click below
click below
Normal Size Small Size show me how
Sociale Psychologie
Nadie90
| Term | Definition |
|---|---|
| Sociale psychologie | de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen worden beïnvloed door de werkelijke of voorgestelde aanwezigheid van andere mensen. |
| Hindsight bias | achteraf denken dat je iets had voorzien. ‘ik heb het altijd al geweten’ effect. |
| Selffulfilling prophecy | zichzelf bevestigende voorspelling. Als je iemand bijvoorbeeld niet vertrouwt, zul je hem anders behandelen dan als je juist meteen een goed gevoel hebt bij een persoon. Doordat je iemand op een bepaalde manier behandeld beïnvloed je zijn gedrag. |
| Fysiek aantrekkelijk | fysiek aantrekkelijke mensen hebben over het algemeen betere sociale vaardigheden. Dit kan een effect zijn van selffulfilling prophecy. |
| Brainstormen | In teams bij elkaar zitten om samen tot nieuwe ideeën te komen blijkt niet te werken. Zekomen uiteindelijk met minder ideeën, dan wanneer je iedereen apart zet en ieder voor zich laat denken en aan het eind alle ideeën bij elkaar veegt. |
| Slijmen | Als een persoon extreem aardige en positieve dingen tegen je zegt, geeft dat eengoed gevoel, en dat goede gevoel heeft invloed: je gaat de persoon extra aardig vinden en daardoor zal hij meer van je gedaan krijgen. |
| Bystander effect | De kans op interventie in een situatie neemt af naarmate de groep groter is. Bijvoorbeeld als je een auto met pech passeert en doorrijdt omdat je er vanuit gaat dat er natuurlijk al hulp onderweg is. |
| Diffusion of responsibility | Mensen die het gevoel hebben dat ze deel uitmaken van een grote groep potentiële hulpverleners ervaren een diffusie van verantwoordelijkheid. |
| Gehoorzaamheid | gewilligheid om te doen wat bevolen worden en na te laten wat verboden wordt. Bij gehoorzaamheid is er sprake van een machtsverschil tussen twee individuen of groepen. Bij conformisme hoeft dit niet het geval te zijn. |
| Gehoorzaamheidsexperiment Milgram | doel onderzoek was: hoe ver zijn mensen bereid te gaan bij het gehoorzamen aan een autoriteit, zelfs als dit betekend dat mensen letsel wordt aangedaan. |
| Voet-in- de- deureffect | eerst doe je een klein verzoek waarvan je bijna zeker bent dat dit zal worden ingewilligd. Vervolgens kom je met een groter verzoek waar het je eigenlijk om gaat. |
| Interpretatie van de situatie | Mensen reageren op hun eigen interpretatie en waarneming van de situatie. Het zijn dus niet de objectieve kenmerken van de situatie zelf waar mensen op reageren, maar hun eigen interpretaties ervan. |
| Betekenisgeving | we maken zelf allerlei toevoegingen bij de dingen die we waarnemen, we filteren ook dingen weg, of we veranderen dingen. |
| Cognitieve capaciteit | Mensen gebruiken hun cognitieve capaciteit bij het waarnemen zo efficiënt mogelijk. Alleen wanneer iets echt van belang is om te weten, staan we er langer bij stil. |
| Wishful thinking | Mensen zien eerder wat ze graag willen zien. Je denkt dat iets zo is, omdat je het hoopt/wenst. |
| Basisprincipes van informatieverwerking | -mensen geven betekenis aan wat ze zien, ze zoeken een samenhang. - mensen gaan zo efficiënt en pragmatisch mogelijk om met hun aandacht - de waarnemingen van mensen worden gekleurd door hun motieven en belangen. |
| Fundamentele attributiefout | De neiging om de invloed van de situatie op het gedrag van mensen te onderschatten. |
| Induced compliance | Een door de situatie in gang gebrachte meegaandheid van mensen. Het is niet hetzelfde als gehoorzaamheid, want er wordt een keuzevrijheid ervaren. |
| Cognitieve dissonantie | Spanning als gevolg van een tegenstelling (dissonantie) tussen twee gedachten (cognities). Om het gevoel kwijt te raken ga je op jezelf inpraten. |
| Egocentrische vertekening | In veel gevallen zijn mensen geneigd hun eigen invloed te overschatten. Ze redeneren teveel vanuit een egocentrisch perspectief. |
| Spotlighteffect | Mensen hebben het idee dat ze in het spotlicht staan en dat iedereen hen de hele tijd ziet, terwijl dat helemaal niet zo is. |
| Intuïtieve theorieën | theorieën die het resultaat zijn van gezond verstand en intuïtie en niet van wetenschappelijk onderzoek. |
| Expliciete kennis | kennis die we onder woorden kunnen brengen. |
| Impliciete kennis | kennis waar we onbewust gebruik van maken, meestal zonder dat we dat goed beseffen. |
| Lekentheorieën | De opvattingen van mensen over hoe de wereld in elkaar zit. |
