click below
click below
Normal Size Small Size show me how
Klinische P. 3
| Question | Answer |
|---|---|
| Optelmodel = | Professionaliseringsmodel waarbij de generalist wordt gezien als iemand met louter basiskennis en/of een specialist in opleiding. Bevat hiërarchisch waardeoordeel |
| Complementair model = | Professionaliseringsmodel waarbij de generalist wordt gezien als breedtespecialist en de specialist als dieptespecialist. Focus op context en relaties maken vs inperken prof. vizier. Expertise leidt niet perse tot beter probleemoplossen |
| Wat zijn de 4 hoofdtaken van een psycholoog-generalist? | Diagnostiek (dmv KLOP model) Indicatiestelling Behandeling Evaluatie |
| KLOP model = | klachten = lijf x omstandheden x p.h. Soort stresscopingsmodel van biopsychosociale factoren. Problematiek in de context vd client plaatsen. Doel= probleem handbaar maken zodat client het heft in eigen handen neemt. |
| @breedteperspectief heb je het voordeel dat het probleem meer betekenis krijgt in de conteext vd persoon | Daarnaast wordt iemand meer proces eigenaar vh probleem, oplossing, uitvoering, evaluatie en proces. |
| Complexiteit = | Hoe lang het duurt voordat het probleem is opgelost door de cliënt > relatief begrip dus. Cynefrin ziet dit anders: hypothese kan eenvoudig en pragmatische oplossing hebben of juist complex en paradigmatisch. |
| Cynefrin over complexiteit: | hypothese kan eenvoudig en pragmatische oplossing hebben of juist complex (generalist) en paradigmatisch(specialist). |
| 1941: | Ontstaan Klinische psychologie als zelfstandige universitaire studie in Nederland. Daarvoor was het onderdeel van fylosofie. |
| 1896: | Begin K.P. met Lightner en Wittner met een kliniek |
| Vertel de ontwikkeling vd psychologie in NL vanaf 1941, het ontstaan vd studie KP. | 60's: plek van psychologen verspreid zich in de ggz Ambulante ggz groeit enorm van 60 tm 80's 80's ontstaan RIAG 71-88 was psycholoog beschermde titel. |
| Psychotherapeut = | 4 jaar post klinische opleiding was eerst uitsluitend voor artsen tot 67 Klinische psycholoog heeft ook 4 jaar opleiding gedaan en staat gelijk aan een psychiater |
| FGzPt = | Federatie van GZ psychologen en psychotherapeuten. Overlappende orgaan voor de 4 big functies ie NIP/ NVO/NVP/NVGzP |
| Een psycholoog NIP = | Lid NIP master psychologie diploma 1440 uur werkervaring houdt zich aan de beroepscode |
| Jaarprevalentie psych. stoornissen = | 18% in NL 25% in VS 10% in Spanje |
| Lifetime prevalentie in NL | 43,5% met name angst of stemming st: 20% en PTSS 7,5% |
| Verschil mannen en vrouwen in stoornis? Bip. is evenveel. | Mannen met name meer middelen stoornis Vrouwen met name meer depri, fobie, dysthemie en paniek st. |
| CONMEDS - model = | competentiemodel voor alle psychologen: |
| De 5 lijnen in ggz | 0: preventie 2: h.a. en poh (evt basispsycholoog) 3: Generalistische basis GGZ (incl. chronisch) 4: specialistische ggz (complexe gevallen) 5: langdurige ggz (>3 jaar behandeling) (WLZ) |
| WLZ = WMO = Jeugdwet = ZVW = | WLZ = WMO = Jeugdwet = ZVW = |
| Belangrijk misverstand van evidence-based werken is dat het beperkt is tot het opzoeken van de meest effectieve behandelvorm. | Het is echter ook relevant voor diagnostiek, begeleiding, psycho-educatie en informatieverstrekking, procesmatige aspecten van klinisch handelen (ROM toepassen bv.) etc. |
| Zoeken naar wetenschappelijke informatie kan worden onderverdeeld in drie stappen: 1. Herkennen van een relevante wetenschappelijke vraag. 2. Formuleren van adequate zoekstrategie. 3. Selecteren van de meest relevante literatuur. | @ 2: PICO-systeem =patient, intervention, comparison, outcome. Daarmee kun je gestructureerd componenten identificeren: 1. de patiënt(groep) is 2. Welke interventies 3. Wat de vergelijkingsgroep is. 4. de relevante uitkomst |
| PICO-systeem =patient, intervention, comparison, outcome. Daarmee kun je gestructureerd componenten identificeren: 1. de patiënt(groep) is 2. Welke interventies 3. Wat de vergelijkingsgroep is. 4. de relevante uitkomst | P= Zouden bij een volwassen gemotiveerde roker… I =… acht of zestien sessies van gedragstherapie… C=… in vergelijking met één sessie… O=… meer kans hebben om te leiden tot stoppen met roken? |
