click below
click below
Normal Size Small Size show me how
SWOT
| Question | Answer |
|---|---|
| waarom SWOT-analyse | gebruikt om te bekijken hoe het bedrijf ervoor staat in de markt. Hierbij worden de sterke punten, zwakke punten, kansen en bedreigingen in kaart gebracht, zodat duidelijk wordt welke mogelijkheden er zijn en welke richting het bedrijf kan ontwikkelen. |
| omgevingsinvloeden/factoren | intern en externe factoren, beheersbare en onbeheersbare, betrekking op micro, meso en macro-omgeving van een onderneming |
| micro-omgeving | bestaat uit alles binnen een bedrijf dat het zelf kan beïnvloeden, zoals de verschillende afdelingen en interne processen. |
| kenmerken micro-omgeving | de ondernemer kan er zelf invloed op uitoefenen en is er verantwoordelijk voor. Bijvoorbeeld, een slecht imago van het bedrijf is het gevolg van eigen keuzes van de ondernemer. |
| meso-omgeving | bestaat uit factoren in de directe omgeving van een bedrijf die het niet volledig kan beheersen, maar wel kan beïnvloeden. Denk aan klanten, concurrenten, leveranciers, tussenpersonen en publieks- of belangengroepen. |
| publieksgroepen | mensen of organisaties die ergens mee te maken hebben of geïnteresseerd zijn in wat een bedrijf doet, zoals de overheid, investeerders of volgers op sociale media. |
| macro-omgeving | bestaat uit externe invloeden vanuit de samenleving die een bedrijf niet kan controleren, zoals geografische, demografische, economische, sociaal-culturele, ecologische, technologische en politieke factoren. |
| demografische omgeving | bestaat uit factoren over de bevolking, zoals leeftijd, geslacht, opleiding en gezinssamenstelling. Deze dingen beïnvloeden hoe bedrijven en organisaties hun beleid maken. |
| vb demografische omgeving | -samenstelling van de bevolking naar geslacht, leeftijd, ras, etniciteit, geloof of burgelijke staat -samenstelling van de bevolking -omvang en samenstelling van de beroepsbevolking |
| omvang en ontwikkeling (groei) van de bevolking | belangrijk omdat het helpt bepalen hoeveel producten of diensten er verkocht kunnen worden. Daarnaast beïnvloeden factoren zoals de economische situatie, pandemieën en nieuwe technologieën de mogelijkheden en kansen voor een bedrijf. |
| samenstelling van de bevolking | toont hoe mensen van verschillende leeftijden verdeeld zijn. Door hiernaar te kijken en veranderingen te volgen, kan een bedrijf beter inschatten waar kansen op de markt liggen. |
| veranderingen die van belang zijn bij de samenstelling van de bevolking | vergrijzing, bevolkingspiramide, huishouden, personen met een migratieachtergrond |
| vergrijzing | verandering in de bevolkngssamenstelling, geeft aan dat het aandeel van ouderen in de bevolking stijft en daardoor een stijging van de gemiddelde leeftijd veroorzaakt -gepaard met bevolkingsdaling -in verband met ontgroening |
| ontgroening | betekent dat het aandeel jongeren in de bevolking kleiner wordt, waardoor er minder geboortes plaatsvinden. |
| bevolkingspiramide | toont het aantal mensen per leeftijdsgroep. Het is opgebouwd uit horizontale balken boven elkaar, waarbij de lengte van elke balk het aantal mensen in die leeftijdsgroep laat zien. |
| huishouden | gevolg van de veranderde leeftijdsopbouw, meer eenpersoonshuishoudens -verdunning: huishoudens worden kleiner -aangepaste, kleinere verpakkingen/woningen |
| personen met een migratieachtergrond | verkleuring, grotere diversititeit |
| omvang en samenstelling van de beroepsbevolking, 2 factoren | omvang van de bevolking tussen 15 en AWO leeftijd en de mate waarin deze potentiele (ook werkzoekende) beroepsbevolking aan het arbeidsproces deelneemt-> participatiegraad |
| participatiegraad | geeft aan hoeveel mensen werken. Bij mannen daalt dit percentage, terwijl het bij vrouwen stijgt. Herintreders zijn vrouwen die, nadat ze kinderen hebben grootgebracht, weer gaan werken. |
| oorzaken lage particitpatiegraad | lang onderwijs en groeiend aantal werklozen |
| vb trend in verandering beroepsbevolking | meer vrouwen participeren op de arbeidsmarkt-> meer verspakketten en maaltijdpakketten voor gemak vraag naar schoonmaakdiensten en kinderopvang |
| economische omgeving | bestaat uit macrofactoren die de financiële en economische activiteiten van alle bedrijven in een bepaald gebied beïnvloeden. |
| aspecten economische omgeving | Belangrijke aspecten van de economische omgeving zijn: hoe het inkomen zich ontwikkelt en verdeeld, de werkgelegenheid, inflatie, veranderingen in hoe mensen hun geld uitgeven, en de algemene economische situatie (conjunctuur). |