| Covariantie | covariantie tussen twee variabelen, het al of niet samengaan van twee gebeurtenissen. Bijvoorbeeld het gedrag van een vrouw (easy versus hard-to-get) en de reactie van een man. |
| Empirische wetenschap | theorieën worden getoetst aan feiten in de werkelijkheid. |
| Reactance-theorie van Brehm | Mensen hebben behoefte aan keuzevrijheid: ze willen kunnen denken, voelen en doen volgens hun eigen keuzes en niet die van anderen: als ze het gevoel krijgen dat hun keuzevrijheid wordt aangetast, proberen ze dat te herstellen. |
| Een theorie moet aan een aantal criteria voldoen om wetenschappelijk te zijn | - opgebouwd uit abstracte begrippen ook wel constructen genoemd - specificeert causale relaties (oorzaak-gevolg) tussen constructen. - moeten breed toepasbaar zijn(generaliseerbaar) - het moet mogelijk zijn de theorie te ontkrachten(falcificeerbaar) |
| Empirische cyclus | Uit een wetenschappelijke theorie moeten één of meer toetsbare hypotheses kunnen worden afgeleid. Vervolgens worden de hypotheses toetsbaar gemaakt en onderzocht. De resultaten van het onderzoek hebben implicaties voor de theorie. |
| Variabelen | kenmerken die variëren. |
| Operationaliseren | Algemene begrippen vertalen naar een specifieke situatie, zodat ze onderzoekbaar worden. |
| Zelfrapportage | methode van rapportage in het wetenschappelijk onderzoek waarbij de persoon die ondervraagd wordt zelf vragenlijsten invult |
| Correlatie | systematisch verband tussen gegevens |
| Spurieuze correlatie | Het lijkt alsof de variabele een verband hebben maar dat is niet zo. |
| Causale uitspraken | uitspraken over oorzaak en gevolg |
| Vaststellen van oorzaak-gevolgrelaties is om twee redenen van groot belang | - Om te kunnen verklaren en begrijpen - Om te kunnen voorspellen en beheersen |
| Experimenteel onderzoek | Wanneer er sprake is van causale hypotheses (als x dan y) is experimenteel onderzoek nodig. |
| Causaal verband | De eerste variabele heeft effect op de tweede variabele. |
| Experiment | In een experiment wordt een oorzaak-gevolg hypothese getoetst |
| Nulhypothese | De nulhypothese is een basisveronderstelling waarin gesteld wordt dat er geen verband is tussen twee variabelen. |
| Manipuleren | Het construct dat we in onze hypothese als oorzaak opvoeren, de onafhankelijke variabele, wordt gemanipuleerd, door de onderzoeker opzettelijk gevarieerd. |
| Kameleoneffect | mensen hebben de neiging hun sociale omgeving te imiteren onder andere om de sociale band met andere mensen te versterken. |
| Valide | Valide (geldig) onderzoek betekent dat de resultaten van dat onderzoek werkelijk bestaande relaties weerspiegelen. |
| vormen van validiteit | Construct validiteit Interne validiteit Externe validiteit |
| Construct validiteit | De in het onderzoek gebruikte manipulaties en metingen moeten een goede weergave zijn van het construct dat zij geacht worden te vertegenwoordigen. |
| Interne validiteit | alternatieve verklaringen worden zoveel mogelijk uitgesloten |
| Externe validiteit | de resultaten moeten generaliseerbaar zijn naar andere personen en situaties. |
| Sociale wenselijkheid | Mensen doen zich vaak beter voor dan ze zijn. Ze willen niet dat anderen een negatief beeld van hen krijgen, dus verdraaien ze hun antwoord een beetje. Garantie van anonimiteit kan hierbij deels helpen. |
| Hawtorne-effect | Deelnemers aan een onderzoek weten dat ze onderzocht worden en daardoor iets anders doen of zeggen dan ze zonder de aandacht van de onderzoeker zouden doen. |
| Reactiviteit | deelnemers reageren op een of andere manier op de onderzoekssituatie |
| experimenter demand | de onderzochten hebben vaak een vermoeden waar de onderzoeker op uit is en spelen daar bewust of onbewust op in. |
| Verborgen metingen | alle metingen waarbij de deelnemer niet weet dat er iets gemeten wordt of indien men dat wel weet , wat er gemeten wordt. |
| Startle eyeblink | Het knipperen met de ogen wanneer je ergens van opschrikt, bijvoorbeeld iemand die een kamer binnenkomt. Dit knipperen is sterker wanneer men een negatief gevoel heeft over datgene wat men ziet. |
| Impliciete metingen | meten psychologische processen of toestanden door informatie ‘af te tappen’ buiten de bewuste, strategische controle van de respondent. De respondent weet in dit geval wel dat er iets gemeten wordt maar niet wat. |