| Door het toenemend aantal patiënten met comorbiditeit, zijn er vaker meerdere hulpverleners betrokken en is niet altijd duidelijk wie het voortouw heeft. Vraagt om afstemming en coördinatie, maar ook om een eenduidig aanspreekpunt. | Het hoofdbehandelaarschap is hierdoor overgegaan van primair inhoudelijk naar primair gericht op regie en coördinatie. Ook voor de tuchtrechter is de hoofdbehandelaar vooral een regisseur of coördinator, en niet meer inhoudelijke eindverantwoordelijk. |
| Regiebehandelaar volgens Commissie Hoofdbehandelaarschap GGZ (2015) = | degene die regie voert over het proces. De regiebehandelaar stuurt inhoud, proces en betrokken professionals aan; als reisleider in de patient journey. |
| De regiebehandelaar is niet verantwoordelijk voor de uitgevoerde interventies van de andere professionals; daar blijven ze zelf verantwoordelijk voor. Verder: | 1. Check bijdrage en bekwaamheid van de hv 2. Controle dossiervoering 3. Voortgang van hv's m.b.t. het behandelplan 4. Ontmoet de andere zorgverleners en de patiënt persoonlijk voor periodieke evaluatie 5. Communicatie naar client over customer journy |
| 4 gebieden van de competentieprofiel van een GZ-psycholoog = | Communicatie = constructief dialoog met cliënt en diens systeem Samenwerking Organisatie = inzetten van middelen/mensen Professionaliteit = handelen obv wetenschappelijke kennis |
| Waardigheid = | Basisrecht vd mens: recht op respect (volgens universele verklaring vd rechten vd mens) |
| Beroepsidentiteit = De persoonlijke kant – welke persoonlijkheid je hebt als gz-psycholoog – komt aan de orde in supervisie (en leertherapie). | Het interpersoonlijke gaat over wat gz-psychologen als groep zijn, en staat beschreven in het beroepsprofiel en de beroepscodes. ‘Identiteit’ is in de zorg ook verbonden aan waardigheid van patiënten én professionals. |
| Eersteordeverandering: verandering van enkel gedrag; bv. de leiding nemen omdat je vindt dat je dat moet kunnen, maar niet omdat je erachter staat. | Tweedeordeverandering: verandering van gedrag én attitude; bv. leiding nemen omdat je overtuigd bent in het belang van cliënt en medewerkers te handelen, en vertrouwt voldoende te zijn toegerust. |
| Cirkel van betrokkenheid en van invloed = | Belangrijke bewustwording voor de psycholoog: |
| Weerstand ontstaat als partijen de overtuiging hebben dat wat besloten is lijnrecht tegen hun eigen opvattingen ingaat. | Mensen veranderen gedrag pas als ze zelf de overtuiging hebben dat het nodig is. Weerstand is meestal een vraag om begrip, en heeft te maken met angst voor het onbekende of voor inperking. |
| Competitie profiel van een GZ-psycholoog: | Psychologisch handelen Communicatie Samenwerking Kennnis & wetenschap Maatschappelijk handelen Organisatie Professionaliteit |
| Basisprincipes GZ-psycholoog: | Verantwoordelijkheid integriteit Respect Deskundigheid |
| psychological assesment = | Bredere soort van psychodiagnostiek. Van toepassing bij engelssprekende landen |
| Wat valt er zoal onder meetinstrumenten? | Vragenlijsten Interviews Projectietest Performance based Overig |
| Meehl over betrouwbaarheid: | "formules en algoritmen werken beter dan het subjectieve oordeel van klinici. > het is niet alleen intuïtie tho, het gaat juist om de integratie van meerdere instrumenten tegenwoordig |
| Waar komt onbeterouwbaarheid vandaagn bij diagnostiek? | Gebrek zelfinzicht bij cliënt of aandikken Confirmation bias/stereotypen Ontbreken van duidelijke definities van een stoornis of 'normaal gedrag' Hoog zelfvertrouwen vd h.v. Gebrekkige kennis van base rates. |
| Hoe kan je de betrouwbaarheid verbeteren van diagnostiek? | Systematiseren vd diagnostiek Diagnostische instrumenten inc. semi-gestructureerde interviews Meerdere bronnen van anamnese Diag. baseren op theoretische inzichten en empirische gegevens |
| Validiteit van psychische tests is even sterk als die van medische tests. | |
