Bij jonge kinderen uit plexus Kiesselbach |
| 397 Wat moet een KNO-arts doen bij een vrouw met dyspnoe en een globusgevoel? A. Doorsturen naar longarts B. Spirometrie C. Antibioticum D. Flexibele scopie | D. Flexibele scopie |
| 398 In welke klier zit een preauriculaire zwelling? A. Parotis B. Sublingualis C. Submandibularis | A. Parotis |
| 399 Vrouw met niet reversibele Reinke oedeem en hyperfunctioneel stemgebruik, wat is hier de indicatie voor logopedie? A. Niet duidelijk B. Hyperfunctioneel stemgebruik C. Reinke oedeem D. Als behandeling bij laryngoscopische correctie | B. Hyperfunctioneel stemgebruik |
| 400 Lawaaidoofheid geeft een dip bij: A. 500 Hz B. 2000 Hz C. 4000 Hz D. 6000 Hz | C. 4000 Hz (dip tussen 4000-6000) |
| 401 Waar wordt een neuspoliep door veroorzaakt? A. Allergie B. Neusbijholteontsteking | B. Neusbijholteontsteking |
| 402 Welk frequentiegebied wordt door langdurige blootstelling aan lawaai het meeste aangedaan? A. Hoge frequenties B. Lage frequenties | A. Hoge frequenties |
| 403 Tijdens een aanval van Benigne Paroximale Positieveranderings Duizeligheid ervaart de patient oorsuizen. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 404 Bij welke patientengroep komt Reinke oedeem vooral voor? A. Vrouwen B. Mannen C. Gelijk | A. Vrouwen |
| 405 Iemand heeft vermoedelijk een chronische sinusitis, wat is het juiste diagnosticum? A. CT B. Rontgen C. MRI D. Echo | A. CT |
| 406 Hoe wordt de lokalisatie van het snurkgebied vastgesteld? A. Endoscopie met flexibele scoop B. Endoscopie met starre scoop | A. Endoscopie met flexibele scoop |
| 407 Wat is de meest voorkomende lokalisatie van het snurkgebied? A. Tongbasis tegen farynxachterwand B. Tongbasis tegen epiglottis C. Palatum molle en uvula tegen farynxwand | C. Palatum molle en uvula tegen farynxwand |
| 408 Wanneer is er sprake van obstructief slaapapneu syndroom (OSAS)? A. Bij >5 apnoes per uur B. Bij >5 apnoes per uur en >10 desaturaties onder 90% C. Bij >10 apnoes per uur D. Bij >10 apnoes per uur en >5 desaturaties onder 90% | D. Bij >10 apnoes per uur en >5 desaturaties onder 90% |
| 409 Welke groep wordt het vaakst getroffen door een Bellse paralyse? A. Kidneren tussen 4 en 12 jaar B. Mannen tussen 30 en 40 jaar C. Vrouwen tussen 40 en 50 jaar | B. Mannen tussen 30 en 40 jaar |
| 410 In welke speekselklier komen speekselstenen het meeste voor? A. Parotis B. Submandibularis | B. Submandibularis |
| 411 Welke halfcirkelvormige kanalen zijn bij BPPD het meest aangedaan? A. Ductus semicircularis anterior B. Ductus semicircularis lateralis C. Ductus semicircularis posterior | C. Ductus semicircularis posterior |
| 412 Bij orbitale complicaties van een ethmoiditis is de zwelling meer uitgesproken ter hoogte van: A. Het bovenooglid B. Het onderooglid | A. Het bovenooglid |
| 413 Bij welke aandoening worden neuspoliepen op kinderleeftijd gevonden? A. CF B. MS C. Duchenne D. Quervain | A. CF |
| 414 Wat is de meest voorkomende stembandafwijking bij jonge vrouwen? A. Reinke oedeem B. Stembandknobbel C. Stembandpoliep | B. Stembandknobbel |
| 415 Bij een patient is sprake van een negatieve Rinne rechts. Wat is er aan de hand? A. Normaal gehoor rechts B. Geleidingsverlies rechts C. Perceptieverlies rechts | B. Geleidingsverlies rechts |
| 416 Wat is de behandeling bij een stabiele pertrochanterfractuur? A. Dynamische heupschroef B. De gecanuleerde pinnen C. Elastische heupband D. Rek-zweefmatje | A. Dynamische heupschroef |
| 417 Hoe noemt men een niet genenezen fractuur? A. Non-union B. Mal-union C. Delayed-union | A. Non-union (hypertrofische- of atrofische pseudoartrose, mal-union: deformiteit, delayed-union: duurt langer dan 3 maanden) |
| 418 Een patient op de CSO heeft met voetbal een klap op de thorax gehad. Nu een aantal gebroken ribben, geen ademgeruis, demping bij percussie. Diagnose? A. Haematothorax B. Pneumothorax C. Pleuritis | A. Haematothorax (bij een pneumothorax zou de percussie hypersonoor zijn) |
| 419 Hoeveel heupfracturen zijn er per jaar in Nederland? A. 5000 B. 10.000 C. 15.000 D. 20.000 | D. 20.000 (met name vrouwen en 65+) |
| 420 Welke percentage overlijdt binnen 1 jaar aan een heupfractuur? A. 15% B. 25% C. 35% D. 50% | B. 25% |
| 421 Doel van ATLS bij een grote ramp: de mensen met de grootste kans op overlijden worden als eerst behandeld. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (adequate opvang regelen volgens ABCDE principe, wie eerst wordt behandeld is triage) |
| 422 Welke bloedgroep is een universele ontvanger? A. 0+ B. 0- C. AB+ D. AB- | C. AB+ (0+ is universele donor) |
| 423 Waar bevindt zich de meest voorkomende fractuur van de voet? A. Talus B. Calcaneus C. Os naviculare | B. Calcaneus |