| Priming | kennis of associaties in het geheugen van een persoon activeren. Met activeren wordt het concept toegankelijk voor het bewustzijn, het is als het ware bij de hand om het te gebruiken. |
| Contaminatie | Storende variabelen die meevariëeren met de variabele waar het eigenlijk om gaat. |
| quasi-experimenteel onderzoek | wordt gebruikgemaakt van bestaande natuurlijke verschillen tussen personen tussen de leefomstandigheden waarin personen verkeren, om te zien wat de effecten van deze verschillen zijn op de afhankelijke variabelen waarin de onderzoeker geïnteresseerd is |
| pretest-post-test-controlegroep-ontwerp | Een voormeting en een nameting doen bij een quasi-experimenteel onderzoek. De vergroot de interne validiteit |
| aselect | op basis van willekeur |
| Scenario-onderzoek | De deelnemer krijgt via de computer een verhaal te lezen en moet daar vragen over beantwoorden. De deelnemer kijkt vanaf een afstandje en is zelf niet in het verhaal betrokken. |
| aspecten van onderzoek die we willen kunnen generaliseren | -deelnemers -stimulusomgeving -meetinstrumenten |
| Universele theorie | Een wetmatigheid, betreffende sociaal gedrag van mensen die in alle tijden, in alle landen en in alle culturen geldt. |
| Correlationeel design of onderzoek | In tegenstelling met experimenteel onderzoek heeft er bij correlationeel onderzoek geen manipulatie van de variabelen plaats door de onderzoeker. Hij onderzoekt verbanden die reeds voor het onderzoek bestonden. |
| Subjectief zelfbewustzijn | Bestaat uit het vermogen om een onderscheid te maken tussen datgene wat ‘zelf’ of ‘eigen’ is en datgene wat ‘niet-zelf’ of vreemd is. |
| Objectief zelfbewustzijn | Verwijst naar het vermogen om jezelf te kunnen herkennen als een zelfstandig object (om op een objectieve afstandelijke manier naar jezelf te kijken). |
| Extensief zelfbewustzijn | Het vermogen om je huidige ervaringen te integreren in je eerdere persoonlijke herinneringen en emotionele voorkeuren (vermogen om actuele ervaringen te verbinden met vroegere). |
| Subjectieve zelfkennis | Aangeboren zelfkennis, gebaseerd op elementaire psychologische processen die ervaring van je lichamelijke en emotionele behoeften mogelijk maakt. Dit soort kennis over jezelf is toegankelijk door gewoon naar binnen te kijken (introspectie). |
| Objectieve zelfkennis | Objectieve zelfkennis bouw je op door als een buitenstaander naar je eigen gedrag te kijken en je af te vragen waarom je doet wat je doet, voelt wat je voelt en denkt wat je denkt. |
| zelfperceptietheorie | Als het interne signaal zwak is (bv je weet niet of je iets leuk vind) dan ga je objectiveren. De zelfperceptietheorie is dus vooral relevant als je twijfelt aan je innerlijke gevoelens. |
| Extensieve zelfkennis | Gebaseerd op je eigen persoonlijke ervaringen en gevoelens. Extensieve zelfkennis wordt vaak gevormd wanneer je probeert een negatieve ervaring te verwerken op een dusdanige manier dat deze ervaring wordt geïntegreerd met de rest van je ervaringen. |
| Zelfcomplexiteit | De manier waarop de verschillende zelfschema’s binnen het zelfconcept zijn georganiseerd. Iemand met een hoge zelfcomplexiteit heeft veel zelfschema’s die los van elkaar staan, dit biedt een bescherming tegen stress. |
| Zelfverheffingsmotief | Rooskleurige kijk op zichzelf. |
| Zelfdienende vertekening (selfserving bias) | successen liggen aan jezelf, mislukkingen aan anderen. |
| Naamlettereffect | voorkeur voor letters uit eigen naam. |
| Consistentiemotief | Info die je over jezelf hebt vergaart moet kloppen met je zelfbeeld. Geldt vooral voor mensen met een negatief zelfbeeld. |
| Accuraatheidsmotief | Klopt zelfbeeld met werkelijkheid? Zelfbedrog (stoppen met roken en voor jezelf goedpraten). Waarom? Om jezelf te beschermen. Als je jezelf voor de gek kunt houden kun je anderen ook voor de gek houden. |
| Zelfverbeteringsmotief | Opwaartse sociale vergelijking (vergelijken met mensen die beter af zijn dan jijzelf). Komt vooral naar voren bij beïnvloedbare competenties. |
| Terror Managemant Theorie | instinctief jezelf in leven houden, angst voor de dood, onbewuste doodsangst moet gecompenseerd worden met goede gedachten. |
| mortaliteitssaillantie | proefpersonen worden op subtiele manier herinnerd aan sterfelijkheid |
| Sociometertheorie | Stelt dat zelfwaardering uiteindelijk kan worden teruggevoerd op de fundamentele behoefte die mensen hebben om zich verbonden te voelen met anderen en erbij te horen. In de geschiedenis was het belangrijk om niet buiten de groep te vallen. |