| inkomstenontwikkeling en- verdeling | gaat over hoe het inkomen van mensen verandert. Dit kan komen uit werk of het uitlenen van kapitaal (productief inkomen), maar ook uit uitkeringen en toeslagen (afgeleid inkomen). |
| oorspronkelijke inkomen | loon/salaris, intrest (rente), grondrechte (pacht), ondernemingswinst |
| nominaal inkomen | het inkomen uitgedrukt in geldbedragen. Reëel inkomen geeft aan hoeveel goederen en diensten je daadwerkelijk met dat inkomen kunt kopen. |
| discretionair inkomen | het deel van je inkomen dat overblijft nadat je vaste lasten en noodzakelijke kosten voor levensonderhoud hebt betaald. Dit deel kun je vrij besteden. |
| vrij besteedbaar inkomen | het deel van je inkomen dat overblijft nadat belastingen en vaste lasten zoals huur, energie en verzekeringen zijn betaald. Dit geld kun je gebruiken voor andere uitgaven of consumptie. |
| inkomensverdeling | gaat over hoe het totale inkomen van een land verdeeld is over verschillende groepen mensen. Dit kan worden bekeken per inkomensklasse of per regio. |
| tweedeling | een groot deel van de bevolking welvarend is, terwijl een groep onderaan de samenleving in armoede leeft. |
| besparingen | zijn het deel van het nationale inkomen dat niet wordt uitgegeven aan consumptie. Hoeveel mensen sparen hangt af van het vertrouwen dat zij hebben in de economie. |
| werkgelegenheid | is de vraag naar arbeidskrachten. Je kunt het berekenen door het totale nationale product te delen door de productiviteit van één werknemer. |
| objectieve vs subjectieve werkloosheid | O: als werkloosheid een gevolg is van omstandigheden buiten de schuld van de werkzoekende S: wanneer men niet in staat is om te werken (door lichamelijke/geestelijke ongeschiktheid) of niet wil werken door loon-salaris voet (staking) |
| frictie-en seizoenswerkloosheid | ontstaat doordat banen tijdelijk verdwijnen door veranderingen in de vraag naar arbeid gedurende het jaar, bijvoorbeeld door seizoensinvloeden. |
| conjuncturele werkloosheid | ontstaat wanneer er te weinig vraag is naar goederen en diensten, bijvoorbeeld door minder investeringen of export, waardoor minder mensen werk hebben. |
| structurele werkloosheid | ontstaat als de samenleving of economie zich niet kan aanpassen aan het aantal en de vaardigheden van de beschikbare werknemers. Dit komt vaak voor in ontwikkelingslanden, waar er meer mensen zijn dan banen. |
| verschijnsel inflatie/geldontwaardering | dat geld minder waard wordt, waardoor de prijzen van goederen en diensten gemiddeld stijgen. Sommige prijsstijgingen zijn bedoeld om andere kosten te compenseren en hebben geen invloed op het vrij besteedbare inkomen. |
| gevolgen inflatie | geld wordt minder waard, minder producten kunnen kopen en lagere omzet voor bedrijven energiecrisis, minder grondstoffen beschikbaar tegen hoge tarieven |
| deflatie | mensen met een vast inkomen, zoals gepensioneerde, kunnen steeds minder met hun geld doen -algemene prijsdaling -niet in nl bekend |
| veranderingen in het bestedingspatroon | verandert mee met de economische situatie en het vertrouwen dat zij hebben in de economie. Bij vertrouwen geven ze meer uit, bij onzekerheid juist minder. |
| vrije tijd | markt die is ontstaan door de toegenomen vrije tijd |
| conjunctuur | is de regelmatige schommeling in de economie over een periode van 7 tot 11 jaar, waarbij het nationale inkomen, de productie en de werkgelegenheid afwisselend toenemen en afnemen. |
| fases conjunctuur golf | opgang, bovenste keerpunt, neergang, onderste keerpunt |
| opgang | hoogconjunctuur/hausse -toeneming van bestedingen, vooral van de investeringen en consumptie -hierdoor stijgen de productie en werkgelegenheid en ontstaat een hoog niveau van de beurskoersen |
| bovenste keerpunt | in de conjunctuur wordt een crisis genoemd. Dit is te zien aan minder investeringen, lagere productie en werkgelegenheid, problemen met krediet, hogere rentes en dalende beurskoersen. |
| neergang | begint met een recessie (lichte daling) en kan uitmonden in een depressie (ernstige daling). Tijdens deze periode nemen bestedingen, productie en werkgelegenheid af, waarna uiteindelijk een herstel volgt. |
| onderste keerpunt | markeert het begin van het herstel. Investeringen nemen weer toe, oude productiemiddelen worden vervangen, voorraden worden aangevuld en er heerst optimisme. Fabrieken breiden hun capaciteit uit en een nieuwe economische opgang begint. |