| 424 Welke schroef bevindt zich intramedulair? A. Plaat met schroeven B. Kop-halsprothese C. Pen met glijdende heupschroef D. Dynamische heupschroef | B. Kop-halsprothese |
| 425 Welk katabool mechanisme bij een polytraumapatient neemt NIET toe? A. Glucogenese B. Insuline secretie C. ACTH D. Sympatische activiteit | B. Insuline secretie (C&D zorgen voor toename van stresshormonen) |
| 426 Welke breuk heet een Jones fractuur? A. Metatarsale II B. Metatarsale III C. Metatarsale IV D. Metatarsale V | D. Metatarsale V |
| 427 Welke spier zit aan de dorsale zijde van het onderbeen? A. m. semitendinosus B. m. soleus C. m. extensor hallucis longus D. m. fibularis | B. m. soleus |
| 428 Hoeveel handwortelbeentjes zijn er per hand? A. 6 B. 7 C. 8 D. 9 | C. 8 |
| 429 Hoeveel phalangeale botten bevat elke hand? A. 5 B. 7 C. 14 D. 19 | C. 14 |
| 430 Bij welke spier hoort de achillespees? A. m. gastrocnemius B. m. tibialis anterior C. m. tibialis posterior D. m. flexor hallucis longus | A. m. gastrocnemius |
| 431 Waarbij ontstaan een Charcot voet? A. Nauropathische desintegratie van het voetskelet B. Valgusstand van de voet C. Metatarsalgie D. Artritis van de MTP-gewrichten | A. Nauropathische desintegratie van het voetskelet (vooral bij DM patienten) |
| 432 Waar zit de neuralgie van Morton? A. Hand B. Voet C. Pols D. Been | B. Voet (beklemming van de interdigitale plantaire zenuw) |
| 433 Waar zit de m. peroneus? A. Onderbeen B. Voet C. Arm | A. Onderbeen |
| 434 Wat voor soort fractuur heeft een skier? A. Torsie B. Avulsie C. Angulatie D. Compressie | A. Torsie |
| 435 Bij het verzwikken van de enkel treedt er zelden een ruptuur op van het ligament: A. Calcaneofibulare B. Voorste laterale enkelband C. Achterste laterale enkelband | C. Achterste laterale enkelband |
| 436 Moet er volgens de Ottowa Ankle rules een foto gemaakt worden als er GEEN drukpijn op de mediale malleolus is? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 437 Bij een contusie is er net zoals bij een rotatie sprake van een indirect trauma. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (contusie is direct) |
| 438 Contusie is in tegenstelling tot een distorsie een gevolg van direct inwerkend geweld. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 439 Welke enkelband is het vaakst aangedaan bij letsels? A. Talofibulare posterior B. Talofibulare anterior C. Calcaneofibulare D. Mideale banden | B. Talofibulare anterior (bij inversie/endorotatie letsel, soms ook calcaneofibulare) |
| 440 Welk onderzoek is het minst bijdragend aan een acute knie? A. Rontgen B. Lichamelijk onderzoek C. Punctie D. Herbeoordeling na 3 dagen | B. Lichamelijk onderzoek |
| 441 Welk letsel ontstaat er na een val op de pols in pronatiestand? A. Scaphoid fractuur B. Distale radius fractuur C. Distale ulna fractuur | B. Distale radius fractuur |
| 442 Wat is de behandeling van een compartimentssyndroom? A. 4-loge fasciotomie B. Fasciectomie met hechten C. Benen omhoog met een drukverband | A. 4-loge fasciotomie |
| 443 Wat is de meest waarschijnlijke plek van een osteoporotische breuk? A. Wervel B. Collum femoris C. Distale radius | A. Wervel |
| 444 Waar wordt een incisie gemaakt bij een nood tracheotomie? A. Tussen hyoid en thyroid (membrana thyrohyoidea) B. Tussen thyroid en cricoid (membrana cricothyroidea) C. Tussen cricoid en eerste kraakbeenring van de trache | B. Tussen thyroid en cricoid (membrana cricothyroidea) |
| 445 Tot de reactie op polytrauma wordt gerekend: A. Gluconeogenese B. Verhoogde insuline secreties C. Prikkeling van parasympaticus D. Daling van adrenaline | A. Gluconeogenese |
| 446 Welke twee vormen van shock hebben dezelfde pathofysiologie? A. Hypovolemisch en septisch B. Obstructief en septisch C. Cardiogeen en obstructief D. Neurogeen en obstructief | C. Cardiogeen en obstructief |
| 447 Welke vormen van shock hebben dezelfde pathofysiologie? A. Neurogeen en septisch B. Hypovolemisch en septisch C. Obstructief en septisch | A. Neurogeen en septisch (vasodilatatie) |
| 448 Welke shock heeft verlaagde CVD, verlaagde perifere weerstand, verlaagde cardiac output en verlaagde pulmonale wiggedruk? A. Septische shock B. Mentale shock C. Cardiogene shock D. Hypovolemische shock | A. Septische shock (of anafylactisch) |
| 449 Wanneer is er ophistotonus (hoofd niet gemakkelijk naar voren kunnen buigen)? A. AIDS B. Malaria C. Tetanus | C. Tetanus (spasticiteit van rugspieren, is een slecht teken) |
| 450 Welke avitaminose veroorzaakt xerophtalmia (droge ogen)? A. Vit A B. Vit D C. Vit K D. Vit C | A. Vit A (vit D: rickets disease, vit C: scheurbuik, vit K: bloedingen) |