| Zelfwaardering | fungeert hierbij als een graadmeter (sociometer) van de mate waarin je je geaccepteerd voelt door anderen. Wanneer anderen je accepteren en je waardering geven, ga je vrijwel automatisch positiever over jezelf denken. |
| False-consensuseffect | mensen zijn geneigd aan te nemen dat anderen hetzelfde denken, vinden, voelen en doen als zijzelf. |
| sociale projectie | de neiging van mensen om aspecten van zichzelf te projecteren op anderen, dus om eigen kenmerken bij anderen waar te nemen. Voor een deel wordt het effect veroorzaakt doordat mensen vaker in contact komen met mensen met dezelfde denkbeelden. |
| egocentrisme | het onvermogen om zich voldoende in te leven in het perspectief van de ander. |
| Fixed pie-syndroom(onveranderlijke taart) | er is één taart om te verdelen, denken dat jouw belang altijd tegengesteld is aan die van de ander. Dit kan doorbroken worden door gedwongen objectiever naar de situatie te kijken. |
| Defensieve projectie | Volgens de Freudiaanse theorie stelt projectie mensen in staat om bedreigende gedachten naar anderen toe te schrijven in plaats van deze op zichzelf te betrekken. |
| Sociale vergelijking | Zichzelf of aspecten van zichzelf beoordelen in vergelijking tot anderen. |
| Neerwaartse sociale vergelijking | jezelf vergelijken met iemand die slechter af is dan jezelf (bv bij behoefte aan zelfverheffing). |
| Opwaartse sociale vergelijking | jezelf vergelijken met iemand die beter is (bv daar kun je wat van leren, zelfverbeteringsmotief). |
| Reflectie | zolang de taak voor jou onbelangrijk is, kun je het succes van de nabije ander op jou laten afstralen. (Bv je vriendin houdt van schaatsen en jij van schaken, wanneer je vriendin medaille wint met schaatsen jij blij, en andersom). |
| Looking-glass self | we zien onszelf als het ware door de ogen van anderen, of via de spiegel die anderen ons voorhouden. (Je denkt dat je grappig bent omdat anderen om je grapjes lachen). |
| Zelfpresentatie | wanneer mensen bewust of onbewust proberen invloed uit te oefenen op wat anderen van hen denken. (Vaak subtiel en impliciet). |
| expressieve zelfpresentatie | de behoefte om je persoonlijke identiteit uit te drukken |
| instrumentele zelfpresentatie | het beïnvloeden van het gedrag van anderen. (Om er iets mee gedaan te krijgen). Dit kan door zowel slijmen als afstandelijkheid (geen oogcontact maken, dan komt ie ook niet naar je toe) en intimidatie (streng doen, autoriteit uitoefenen). |
| zelfpromotie | gaat het erom je eigen bekwaamheden naar voren te brengen, bv tijdens een sollicitatiegesprek. (Zelfpromotie moeilijke vorm van zelfpresentatie, doordat je snel gezien wordt voor opschepper). |
| Exemplificatie | het stellen van een moreel voorbeeld, laten zien hoe goed je je aan de regels houdt, bv bij opvoeden van kinderen) |
| Rebellie | bv laten zien dat je onafhankelijk bent (overal schijt aan hebben) |
| Zelfhandicappen | het creeren van handicaps om je van tevoren in te dekken tegen een mislukkeling (bv als je bij tentamen aankomt en zegt ik heb niet geleerd) |
| Barnum effect | Doordat mensen zichzelf in een beschrijving herkennen denken ze dat een ander een bijzonder inzicht in hen heeft. Dit verklaart het succes van paragnosten e.d. |
| Automatische processen | Eerste indruk vindt automatisch plaats binnen enkele milliseconden. |
| Sociale categorisatie | een indeling op basis van hokjes (bv vrouw, student, punker). Sociale categorisatie komt vaak voort uit de behoefte om de omgeving overzichtelijk te maken. |
| stereotypen | Automatische informatie verwerking is niet erg nauwkeurig. Stereotypen maken net als automatische evaluatie een snelle, grove eerste screening mogelijk. Automatische informatie verwerking is quick and dirty, niet erg nauwkeurig. |
| Aantrekkelijkheid | Aantrekkelijke mensen worden intelligenter, socialer, overtuigender, dominanter, competenter, assertiever, spontaner en gezonder gevonden. (zowel fysiek als mentaal) |
| Lichaamsbouw | ook op lichaamsbouw maken we al gevolgtrekkingen over iemand. Van dikke personen denken we dat ze ongezond zijn maar ook gezellig. Van dunne mensen denken we dat ze gevoelig zijn. Van atletisch gebouwde mensen wordt gedacht dat ze relatief gezond zijn. |