| geografische omgeving | bestaat uit macrofactoren die te maken hebben met de ligging en eigenschappen van een gebied en die het beleid van organisaties in dat gebied beïnvloeden. |
| vb geografische omgeving | geografische ligging, natuurlijke gesteldheid, klimaat, bevolkingsdichtheid, infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur |
| transitohandel | land A bemiddelt in een transactie tussen land B en C, waarbij goederen naar land A passeren -aardoliehandel |
| driehoekshandel | bemiddelt land A in de handel tussen land B en C, zonder dat de goederen door land A zelf gaan. De winst wordt wel gemaakt door een bedrijf in land A. |
| transportmogelijkheden | zijn de manieren waarop goederen en mensen verplaatst kunnen worden, zoals via zee (transitverkeer en containerisatie), over de weg, per vliegtuig (bijvoorbeeld via Schiphol) en per trein. |
| mobiliteit (ookwel regionale migratie | betekent dat goederen, diensten of productiefactoren zoals arbeid van de ene naar de andere markt kunnen bewegen. Dit is belangrijk om efficiënt gebruik te maken van beschikbare middelen. |
| vb arbeidsmobiliteit | wanneer er een markt is met hoge lonen en een andere met lage lonen, arbeid zich uit de lagelonenmarkt terugtrekt om zich aan te bieden op de hogelonenmarkt |
| politieke en juridische omgeving | bestaat uit macrofactoren die het beleid van organisaties beïnvloeden, zoals de staatsvorm, politieke stabiliteit, samenstelling van de regering en geldende wetten en regels. |
| variabele politieke en juridische omgeving | factoren die de hele organisatie beïnvloeden en daardoor de besluitvorming kunnen veranderen. Ze kunnen effect hebben op alle marketingactiviteiten of specifiek verband houden met één onderdeel van de marketingmix. |
| politiek wordt in 3 niveaus verdeeld | gemeente, provincie, landelijk/nationaal |
| gemeente politiek | bepaalt bijvoorbeeld via bestemmingsplannen waar een bedrijf zich wel of niet mag vestigen. Ook algemene gemeentelijke regels kunnen verschillen per gemeente. |
| provinciale politiek | gaat over bestemmingsplannen die meerdere gemeenten omvatten en kan ook stimuleringsmaatregelen bieden voor specifieke regio’s binnen de provincie. |
| landelijke/nationale politiek | oprichten van ontwikkelingsmaatschappijen voor zwakkere regio's -nationele wet-en regelgeving |
| culturele omgeving | bestaat uit macrofactoren die het beleid van organisaties beïnvloeden en te maken hebben met de waarden, normen, gewoonten en sociale verhoudingen in een samenleving. |
| sociaal-economische factoren | zijn macrofactoren die organisaties beïnvloeden en voortkomen uit een combinatie van sociale en economische aspecten, zoals de verdeling van inkomens over verschillende sociale groepen en het bestaan van sociale voorzieningen. |
| belangrijke veranderingen voor sociale-culturele omgeving | individualisering, toenemende werkdruk, subculturen, verandering in consumeren van groter media aanbod, veranderingen in opvattingen over sociale voorzieningen, op religieus gebied, huwelijk, gezin en seksualiteit en opvoeding |
| technologische omgeving | omvat alle technische ontwikkelingen en hoe deze de omgeving van een organisatie beïnvloeden. Voorbeelden zijn automatisering, internetcommunicatie, ontwerpsoftware en chips. |
| DESTEP-analyse Demografisch | leeftijdsopbouw, urbanisatiegraad, omvang huishoudens |
| DESTEP-analyse economisch | koopkracht, mate van werkloosheid, percentage tweeverdieners |
| DESTEP-analyse sociaal-cultureel | opleidingsniveau, levensstijl, vrijetijdsbesteding |
| DESTEP-analyse ecologisch | mileueisen, klimaatverandering |
| DESTEP-analyse technologisch | nieuwe technieken, nieuwe producten, te verwachten ontwikkelingen |
| DESTEP-analyse politiek-juridisch | wetten, invloed overheid |
| institutionele omgeving | bestaat uit verschillende soorten organisaties en instellingen die invloed hebben op een bedrijf, zoals financiële instellingen, overheidsorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties. |
| consumentisme | een maatschappelijke beweging die opkomt voor de rechten en belangen van consumenten. |
| doelstellingen van het consumentisme | het verbeteren van het welzijn van de consument, zorgen voor betere communicatie tussen consument en aanbieder, het verbeteren van het aankoopproces en het verbeteren van het consumptieproces. |