| 451 Wat is het mechanisme bij een astma cardiale? A. Hypoperfusie tijdens astmaexacerbatie B. Chemoreceptoren in hersenen C. Bronchus oedeem | C. Bronchus oedeem |
| 452 Van welke aandoening is sprake bij een normale FEV1, afgenomen TLC en normale expiratoire flow? A. Obstructief B. Restrictief | B. Restrictief (FEV1/FVC ratio blijft gelijk) |
| 453 Waar is sprake van bij een inspiratoire stridor? A. Een hoge luchtweg aandoening B. Een lage luchtweg aandoening C. Verminderde weerstand van de long | A. Een hoge luchtweg aandoening (glottisch of daarboven) |
| 454 Wat is het beleid bij longempyeem? | Thoraxdrain (drainage empyeemholte) |
| 455 Hoe kan een verdenking op een longembolie bevestigd worden? A. CT-angio B. D-dimeer C. X-thorax | A. CT-angio (D-dimeer kan de diagnose niet bevestigen, wel waarschijnlijker maken. Een normale CT werkt niet, moet angio zijn) |
| 456 Wat past bij longoedeem? A. Hypertensie B. Basale crepitaties | B. Basale crepitaties |
| 457 Bij een 72 jarige man met pleurale effussie is het aspiraat helder met een eiwitgehalte van 2,4 g/dL. Wat is de oorzaak? A. Infectie B. Pancreatitis C. Maligniteit D. Hartfalen | D. Hartfalen (dit is transudaat, minder dan 30 g/dL eiwit, anders is het exsudaat wat door infectie of maligniteit veroorzaakt wordt) |
| 458 Een patient heeft 4 dagen na een cholecystectomie last van acute benauwdheid door atelectase in de linker long. Wat is de beste ligging? A. Op de linker zij B. Op de rechter zij C. Op de rug D. Op de buik | B. Op de rechter zij (zwaartekracht) |
| 459 Een patient heeft klachten die passen bij een longembolie, welke uitslag past daar niet bij? A. Een normale X-thorax B. Een normale hoeveelheid D-dimeer C. Een normale ECG | B. Een normale hoeveelheid D-dimeer (zou verhoogd moeten zijn) |
| 460 Waar kan een thoraxdrain voor de behandeling van een spontane pneumothorax het beste worden ingebracht? A. In de contralaterale thoraxhelft B. Vlakbij het diafragma C. Langs de onderrand van een rib D. Vlakbij de longtop | D. Vlakbij de longtop |
| 461 Welke borstafwijking komt voor bij een mannelijke Nederlandse olympisch kampioen zwemmen? A. Pectus carinatum (kippenborst) B. Pectus excavatum | B. Pectus excavatum |
| 462 Waar is de ernst van het beloop van een congenitale hernia diafragmatica afhankelijk van? A. Mate van longhypoplasie B. Darmstrangulatie C. Lokalisatie van de hernia | A. Mate van longhypoplasie (hoge mortaliteit bij slechte ontwikkeling van de longen) |
| 463 Een vrouw is binnengebracht op de CSO na een frontale autobotsing met een lage bloeddruk, ribbreuken en longcrepitaties. Wat is de diagnose? A. Haematothorax B. Pneumothorax C. Longcontusie | C. Longcontusie (crepitaties en oorzaak vaak beknellend letsel) |
| 464 Wat is de beste behandeling van atelectase? A. Fysiotherapie liggend op de gezonde zijde B. Drain | A. Fysiotherapie liggend op de gezonde zijde (+ oorzaak aanpakken) |
| 465 Een acuut benauwde patient heeft pleurawrijven bij aucultatie. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A. Pneumothorax B. Pneumonie C. Corpus alienum D. Longembolie | D. Longembolie |
| 466 De term 'aansprakelijkheid' is een synoniem voor 'professionele verantwoordelijkheid'. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 467 In het tuchtcollege zit altijd iemand uit de beroepsgroep van de aangeklaagde, deze hanteert andere tuchtnormen waar kritiek op kwam. Deze normen zijn: A. te hoog B. te laag | A. te hoog |
| 468 Zitten er juridische gevolgen aan een tuchtrechtelijke waarschuwing? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 469 Een patient is vastgebonden aan het bed tegen uit bed vallen. Het materiaal is gebroken waardoor patient is gevallen en de heup heeft gebroken. Mag het ziekenhuis tuchtrechtelijk aangeklaagd worden voor onzorgvuldig materiaal beleid? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 470 Wat vind je bij lichamelijk onderzoek bij een geperforeerd ulcus pepticum? A. Leverdemping is opgeheven B. Defense musculair C. Vagale prikkelijk | A. Leverdemping is opgeheven |
| 471 Wat is de diagnose bij de volgende labwaarden: verhoogd AF, ASAT 80 en ALAT 50? A. Cholecystitis B. Pancreaskopcarcinoom | B. Pancreaskopcarcinoom |
| 472 Het rechter labyrint valt uit, naar welke kant is de nystagmus? A. Links B. Rechts C. Zowel naar links als rechts | A. Links |
| 473 Welke buikspier wordt niet doorgesneden bij een wisselsnede appendectomie? A. m. Obliquus externus B. m. Obliguus internus C. m. Transverus abdominis D. m. Rectus abdominis | D. m. Rectus abdominis |
| 474 Waar zie je pusuitvloed vanuit een parotitis? A. Wang B. Onder de tong C. Zachte gehemelte | A. Wang |