| Non-verbaal gedrag | speelt ook rol bij eerste indruk. Twee soorten: visuele (wat je ziet) en vocale (wat je hoort) non-verbale gedragingen. Vrouwen zijn over het algemeen beter in het oppikken en interpreteren van non-verbale signalen dan mannen. |
| Duchenne –glimlach | echte glimlach, mondhoeken gaan omhoog en er komen kleine lachrimpeltjes bij de ooghoeken. |
| Pan american-glimlach | beleefdheidsglimlach. |
| Oogcontact | Mensen niet aankijken wordt gezien als onvriendelijk en vaak ook als een teken van onbetrouwbaarheid. Iemand diep in de ogen kijken kan een teken zijn van verliefdheid of romantische interesse. |
| Halo-effect | de neiging om één positieve eigenschap te generaliseren naar andere eigenschappen. Een lage taille-heup verhouding wordt als aantrekkelijkst gezien. Vrouwen zijn beter in het interpreteren van non-verbale signalen dan mannen (vooral visuele). |
| Intimiteits-equilibrium-theorie | mensen streven naar een bepaalde balans in hoe intiem het contact met een ander is; wanneer de intimiteit wordt verhoogd door een bepaalde factor, moet dat gecompenseerd worden door een andere factor. |
| Lichaamshouding | Je kunt je vaak al een duidelijk beeld vormen van iemand op grond van iemands lichaamshouding. |
| Zelfmanipulatie | (aan jezelf zitten, bv aan je haar frunniken) komt meestal voort uit onzekerheid en spanning. Heeft een negatieve invloed op de indruk die je maakt. |
| Liegen en non-verbaal gedrag | Handen en voeten. Daar zie je vaak dat leugenaars wat beweeglijker worden. Mensen die liegen gaan vaak wat hoger en monotoner praten. |
| Automatische spontane gevolgtrekkingen | Als je ziet dat iemand een ander een royale fooi geeft, denk je meteen: ‘gul’. Dit komt spontaan in ons op en zijn dus automatisch. Gedragsbeschrijvingen worden in het geheugen opgeslagen met de bijbehorende gevolgtrekkingen over de eigenschap. |
| Intentionele gevolgtrekkingen | bewust en doelgericht eigenschappen afleiden uit het gedrag van een ander. Bijv. bij een sollicitatiegesprek. |
| Correspondente gevolgtrekking | de eigenschap heeft één-op-één relatie met gedrag. (Bv biologische producten kopen milieubewust). |
| Of een correspondente gevolgtrekking wordt gemaakt hangt van | - Keuzevrijheid - (Sociale) wenselijkheid - Effect van gedrag |
| Situationele correctie | gaat niet vanzelf, bewust en gecontroleerd proces en vergt veel aandacht. (Bv iemand gewonnen met schaken omdat de tegenstander slecht was?) |
| Causale attributies | nadenken over de oorzaak van iemands gedrag. |
| Interne attributie | de oorzaak van het gedrag ligt bij de actor. |
| Externe attributie | oorzaak van het gedrag ligt buiten de persoon, de situatie. |
| Stabiel/instabiel | altijd eigenschap (dom)/toevallige omstandigheden (dronken). |
| Fasen van attributie | Waarneming van gedrag Activeren van eigenschap Eigenschap toeschrijven Corrigeren voor situatie |
| Kelley’s covariatiemodel | hoe bepaal je de oorzaak van een gebeurtenis? Consistentie Distinctiviteit Consensus Als we al deze informatie hebben kunnen we een weloverwogen attributie maken. |
| Chronische toegankelijkheid | eigenschappen die je belangrijk vind en dus vaak gebruikt (bv slim/dom) houden hun toegankelijkheid zelf in stand, want telkens wanneer je zo’n eigenschap toepast wordt ie opnieuw geactiveerd. |
| Assimilatie | je oordeel schuift in de richting van toegankelijke concepten (is dat concept bv ‘dom’ dan vind je iemand sneller dom) Als de persoon en de te beoordelen persoon op elkaar lijken dan assimilatie. |
| Impressievorming | het vormen van een totaalindruk, het aaneenrijgen van losse stukjes informatie tot aan samenhangend beeld. |
| primacy-effect | de eerste informatie heeft meer invloed. (Bv rijtje eigenschappen, begin je met positieve eigenschap, dan alles positiever. Begin je met negatieve eigenschap, dan alles negatiever. Hoe extremer de eigenschap, hoe meer invloed op de beoordeling. |
| Negativiteitseffect | sociaalnegatieve eigenschappen hebben meer invloed. (vooral als de persoon naast iets negatiefs ook bekwaam is, dan is ie potentieel bedreigend. Een andere oorzaak, negatieve eigenschappen zeggen meer over een persoon omdat het sociaal onwenselijk is. |
| Positiviteitseffect | positieve prestaties hebben meer invloed. Slechte mensen kunnen goede dingen doen, maar incompetente mensen kunnen geen bekwame dingen doen. (je kunt je niet bekwamer voordoen dan je bent) |
| Individuatie | de persoon wordt niet gezien als lid van een bepaalde groep (stereotypering) maar wordt beoordeeld op basis van persoonlijke eigenschappen en gedragingen. |