| Hypothese generend heuristisch model = | Stapsgewijs proces waar puur naar de gevonden info wordt gekeken en per individu casusconceptualisatie plaats vindt. Er worden hypothesen gemaakt en daarna pas getoetst. |
| Wat zijn de best practice van diagnostiek volgens Berhuis? | Individuele aanpak per cliënt Kies welke functiedomeinen en theoretische modellen relevant zijn minimaliseer elk instrument z'n nadelen door ze elkaar aan te vullen. |
| Wat zijn de vormen van psychodiagnostisch onderzoek? | Klachtgericht P.h. onderzoek (functioneren, structuur en eigenschappen ph) IQ Neuropsychologische test |
| Wat onderzoeken ze zoal bij neuropsychologische tests? | Geheugen Perceptie Praxis/motorisch functioneren Taal Exec. functioneren Snelheid verwerken van info |
| Wat is het collaborative psychodiagnostiek volgens Fischer allemaal naast het obvious? | expliciete samenwerking met cliënt leidt tot sig. minder symptomen en een betere behandelrelatie Diagnosticus als participerende observator. Meer persoonlijke benadering en transdiagnostisch woordkeuze aansluiten op de client |
| Welke 4 fasen zijn er bij de collaborative psychodiagnostiek van Fisher? | Aanmeldfase Uitvoeringsfase Integratiefase Adviesfase > elke 1 a 3 maanden opnieuw |
| Wat valt er onder de aanmeldfase bij de fasen van diagnostiek van Fisher? | werkrelatie opbouwen aansluiten op de taal vd cliënt diagnostische vraag wordt in samenwerking met de client opgesteld. ethische aspecten bespreken zoals de grenzen van de hv & client > elke 1 a 3 maanden opnieuw |
| Wat valt er onder de uitvoeringsfase bij de fasen van diagnostiek van Fisher? | Symptomen, klachten, gedrag, draaglast en draagkracht, kwetsbaarheden en sterke punten verkennen Keuzes motiveren Heteroanamnese!! evt observaties, klinische interviews en vragenlijsten hanteren |
| Wat valt er onder de integratiefase bij de fasen van diagnostiek van Fisher? | integreren van onderzoeksresultaten + behandeladvies doel is NIET classificatie Resultaat = individuele casusformulering (onderzoeksverslag van 5 pagina's) |
| Wat valt er onder de adviesfase bij de fasen van diagnostiek van Fisher? | adviesgesprek met de cliënt omtrent de mogelijkheden van verandering Client om voorbeelden van verandergedrag vragen en een connectie maken met alledaagse dagen. |
| Poston & hanson meta-onderzoek uit 2010 zegt oa....? | psychodiagnostiek dat op collaboratieve wijze is uitgevoerd, beïnvloeden de uitkomsten van therapie op positieve wijze. mn baat bij korte behandelingen. |
| Wat zijn de 5 stappen in indicatiestelling? | 1 - check of prof. hulp aangewezen is 2 - opstellen vd behandeldoelen 3 - keuze type therapie 4 - context vd behandeling (ambulant of digi) 5 - toewijzen van behandelaar |
| Wat zijn de 4 modellen van besluitvorming tijdens de indicatiestelling? | Expertmodel Vertegenwoordigersmodel (clientenperspectief wordt nog wel meegenomen) Consumentenmodel Overleg/collaboratieve model (ook betrekken van omgeving) |
| Wat zijn enkele voorwaarden van degene die inidicatie stelt? | Kennis vd dbt stoornis Kennis vd lokale sociale kaart Bij comorbiditeit; kennis wat als eerst aangepakt moet worden |
| Noem enkele ontwikkelingen in NL wat betreft indicatiestelling: | In 1999 werden er multidisciplinaire behandellijnen opgericht (hierbij ontbrak het clientperspectief In 2013 werden zorgstandaarden ontwikkeld met aandacht hiervoor + focus op een soepele zorgcontinuum (customer journey) |
| Wat zijn relevante clientkenmerken bij de indicatiestelling: | Behandel GS P.h. Hechtingsstijl Comorbiditeit Motivatie Therapietrouwheid Leeftijd |
| Wat zijn kenmerken van een behandelaar die voor het verschil zorgen in de therapie-uitkomst? | Karaktereigenschappen zoals emo. stabiliteit, normen en waarden Flexibele modelgetrouwheid presteert het best. NOT: training, ervaring, leeftijd of geslacht!!!!!!!!!!!!! |
| Wat zijn kenmerken van een effectieve psycholoog? | Vermogen om met diverse soorten clienten een goede werkrelatie op te kunnen bouwen sterke professionele zelftwijfel icm mildheid doelgerichte oefeningen van vaardigheden |