| 475 Wat is een prolaps? A. Uitzakking door natuurlijke lichaamsopening of wond B. Uitpuilen van een tussenwervelschijf C. Liesbreuk | A. Uitzakking door natuurlijke lichaamsopening of wond |
| 476 Wanneer hoor je geen darmgeluiden? A. Mechanische ileus B. Paralytische ileus | B. Paralytische ileus (geen beweging van de darm, bij mechanische ileus doet de darm juist harder zijn best) |
| 477 Welke antibiotica is eerste keus bij een ongecompliceerde UWI? A. Trimetoprim B. Cefotaxim C. Gentamycine | A. Trimetoprim |
| 478 Waarbij is een pendelend mediastinum zichtbaar? A. Open pneumothorax B. Spanningspneumothorax | A. Open pneumothorax |
| 479 Wat is kenmerkend voor een spanningspneumothorax? Hypotensie + A. Gestuwde halsvenen + verminderd ademgeruis ipsilaterale zijde B. Gecollabeerde halsvenen + verminderd ademgeruis ipsilaterale zijde | A. Gestuwde halsvenen + verminderd ademgeruis ipsilaterale zijde |
| 480 Wat is een hernia cicatricalis? A. Navelbreuk B. Liesbreuk C. Littekenbreuk | C. Littekenbreuk |
| 481 Welke bacterie is de meest waarschijnlijke veroorzaker van een infectie van een katheter? A. Klebsiela B. Stafylokokken | B. Stafylokokken (kan ook enterokokken) |
| 482 Wat is de recidiefkans bij gebruik van approximerende hechtingen na een littekenbreuk? A. 5-10% B. 10-20% C. 30-50% D. 50-70% | C. 30-50% |
| 483 Het tuchtcollege geeft een waarschuwing aan een hulpverlener, dit heeft echter geen juridische consequenties. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 484 Wat is het percentage post-operatieve mortaliteit na een collumfractuur bij 55+? A. 10% B. 20% C. 30% D. 40% | C. 30% |
| 485 Wat is de recidiefkans op een post-operatieve littekenbreuk? A. 5-10% B. 10-20% C. 25-30% | B. 10-20% |
| 486 Bij appendicitis is er in de meeste gevallen sprake van een stille buik. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (dit is pas bij peritonitis) |
| 487 Wat is een bijwerking van brachytherapie? A. Demyelinisatie B. Xerostomie C. Teleangiectasien | B. Xerostomie |
| 488 Wat voor shock heeft een patient met warme handen en voeten? A. Neurogeen B. Septisch | B. Septisch (bij septische shock is er geen vasoconstrictie, waardoor warme acra) |
| 489 Een patient komt met claudicatio intermittens, incontinentieklachten en kouden handen en voeten. Waar past dit het beste bij? A. Leriche B. Fontaine | A. Leriche |
| 490 Wat geef je iemand als je morfine geeft? A. Anti-emetica B. Laxantia | B. Laxantia |
| 491 Er komt een kind met koorts, kwijlen en in de huffing position. Wat is de diagnose? A. Epiglottitis B. Laryngitis subglottica C. Laryngotracheobronchitits D. Aspiratie corpus alienum | A. Epiglottitis |
| 492 Is collectieve veroordeling bij tuchtrecht mogelijk? A. Ja B. Nee | A. Ja |
| 493 Vrouw met 3 dagen buikpijn, 1 keer diarree, geen bloed- of slijmbijmenging, geen koorts, geen braken. Wat is er op de foto aan de hand? A. Meckels divertikel B. Normale ileocoecale overgang C. Appendicitis | A. Meckels divertikel |
| 494 Bij hoeveel % van de patienten met volvulus welke endoscopisch gedesouffleerd is krijgen een recidief? A. <25% B. 25-50% C. >50% | C. >50% |
| 495 Bij een geperforeerd ulcus pepticum is sprake van? A. Wisselende pijn B. Acute pijn C. Langzaam ontstane pijn | B. Acute pijn |
| 496 Hoelang mag Otrivin gebruikt worden? A. 7 dagen B. 7-14 dagen C. 14-21 dagen | A. 7 dagen |
| 497 Een 22 jarige vrouw komt bij de huisarts met al 3 dagen last van snotteren en frontale hoofdpijn. Wat is het juiste beleid? A. Adequate pijnstilling B. Antibiotica C. Expectatief | C. Expectatief |
| 498 Wat zijn de symptomen op KNO gebied bij de ziekte van Lyme? A. N. facialisparese + vertiligo B. N. facialisparese + lymfomen C. Problemen met praten en slikken D. Tinnitus | B. N. facialisparese + lymfomen |
| 499 Patienten met allerlei sensibele stoornissen en gehoorsstoornis hebben meest waarschijnlijk: A. Herpes B. Syndroom van Ramsay Hunt | B. Syndroom van Ramsay Hunt (Herpes Zoster oticus) |
| 500 Wat is de curatiekans van resectie van een colorectaaltumor? A. 10% B. 30% C. 50% D. 70% | D. 70% |
| 501 Waarbij wordt immunotherapie gebruikt? A. Mammacarcinoom B. Darmcarcinoom C. Longtumor | A. Mammacarcinoom |
| 502 Waardoor ontstaat n. facialis parese meestal? A. Trauma/chirurgie B. Infectie C. Otitis media | A. Trauma/chirurgie |
| 503 In welk deel van de darm zitten geen villi? A. Duodenum B. Jejunum C. Colon D. Ileum | C. Colon |
| 504 Schimmels zijn prokaryoot. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (zijn eukoaryoot, want bevatten een celkern) |
| 505 Wat zit er niet in de slokdarm? A. Serosa B. Mucosa C. Muscularis D. Submucosa | A. Serosa |
| 506 Een vrouw met premenstrueel ovarieel falen (POF) is afgevallen en heeft hyperpigmentatie. Wat heeft ze? A. Cushing B. Addison | B. Addison |