| grondrechten van de consument | recht op veiligheid, informatie, keuze en medezeggenschap |
| grondrechten van de consument Europees niveau | recht op bescherming en gezondheid en veiligheid, voorlichting en vorming, vertegenwoordiging, bescherming van economische belangen, schadevergoeding |
| consumentenbeleid | omvat alle activiteiten van de overheid, organisaties en bedrijven die ervoor zorgen dat de communicatie tussen consument en aanbieder beter verloopt. |
| activiteitengebied van consumentenorganisaties heeft betrekking op | omvat het informeren van consumenten via duidelijke etiketten, juiste hoeveelheden en inhoudsopgaven, het juridisch beschermen van consumenten bij producten, en het opvoeden van consumenten om verstandiger en bewuster te consumeren. |
| verschil actiegroepen en ondernemingen | A: gezinsorganisaties, vakbeweging, specifieke consumentenbelangen O: belangen van dissatisfaction, machtsarme en/of onverantwoorde consumptie getroffen consumenten die tot potentiele klantenkring horen |
| verschillende consumentenorganisaties | verschillen in hoe actief consumenten kunnen meedoen. S-algemene organisaties, andere richten zich op specifieke belangen. Bijvoorbeeld de ANWB voor verkeer en toerisme, of Stichting Milieukeur die consumenten helpt milieubewuste producten te kiezen. |
| belangrijke activiteiten van verschiilende consumentenorganisaties | voorlichting, serviceverlening, pressie-uitoefenin |
| voorlichting | het geven van informatie over producten en diensten, gebaseerd op onderzoek. Bijvoorbeeld testen en beoordelen van koelkasten, wasmachines, audioapparatuur, verzekeringen of gemeentelijke tarieven. |
| serviceverlening | signaleren van misstanden in de relatie tussen verkoper en koper als een belangrijke taak |
| consumenten educatie | is het geven van informatie aan toekomstige consumenten zodat zij later zelfstandig verstandige keuzes kunnen maken over producten en diensten. |
| gevolg consumenten educatie | Het gevolg is dat consumenten beter gebruik kunnen maken van informatie, verstandiger keuzes maken bij aankopen en zich over het algemeen rationeler gedragen in economische situaties. |
| belangrijkste onderwerpen bij consumenten eductatie | belang van bewust consumeren, rol van marketing en reclame, juridische positie van consumenten, voorlichting over specifieke maatschappelijk relevante actuele onderwerpen |
| concurrentie niveaus | op behoefteniveau, generieke con, productvorm-of type con, merkten con, con krachten |
| concurrentie behoefteniveau | betekent dat een klant moet kiezen tussen verschillende behoeften. Bijvoorbeeld: geld besteden aan een huis verbouwen of een auto kopen. |
| generieke concurrentie | concurrentie tussen verschillende soorten producten die dezelfde behoefte van een klant kunnen vervullen. Bijvoorbeeld: iemand wil op vakantie, en moet kiezen tussen verschillende soorten verblijven. |
| productvorm | de concurrentie tussen verschillende varianten van hetzelfde product. Bijvoorbeeld: bij hotels kan een klant kiezen uit verschillende types, zoals een resort, budgethotel of boutiquehotel. |
| merkconcurrentie | concurrentie tussen verschillende merken van hetzelfde product of dezelfde dienst, waarbij het merkimago een belangrijke rol speelt. Bijvoorbeeld: bij hotels kiezen tussen Hilton of Ibis. Dit idee past binnen Porter's vijfkrachtenmodel. |
| concurrentiekrachten | de factoren die bepalen hoe sterk en op welke manier bedrijven in een sector met elkaar concurreren. Bijvoorbeeld: het marktaandeel, het prijs-kwaliteitvoordeel van producten, en hoeveel kennis een bedrijf heeft over de markt en klanten. |
| vijfkrachtenmodel van Michael Porter Doel | wordt gebruikt om te beoordelen hoe winstgevend een hele bedrijfstak of een segment daarvan op de lange termijn kan zijn. |
| analyse vijfkrachtenmodel | -mate van con tussen de bestaande medeaanbieders -onderhandelingsmachten van de afnemers -onderhandelingsmacht van toeleveranciers -dreiting van substituten -potentiele toetreding van nieuwe concurrenten |
| mate van concurrentie | -groei van de markt -marktontwikkelingen -kostenstructuur in de bedrijfstak -productencapaciteit -mate van differentiatie |
| onderhandelingsmachten van de afnemers | -concentratie van kopers -mogelijkheid van afnemers om andere leveranciers in te schakelen -hoog aandeel van de materiaalkosten in de totale kostprijs -dreiging van achterwaartse integratie |
| -onderhandelingsmacht van toeleveranciers |