| Wat wordt er gezegd over groepsbehandelingen? | Effectief bij OCD, sociale angststoornis en emo. regulatie Goedkoop > nog weinig vergelijkend onderzoek gedaan ivm individuele behandelingen |
| Therapeuten met flexibele modelgetrouwheid (= protocollen volgen maar flexibel kunnen aanpassen aan behoeften van clienten) presteren beter. | Meest effectieve behandelaars waren beter in reageren op ‘moeilijke’ clienten. |
| Uitgangspunt bij totstandkoming multidisciplinaire richtlijnen (1999) is wetenschappelijke evidentie voor interventies. Maar onvoldoende toegepast: niet in alle behandelsettings goed toepasbaar + clientenperspectief ontbrak grotendeels | ontwikkeling zorgstandaarden (2013): clientenperspectief, complete zorgcontinuüm aandoening, organisatie zorgproces, oordeel experts Daarnaast generieke zorgstandaarden met transdiagnostische aanbevelingen |
| Clliëntkenmerken waar rekening mee moet worden gehouden bij indicatiestelling: | Ernst p.p. Comorbiditeit Behandelvoorgeschiedenis Persoonlijke kenmerken Motivatie/therapietrouw Leeftijd/ontw.fase |
| Therapeutkenmerken zijn verantwoordelijk voor 5-9% van de variatie in uitkomsten (= veel!). Demografie en ervaring geen voorspellende waarde. De meeste therapeuten worden zelfs minder effectief in de loop vd tijd, kleine groep doet het beter. | Onderzoek naar therapeutkenmerken betreft vier categorieën: demografische kenmerken, professionele kenmerken, relatief stabiele karaktertrekken (emotionele stabiliteit en normen &waarden) en tijdelijke, variabele gedragingen |
| Demografische kernmerken en ervaring blijken geen consistente voorspellende waarde te hebben. | De meeste therapeuten worden zelfs minder effectief in de loop vd tijd, kleine groep doet het wel beter. |
| Flexible assertive community treatment (= FACT) is | ambulante behandeling geïndiceerd voor clienten met ernstige psychische aandoening, niet in staat reguliere behandeling te volgen, zorg mijden en buiten maatschappij staan intensieve begeleiding. |
| Kortdurende opname geïndiceerd bij ernstig lichamelijk toestandsbeeld/somatische aandoening, crisis, client gevaar vormt of omgeving overbelast is. | Intensiveren van ambulante behandelingen lijkt tot sneller resultaat te leiden, pas daarna mogelijke deeltijdbehandeling. |
| Wat zijn nog meer dingen waarop moet worden gelet bij indicatiestelling? | Contra indicaties Niet medicaliseren / psychologiseren van normaal gedrag Andere psychosociale problematiek Te terughoudend zijn in hulp verlenen (eg: wachten bij PTSS) |
| Plan-do-check-act cyclus = | |
| casusconceptualisatie = | zoekproces waar obv persoonlijke (behandel)voorgeschiedenis, omstandigheden en klachten van client een theorie over diens problemen wordt opgesteld, waaruit behandeldoelen en interventies om doelen te bereiken afgeleid worden |
| Bij 30% vd clienten met klachten geen bewezen effectieve eerstekeuzebehandeling. Vervolgacties zijn: | zorgvuldige diagnostiek, behandelevaluatie (PDCA-cyclus & ROM) en behandeling door experts. Bij evidencebased werken gaat het om samen al lerend te doen wat werkt: intervisie en supervisie. |
| Complexiteit van een probleem/ zorgvraag adhv: | Voorspelbaar icm oplossing. NOT: ernst vd last |
| Complexiteit gaat niet over hoe ernstig een probleem is, maar over hoe voorspelbaar de oplossing is. Het Cynefin-raamwerk kijkt naar de relatie tussen oorzaak (probleem) en gevolg (behandeling). 4x = pagina 11 | 4 type relatie tussen oorzaak en probleem: Simpel (directe relatie/vooraf duidelijk) Ingewikkeld (vraagt nauwgezette analyse) Complex (achteraf relatie zien) Chaotisch (geen relatie) |
| Berghuis' zijn drie aspecten van richtlijn tot het samenstellen van een onderzoeksprotocol: | ism client geïndividualiseerde vraagstelling opstellen relevante theoretische kader kiezen minimaliseer tekorten in val. en bbh. van meetinstrumenten door ze te combineren. |
| 7 domeinen van Neuropsychologisch onderzoek | Er worden 7 cognitieve domeinen onderscheiden: 1. geheugen en leren, 2. executief functioneren, 3. aandacht en snelheid van informatieverwerking, 4. praxis en motorisch functioneren, 5. taal, 6. perceptie en 7. algeheel cognitief functioneren |