| Macht | Mensen die afhankelijk zijn van een persoon doen beter hun best zich een accuraat beeld te vormen van de ander dan mensen die niet afhankelijk zijn. |
| Affiliatie | is het opzoeken van gezelschap van anderen. |
| hoofdmotieven voor affiliatie | - Behoefte aan sociale vergelijking (om onzekerheid te verminderen. Hoe moet ik me nu gedragen? Vergelijken met iemand die op je lijkt). - Behoefte om angst te verminderen. - Behoefte aan informatie. |
| hechtingsstijllen | - Afwijzend-vermijdend - Angstig-vermijdend - Veilig - Angstig-obsessief |
| angstig-obsessieve hechtingsstijl | Mensen met een angstig-obsessieve hechtingsstijl hebben een positief beeld van de partner en een negatief beeld van zichzelf en willen veel intimiteit en bevestiging. |
| Afwijzend-vermijdende hechtingsstijl | Afwijzendvermijdende mensen hebben negatieve beelden van anderen en niet van zichzelf. |
| Angstig-vermijdende hechtijngsstijl | Angstigvermijdende mensen hebben zowel negatieve beelden van anderen als van zichzelf. |
| Afwijzend-vermijdende hechtingsstijl | Afwijzendvermijdende mensen gaan intimiteit uit de weg omdat ze er geen behoefte aan hebben en angstig-vermijdende omdat ze zich niet bloot durven geven. |
| Negatieve effect van een tekort aan affiliatie | Eenzaamheid |
| Emotionele besmetting | mensen zijn vaak geneigd om vaak onbewust de emotionele reactie van een ander over te nemen. |
| Eenzaamheid als persoonlijkheidstrek | chronisch. Staat los van de situatie. |
| Eenzaamheid als toestand | tijdelijk (bv bij verhuizen of alleen op een feestje). |
| Sociale eenzaamheid | gebrek aan sociale contacten, sociale isolatie. |
| Emotionele eenzaamheid | afwezigheid van een belangrijk hechtheidsfiguur, zoals een ouder of een intieme partner. |
| Verschillende vormen van sociale steun | - Instrumentele ondersteuning - Informationele ondersteuning - Waarderingsondersteuning -Emotionele ondersteuning |
| Instrumentele ondersteuning | directe, praktische hulp, zoals het helpen bij de huishouding of het lenen van geld. |
| Informationele ondersteuning | zinvolle informatie die je van anderen krijgt, bv over de gevolgen van een bepaalde behandeling als je ernstig ziek bent. |
| Waarderingsondersteuning | bevestiging van je zelfbeeld, bv wanneer je van anderen hoort dat je een competent en waardevol iemand bent en dat je prestaties goed zijn. |
| Emotionele ondersteuning | de psychologische nabijheid en openheid en de daarmee gepaard gaande uitingen van affectie, acceptatie, warmte, vertrouwen en begrip. |
| buffereffect | het beschermt tegen de negatieve invloeden van stress. Alleen al het idee dat er iemand voor je is, maakt je weerbaarder tegen stress. |
| vormen van steun binnen partnerrelaties | - Actieve betrokkenheid - Beschermend bufferen (je zorgen voor de partner verbergen). - Overbescherming (overdreven bezorgdheid en onnodig helpen). |
| Interpersoonlijke attractie | attractieonderzoek richt zich op de factoren die positieve gevoelens voor een specifieke andere persoon doen ontstaan, instandhouden of tegengaan. |
| affectieve dimensie | hoe warm en sympathiek vind je de ander |
| statusdimensie | in maatschappij gewaardeerde eigenschappen, zoals intelligentie enz. |
| Factoren die van invloed zijn op de attractie tussen mensen zijn | - Uiterlijke aantrekkelijkheid - Stereotypering - Sociaal leren - Prestigeverhoging. - Indicatie voor vruchtbaarheid en goede genen. - Ruimtelijke nabijheid - Gelijkheid van attitudes - Zelfonthulling en openheid - Wederkerigheid |
| billijkheidstheorie | volgens de billijkheidstheorie voelen personen zich het prettigst wanneer beide personen het idee hebben ongeveer evenveel in te brengen in de relatie. |
| Driehoektheorie van liefde | liefde: volgens deze theorie zijn er zeven typen van liefde te onderscheiden, die kunnen worden onderscheiden op grond van drie componenten: intimiteit, hartstocht en gebondenheid. |
| relatiefases | - attractiefase - hechtingsfase |
| Excitation transfer | een gevoel van opwinding kan zich op diffuse wijze uitspreiden naar een persoon die er eigenlijk niets mee te maken heeft. (spanning versterkt attractiegevoelens). |
| Gebondenheid wordt bepaald door een aantal factoren | - Tevredenheid. - Kwaliteit en beschikbaarheid van alternatieven. - Investeringen. |