| 507 Een 16 jarige jongen heeft onderbuikspijn. Wat mag niet gemist worden? A. Torsio testis B. Appendicitis | A. Torsio testis (jongens tussen 12 en 25) |
| 508 Waardoor wordt Cushing meestal veroorzaakt? A. Corticosteroiden gebruik B. Hypofyseadenoom C. Bijnieradenoom | A. Corticosteroiden gebruik (als externe factor, intern meestal door een hyofyse(micro)adenoom) |
| 509 Waardoor ontstaan rubor en calor? A. Excudatie B. Proliferatie C. Hyperemie | C. Hyperemie |
| 510 Wat is een hoogrisico prikaccident? A. Verwonding met naald gebruikt voor een vingerprik B. Spatten bloed op een schaafwond C. Verwonding door intramusculair gebruikte naald zonder zichtbaar bloed | A. Verwonding met naald gebruikt voor een vingerprik |
| 511 Waar zit een zweepslag? A. M. Semitendineus B. M. Gastrocnemius C. M. Semimembraneus | B. M. Gastrocnemius |
| 512 Alcohol kan endosporen wegnemen, chloorhexidine kan dit niet. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (beide kunnen dit niet) |
| 513 Hongeroedeem (Kwashiorkor) komt door een tekort aan: A. Eiwitten B. Koolhydraten C. Vitamine C | A. Eiwitten |
| 514 In welke volgorde verloopt botvorming? A. Kraakbenig collum - plexiform - lamellair B. Kraakbenig collum - lamellair - plexiform C. Lamellair - plexiform - kraakbenig collum | A. Kraakbenig collum - plexiform - lamellair |
| 515 Waardoor wordt hyperaldosteronisme veroorzaakt? A. Hypothalamusadenoom B. Hypofyseadenoom C. Bijnieradenoom | C. Bijnieradenoom (of bijnierhyperplasie) |
| 516 Waar wordt Intrinsieke Factor (IF) geproduceerd? A. Ileum B. Maag C. Pancreas | B. Maag |
| 517 Wat is de functie van het omentum majus? A. Darmwerking B. Sappen vormen C. Voedingsstoffen naar GI D. Tegengaan verspreiding infectie | D. Tegengaan verspreiding infectie (+ vet opslag) |
| 518 Welke bacterie is gramnegatief? A. Bacillus B. Listeria C. Streptokok D. Shigella | D. Shigella |
| 519 Wat is een voorkeursplek bij decubitus? A. Buik B. Hiel C. Tenen D. Knieholten | B. Hiel |
| 520 Wat voor weefsel is de binnenste laag van de oesofagus? | Meerlagig niet-verhoornend plaveiselepitheel |
| 521 Wat is een Monteggia fractuur? | Breuk in het proximale deel van de ulna met een radiuskop dislocatie |
| 522 Wat is een parasiet? A. Eencellig B. Meercellig C. Beide | C. Beide |
| 523 Wat is een Greenstick fractuur? | Fractuur aan een zijde van het bot door buiging van het bot |
| 524 Hoe hard groeit een aneurysma gemiddeld per jaar? A. 5% B. 10% C. 15% D. 20% | B. 10% |
| 525 Welke test heeft de hoogste sensitiviteits en specificiteit bij een appendicitis acuta? A. CT B. Echo C. X-BOZ | A. CT |
| 526 Wat is een normale enkel/arm index? A. 1.3-1.5 B. 0.9-1.3 C. 0.4-0.9 D. <0.4 | B. 0.9-1.3 (na 15-30 min liggen) |
| 527 Wat geeft een verhoogde kans op galblaascarcinoom? A. Galstenen B. Porseleingalblaas | B. Porseleingalblaas |
| 528 Pylorushypertrofie heeft een genetische component. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 529 Wat is amaurosis fugax? | Voorbijgaande blindheid door een tijdelijk verminderde bloedtoevoer |
| 530 Wat is de kans op besmetting bij een percutaan prikaccident bij een patient met HIV? A. 30% B. 10% C. 3% D. 0,3% | D. 0,3% |
| 531 Een jongen heeft een niet diafene zwelling in zijn scrotum, wat is er aan de hand? A. Hydrokele B. Liesbreuk | B. Liesbreuk (diafeen: translucent, dat zou dus een hydrokele zijn) |
| 532 Een appendicitis wordt altijd geopereerd. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (appendicitis acute wordt ALTIJD geopereerd) |
| 533 Man heeft een TIA gehad met krachtsverlies rechts en spraakproblemen. Aan welke a. Carotis vindt behandeling plaats? A. Dextra B. Sinistra C. Beide | B. Sinistra |
| 534 Bij een patient met klachten van claudicatio daalt de E/A index met 0,2 na inspanning (eerst normaal). Deze daling is significant om te behandelen. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 535 Wat veroorzaakt gasgangreen? A. S. Aureus B. Clostridium C. Pseudomonas | B. Clostridium |
| 536 Waar is sprake van bij een inversie trauma van de enkel? A. Pronatie B. Supinatie | B. Supinatie |
| 537 Een man met het syndroom van Cushing heeft huidverkleuring en een volle maan gezicht. Wat is de oorzaak? A. Prednison B. Hypofyseadenoom C. Bijniertumor | B. Hypofyseadenoom |
| 538 Bestraling kan wel bij een rectumcarcinoom, maar niet bij coloncarcinoom. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (bij coloncarcinoom worden teveel omliggende structuren belast) |
| 539 Wat is het minst voorkomende symptoom bij galstenen? A. Braken B. Misselijkheid C. Vetzucht D. Zuurbranden | C. Vetzucht |