| actor-waarnermerverschil | partners zijn geneigd het negatieve gedrag van hun partner toe te schrijven aan stabiele interne oorzaken en hun eigen gedrag aan instabiele of externe factoren. |
| empathie | door je in te leven in het perspectief van de ander. |
| duurzaamheidsvertekening (durability bias) | heeft betrekking op de tijd die mensen denken nodig te hebben om negatieve gebeurtenissen te verwerken. (Dit wordt meestal overschat). |
| Rusbult, Zembrodt en Gunn onderscheidenmogelijke reacties die mensen kunnen hebben als het slecht gaat met een relatie | - Voice: blijven en actief iets doen om de relatie te verbeteren. - Exit: ervandoor gaan. -Loyalty: blijven en accepteren zonder actief iets aan de relatie te veranderen. -Neglect: blijven zonder iets te doen en zonder dat je het echt iets kan schelen. |
| Emoties | zijn reacties op gebeurtenissen die onze belangen raken, en hebben over het algemeen zowel cognitieve, gedragsmatige als lichamelijke componenten. |
| emotionele inschattingen (appraisals) | taxaties/inschattingen vaneen gebeurtenis of stimulus. |
| Leedvermaak | verschillende oorzaken liggen ten grondslag aan leedvermaak. Bij afgunst voelen we minderwaardig doordat we een opwaartse vergelijking maken. Het leed van de ander zorgt ervoor dat de opwaartse vergelijking omgezet wordt in een neerwaartse vergelijking. |
| Actietendensen | Kenmerken en onderscheiden emoties. Zoals aanvallen bij boosheid. |
| Emoties zijn over het algemeen kortdurend | Over het algemeen wordt aangenomen dat emoties vrij kort duren, variërend van enkele seconden tot enkele uren. Bepaalde gevoelens kunnen langer duren of bij vlagen opkomen, zoals bij wraak of liefde. |
| Emoties worden gereguleerd | Mensen vermijden angstaanjagende situaties, ze proberen van hun schuldgevoelens af te komen, ze uiten hun woede niet en ze proberen hun trillende knieën onder controle te houden. |
| William James' theorie | hij stelde dat de waarneming van lichamelijke veranderingen de emotie is. |
| Labelingstheorie van Schachter | een emotie begint met een diffuse lichamelijke reactie, die vervolgens gelabeld wordt. Het gekozen label bepaalt welke emotie je ervaart. |
| Magda Arnolds theorie | Je neemt iets waar een interpreteert dat. Pas daarna op grond van de appraisal kan een lichamelijke reactie ontstaan. |
| RET: rationeel –emotieve therapie | Gaat uit van de veronderstelling dat het denken het gevoel controleert. Het doel van RET is te leren die verkeerde gedachten in te zien en te corrigeren, hetgeen bevrijdend werkt. |
| verschillende appraisal dimensies (inschatting): | Doelconsistentie Zekerheid Agency Motivationele toestand Controle |
| Doelconsistentie: | is wat er gebeurt wel of niet in overeenstemming met iemands plannen/doelen? In deze dimensie onderscheidt je positieve van negatieve emoties. |
| Zekerheid (emotie) | onzekere situaties roepen emoties als angst, hoop of jaloezie op. |
| Agency | wie heeft de verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd? Deze dimensie heeft dus te maken met de causale attributie die wordt gemaakt. |
| Motivationele toestand | krijg je een beloning? Of vermijd je straf? |
| Controle (emotie) | als je geen controle hebt is wanhoop of angst waarschijnlijk, terwijl boosheid meer waarschijnlijk is als je wel controle hebt. |
| Emoties hebben een object | Emoties gaan ergens over. We zijn boos op iemand, bang voor iets, teleurgesteld over iets, we schamen ons ergens voor. |
| Stemming | als we niet weten waar onze emoties over gaan, ervaren we geen specifieke emotie en hebben we hoogstens een wat vager algemener gevoel van vrolijkheid dan wel neerslachtigheid. |
| Control precedence | de emotie controleert op dat moment alles wat er in het individu omgaat. |
| koude cognities | als je niet emotioneel bent en nadenkt over hoe je zou reageren in een situatie. |
| warme cognities | ziet het er allemaal heel anders uit dan als je in de situatie zit en je emoties de boventoon gaan voeren |
| Appraisal-theorieën gaan er vanuit dat | - Specifieke appraisal-patronen tot specifieke emoties kunnen leiden. - Dat appraisals een voorwaarde zijn voor de totstandkoming van een emotie. Zajonc veronderstelt dat we stimuli sneller evalueren dan dat we ze bewust begrijpen. |
| Affect | een verzamelnaam, het omvat zowel emotie, stemming als evaluatie. |
| Affect-priming | houdt in dat stemming (net als andere primes) invloed heeft op de gedachten die bij ons op komen en op de wijze waarop we externe informatie verwerken. |