| 540 Waar mondt de ductus nasolacrimalis (traanbuis) in uit? A. Concha nasalis superior B. Concha nasalis inferior | B. Concha nasalis inferior |
| 541 Het lig. teres hepatis is een overblijfsel uit de navelstreng. Waarvan? A. V. umbilicalis B. A. umbilicalis C. Ductus umbilicalis | A. V. umbilicalis |
| 542 Wat gebeurt er met de E/A index bij een obstructie van de a. brachialis beiderzijds? A. Hoger B. Lager | A. Hoger |
| 543 Bij verdenking van een DVT wordt bij echo een comprimeerbare vene, maar een oncomprimeerbare arterie gevonden. Is DVT nu bevestigd? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 544 Bij een E/A index van 0,9 is de oorzaak altijd atherosclerose. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 545 Waar mondt de buis van Eustachius in uit? A. Nasofarynx B. Orofarynx C. Hypofarynx | A. Nasofarynx |
| 546 Wat gebeurt er met de druk in het binnenoor bij afsluiting van de buis van Eustachius? A. Hoger B. Lager | B. Lager |
| 547 Welke kleur heeft de huid achtereenvolgens bij de ziekte van Raynaud? A. Wit - blauw - rood B. Rood - blauw - wit C. Blauw - wit - rood | A. Wit - blauw - rood |
| 548 Bij secundaire Raynaud is er sprake van een achterliggende oorzaak. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 549 Het CRP van een patient is na 48 uur <5. Is appendicitis nog waarschijnlijk? A. Ja B. Nee | B. Nee |
| 550 Hoe kun je onderscheid maken tussen een mediale en laterale liesbreuk? A. Ligament van Poupart B. Epigastrische vaten C. M. Rectus femoris | B. Epigastrische vaten |
| 551 Een patient heeft zwarte galstenen. Wat is de oorzaak hiervan? A. Crohn B. CU C. Hemolyse D. Hypercholesterolemie | C. Hemolyse |
| 552 Hemorrhoiden zijn voelbaar bij RT. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 553 Aan welke zijde van de anus komen fissuren het vaakst voor? A. Posterior B. Anterior C. Lateraal | A. Posterior |
| 554 Welk stadium zijn reponibele hemorrhoiden die meteen weer prolaberen? A. I B. II C. III D. IV | D. IV |
| 555 Wat past niet bij de triade van Virchow bij DVT? A. Stase B. Hypercoagulatie C. Hypertensie D. Epitheelschade | C. Hypertensie |
| 556 Welke maligniteit ontstaat uit epitheelweefsel? A. Blastoom B. Adenoom C. Sarcoom | B. Adenoom |
| 557 Wat is er NIET juist bij een compartimentsyndroom? A. Geen pulsaties B. Pijn bij spierrekking C. Paresthesie D. Spierzwakte | A. Geen pulsaties |
| 558 Een leraar heeft net een keelontsteking gehad, nu is hij zijn stem kwijt. Waarvan is hier sprake? A. Habituele dysfonie B. Hypofunctioneel stemgebruik C. Stemstoornis samenhangend met een mutatiestoornis | A. Habituele dysfonie |
| 559 Welk orgaan ligt NIET retroperitoneaal? A. Jejunum B. Colon C. Duodenum | A. Jejunum |
| 560 Bij beiderzijds uitval van de n. laryngeus zijn de symptomen: stridor, dyspnoe en een normale stem. A. Juist B. Onuist | A. Juist |
| 561 Bij een ramp met weinig hulpverleners wordt bij triage gekeken naar: A. De meest ernstige letsels eerst B. De meeste kans op overleving eerst | B. De meeste kans op overleving eerst |
| 562 Als de capaciteit NIET wordt overschreden gaat triage om de meest ernstige letsels eerst naar het ziekenhuis. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 563 Welk orgaan ligt retroperitoneaal? A. Pancreas B. Milt C. Lever D. Allemaal | A. Pancreas |
| 564 Bij een patiënt met verdenking op een appendicitis wordt tijdens de laparotomie een Meckels divertikel gevonden. Wordt de appendix weggehaald? A. Ja B. Nee | B. Nee (bij laparoscopie wordt de appendix niet altijd weggehaald bij een duidelijke oorzaak van de klachten) |
| 565 Wat is de cochlea? A. Middenoor B. Evenwichtsorgaan C. Binnenoor | C. Binnenoor |
| 566 Hoeveel halfcirkelvormige bogen zijn er per oor? A. 1 B. 2 C. 3 D. 4 | C. 3 |
| 567 Wat is de functie van de utriculus? A. Hoekversnelling B. Horizontale verplaatsing C. Verticale verplaatsing | B. Horizontale verplaatsing |
| 568 Wat is een Galleazi fractuur? | Een breuk van de radius met een distale radiulnaire dislocatie |
| 569 Waar komt de stapes tegenaan? A. Ronde venster B. Ovale venster | B. Ovale venster |
| 570 Bij welke OK is er MEER kans op strengvorming? A. Bovenbuik OK B. Onderbuik OK | B. Onderbuik OK |
| 571 Wat is een veroorzaker van laryngitis subglottica? A. H. Influenza B B. Respiratoir syncitieel virus (RS) | B. Respiratoir syncitieel virus (RS) |
| 572 Wat is het eerste symptoom van een carcinoom in het colon ascendens? A. Obstipatie B. Helderrood bloedverlies C. Anemie | C. Anemie |
| 573 Het middenoor is normaal gesproken gevuld met: A. Liquor B. Lucht C. Endolymfe D. Water | B. Lucht |
| 574 Wat is de behandeling van een derde graads hemorrhoid? A. Hemorroidectomie B. Bandligatie | B. Bandligatie |
| 575 Welk orgaan is geheel intraperitoneaal gelegen? A. Colon ascendens B. Colon transversum C. Duodenum D. Blaas | B. Colon transversum |
| 576 Patiënt heeft een maagresectie gehad, waardoor er geen IF meer wordt gevormd. Welk vitaminetekort? A. K B. C D. B12 | D. B12 |
| 577 Welke oorzaak kan ten grondslag liggen aan neuspoliepen? A. Rhinosinusitis B. Allergische rhinitis C. Beide D. Beide niet | A. Rhinosinusitis |
| 578 Welk percentage lichaamsoppervlak is verbrand bij een arm en de ventrale zijde van de romp? A. 18 B. 36 C. 27 | C. 27 |
| 579 Wat wordt als late complicatie van chemotherapie gezien? A. Alopecia (haarverlies) B. Orale ulcera C. Misselijkheid D. Myocardie | D. Myocardie |
| 580 Wat behoort NIET tot de principes van brachytherapie? A. Huid wordt niet beschadigd B. Sparing omliggende weefsels door snelle fractieafname C. Beter herstel tussenliggende weefsels | C. Beter herstel tussenliggende weefsels |
| 581 Waar komen de ulcera van de maag door H. Pylori het vaakst voor? A. Fundus B. Antrum C. Cardia D. Corpus | B. Antrum |
| 582 Intrinsic factor zorgt voor opname van: A. Vit B12 B. Foliumzuur C. Vit C | A. Vit B12 |
| 583 Antibiotica bij brandwonden wordt vooral gegeven tegen E. Coli en P. Aeruginosa. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 584 Het ligament van Treitz verbindt de overgang duodenum/jejunum met hiatus oesofagi. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 585 Hoe ziet het slijmvlies er uit bij chronische allergische rhinitis? A. Rood gezwollen B. Rood atrofisch C. Bleek gezwollen D. Bleek atrofisch | C. Bleek gezwollen |
| 586 Waar mondt de papil van Vater in uit? A. Duodenum ascendens B. Duodenum descendens C. Duodenum transversum | B. Duodenum descendens |
| 587 Wat is de kans op maligne ontaarding bij een solitaire schildklier nodus? A. 0,1% B. 1% C. 10% | C. 10% |
| 588 Moet een liesbreuk geopereerd worden bij een kind <1 jaar? A. Ja B. Nee | A. Ja |
| 589 Wat gebeurt er met de druk in het middenoor bij de valsalva manoeuvre (open buis van Eustachius)? A. Lager B. Gelijk C. Hoger | C. Hoger |
| 590 Meniere is NIET opwekbaar. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 591 Reukvermindering is een van de eerste symptomen bij neuspoliepen. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 592 Waar lopen de zenuwen proximaal in de arm? A. Mediaal B. Lateraal | A. Mediaal |
| 593 De functie van de m. biceps femoris is anteflexie van de heup? A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (retroflexie) |
| 594 Welke klacht geeft arterieel vaatlijden? A. Zwaar gevoel in de benen B. Zeurende pijn | B. Zeurende pijn |
| 595 Een perianaal abces wordt na drainage gehecht. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (geen hechtingen) |
| 596 Bij een kleincellig longcarcinoom is een operatieve behandeling mogelijk. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 597 Wat is de piekleeftijd voor pylorushypertrofie diagnose? A. 2 weken - 3 maanden B. > 1 jaar C. 1-3 jaar | A. 2 weken - 3 maanden |
| 598 Als gevolg van een daling in colloid osmotische druk ontstaat een bolle buik. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 599 Wat is het beste onderzoek van venen? A. CT-angio B. Duplex | B. Duplex |
| 600 Wat is de beste behandeling bij MSSA? A. Vancomycine B. Flucloxacilline C. Fenoxymethylpenicilline | B. Flucloxacilline |
| 601 Wat is de beste behandeling bij MRSA? A. Vancomycine B. Flucloxacilline C. Fenoxymethylpenicilline | A. Vancomycine |
| 602 Er is een verdenking op mammacarcinoom, waarbij 2 bultjes voelbaar zijn. Patiënte is op dit moment ongesteld. Wat nu? A. Doorverwijzen mammapoli B. Na menstruatie terug laten komen | B. Na menstruatie terug laten komen |
| 603 Een verschuiving van het mediastinum wijst op een spanningspneu. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 604 De m. obliquus internus bevindt zich in het lieskanaal. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 605 Een hypothyreoidie kan leiden tot hypotensie. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist |
| 606 Wat is een cruris fractuur? A. Breuk in tibia en fibula B. Breuk met abcesvorming C. Open fractuur | A. Breuk in tibia en fibula |
| 607 Vrouw met 's nachts koliekpijnen en icterus. Waar denk je aan? A. Galblaasstenen B. Galwegstenen C. Pancreastumor | B. Galwegstenen |
| 608 Welke hoort niet bij de 4 meest voorkomende schildkliercarcinomen? A. Annulair B. Folliculair C. Papillair | A. Annulair |
| 609 Breslowdikte geeft de grootte van melanomen weer. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 610 Wat is het beleid bij otitis media bij kinderen? A. bij koorts >38 gr: amoxycilline, neusspray en paracetamol B. Direct antibiotica C. Neusspray en paracetamol, tenzij complicaties optreden D. Afwachten | C. Neusspray en paracetamol, tenzij complicaties optreden |
| 611 Iemand met DM en een ischemisch been heeft een E/A index van >1,5, wat is hiervan de oorzaak? A. Verkalking B. Extreme hypertensie | A. Verkalking |
| 612 Haarresten worden het vaakst gevonden in de sinus pilonidalis. A. Juist B. Onjuist | A. Juist (haarnestcyste) |
| 613 Uit hoeveel compartimenten bestaat het onderbeen? A. 2 B. 3 C. 4 D. 5 | C. 4 |
| 614 Hoelang werkt tetanus bescherming 100%? A. 10 jaar B. 20 jaar C. Levenslang D. Het werkt nooit meer dan 50% | A. 10 jaar |
| 615 Wat zorgt voor een slechte fractuur genezing? A. Open fractuur zonder fractuurhematoom B. Granulatieweefsel C. Microbewegingen | C. Microbewegingen |
| 616 Welk soort tumor is het meest waarschijnlijk bij een supraclaviculaire lymfeklier rechts? A. Prostaat, testis, ovaria (bij vrouw) B. Nier C. Long, mediastinum D. Pancreas, maag, galblaas | C. Long, mediastinum |
| 617 Wat is de maximale EMV score bij trauma? A. 10 B. 15 C. 20 | B. 15 |
| 618 Welke fractuur van het scapula wordt primair chirurgisch behandeld? A. Glenoid B. Scapula rand C. Scapula blad D. Mid-scapulaire breuk | A. Glenoid |
| 619 Hoeveel kans geeft een mutatie in het BRCA-1 gen op maligne ontaarding? A. <50% B. >50% | B. >50% |
| 620 Bij welk type liesbreuk operatie wordt geen kunststof matje gebruikt? A. Soppa B. Liechtenstein C. Shouldice | C. Shouldice (geen kunststof) |
| 621 Welke breuk treedt bij een pasgeborene niet op? A. Hernia umbilicalis B. Hernia inguinalis C. Hernia cicatricalis | C. Hernia cicatricalis |
| 622 Hoe wordt een fractuur van het olecranon behandeld? A. Conservatief B. Gips | A. Conservatief (bij een gedisloceerde fractuur wordt dit open gereponeerd en intern met draden/plaat vastgezet) |
| 623 Wat voor soort kanker is een larynxcarcinoom? A. Plaveisel B. Sarcoom C. Adenoom | A. Plaveisel |
| 624 Waar is de a. dorsalis pedis een verlenging van? A. a. tibialis anterior B. a. tibialis posterior C. a. fibularis | A. a. tibialis anterior |
| 625 Het optillen van de onderarm gebeurt door: A. m. biceps B. m. biceps en m. brachialis C. m. biceps, m. brachialis en m. brachioradialis | C. m. biceps, m. brachialis en m. brachioradialis |
| 626 Wat is de E/A index bij iemand met claudicatio intermittens? A. 0,4 B. 0,7 C. 1,0 D. 1,2 | B. 0,7 (0,5-0,9, onder 0,4 is rustpijn) |
| 627 Bij welke bevindingen verwacht je veneuze insufficientie? A. Mediale ulcus, EAI <0,9 B. Mediale ulcus, EAI > 0,9 C. Laterale ulcus, EAI <0,9 D. Laterale ulcus, EAI > 0,9 | B. Mediale ulcus, EAI < 0,9 |
| 628 Wat is het foramen epiploicum? A. Overgang endolymfe-perilymfe B. Verbinding bursa omentalis met peritoneumholte C. Verbinding choledochus en pancreas | B. Verbinding bursa omentalis met peritoneumholte |
| 629 Wat is een ontsteking met pusvorming in een niet gepreformeerde holte? A. Empyeem B. Abces C. Infiltraat D. Cyste | B. Abces |
| 630 Wat pas bij een duodenum perforatie? A. Acuut ontstane pijn B. Geleidelijk ontstaan C. Wisselend in ontstaan | A. Acuut ontstane pijn |
| 631 Wat is meestal niet congenitaal? A. Hernia umbilicalis B. Hernia diafragmatica C. Niet gesloten tunica vaginalis D. Hernia cicatricalis | D. Hernia cicatricalis |
| 632 Welke diagnostiek wordt bij een oesofaguscarcinoom gedaan? A. Gastroscopie en CT B. Gastroscopie en MRI C. Gastroscopie en echo | A. Gastroscopie en CT |
| 633 Waarmee kan je een cerumenprop verweken? A. Kraanwater B. Zonnebrandolie C. Hypotone zoutoplossing D. Azijn | B. Zonnebrandolie |
| 634 Wanneer is de buis van Eustachius open? A. In rust B. Bij slikken/geeuwen | B. Bij slikken/geeuwen |
| 635 Waar bevindt zich de ring van Waldeyer? | Farynx |
| 636 Welke kleur heeft de gramkleuring bij grampositieven? A. Blauwpaars B. Rood | A. Blauwpaars |
| 637 Naar hoeveel tonsillectomien is het de laatste jaren gedaald? | Van 40.000 naar 30.000 |
| 638 Van welke spier is de m. cremaster het verlengde? A. m. transversus abdominis B. m. obliquus interna C. m. obliquus externa | B. m. obliquus interna |
| 639 Door welk verschijnsel wordt een Hinchey 3 gekenmerkt? A. Abces paracolon B. Purulente peritonitis C. Feculente peritonitis | B. Purulente peritonitis |
| 640 Een coloscopie is gecontra-indiceerd bij een acute diverticulitis. A. Juist B. Onjuist | A. Juist |
| 641 Wat moet je doen bij spatten besmet bloed in iemands oog? A. Oog 10 min spoelen B. Oog, neus en mond 10 min spoelen C. Naar de spoed | B. Oog, neus en mond 10 min spoelen |
| 642 Het gehoor is meestal 1 week na otitis media acuta hersteld. A. Juist B. Onjuist | B. Onjuist (>4-6 weken) |