| Affect-als informatie | ontstaat doordat onze gevoelens en stemmingen zelf ook als een bron van informatie over onze omgeving kunnen worden opgevat. (Bv je gaat kleding kopen, wat voor gevoel geeft het kledingstuk je?). |
| Mood maintenance-principe | stelt dat mensen die in een positieve stemming zijn dat graag zo willen houden en daarom niet grondig nadenken over informatie. Mensen die in een negatieve stemming zitten willen eruit dus die juist wel grondig nadenken over informatie. |
| promotiefocus | ben je gericht op winst, succes, risico, ontwikkeling en op het bereiken van iets dat je graag wilt. |
| preventiefocus | ben je gericht op verlies, falen, bescherming en het vermijden van iets dat je niet wilt. Individuen verschillen in wat hun overheersende focus is, maar binnen een individu kunnen verschuivingen optreden door omstandigheden. |
| universitaliteitsthese | beweren dat emoties in - elk geval de basisemoties- universeel zijn: ze worden overal opgeroepen in dezelfde typen situaties en ze worden op dezelfde manier geuit of in gedrag omgezet. |
| cultuurspecifieke visie op emoties | daarentegen zien emoties als fundamenteel cultureel bepaald en benadrukken de grote verschillen in de manier waarop emoties worden gevoeld en geuit. |
| Ongeschematiseerde emoties | emoties die in een bepaalde cultuur niet erkend of herkend worden die geen eigen domein hebben, waar geen of nauwelijks expliciete theorieën ideeën of opvattingen over bestaan. |
| Emotietaal heeft verschillende functies | - De beschikbaarheid van een emotiewoord vergemakkelijkt de herkenning. - Emotiewoorden maken het praten over en delen makkelijker - De beschikbaarheid van een emotiewoord plaatst een emotie in een cognitief schema. |
| Containermetafoor | emoties mogen niet worden opgekropt omdat er een hoop energie wordt opgebouwd in het lichaam en die energie moet ontladen worden omdat de druk anders te groot wordt. |
| Emotionele intelligentie | als je kan reflecteren op je emoties, als je in staat bent signalen van anderen over emoties op te vangen en als je je eigen emoties goed kan communiceren en reguleren. Ze zijn in staat hun emoties op een aangepaste manier in te zetten en te gebruiken. |
| sociaal betrokken (socially engaged) emoties | zoals schaamte, schuld, medelijden, blijdschap en empathie. |
| sociaalafstandelijke (socially disengaged) emoties | zoals boosheid en trots. |
| sociaalconstructionisme | zijn emoties en emotionele expressies onderdeel van een sociaal gedeeld betekenissysteem; emoties zijn niet alleen het product van betekenissen, maar generen zelf ook weer betekenissen. |
| Sociale appraisals | het inschatten van de reacties van anderen op een emotionele situatie. |
| Spiegelneuronen | die er automatisch voor zorgen dat ze datgene wat ze zien nadoen. Dezelfde hersengebieden die worden geactiveerd bij pijn of bij emotionele gebeurtenissen, worden eveneens geactiveerd wanneer men iemand anders waarneemt die pijn heeft. |
| Emotieregulatie | het onderdrukken, als ook naar het veranderen of versterken van een emotionele reactie. (Soms automatisch, soms bewust). Emotieregulatie is een specifieke vorm van zelfcontrole. |
| Geanticipeerde emoties | bv. situatie veranderen omdat je een bepaalde emotie wilt voorkomen. |
| Beslissing | een keuze uit een aantal mogelijke handelingen of objecten , op basis van informatie over die handelingen of objecten. |
| normatieve besliskunde | formele modellen opgesteld om het beslissingsproces optimaal te laten verlopen. Deze modellen beschrijven hoe een rationeel persoon zich zou moeten gedragen om optimale beslissingen te nemen. |
| Beschrijvende besliskunde | probeert te achterhalen hoe mensen daadwerkelijk beslissingen nemen. |
| centrale thema’s in literatuur over besliskunde | - Normatief-geïnspireerd onderzoek -Onderzoek dat probeert zicht te krijgen op de relevante cognitieve en motivationele processen die ten grondslag liggen aan beslissingen. |
| Normatief-geïnspireerd onderzoek | richt zich op de vraag in welke mate oordelen en beslissingen (rationeel) optimaal zijn en hoe discrepanties tussen optimaal en geobserveerd gedrag het best verklaard kunnen worden. |
| SEU-model, subjective expected utility –model | Dit model gaat ervan uit dat mensen streven naar nutsmaximalisatie, oftewel een voorkeur hebben voor het alternatief met de grootste door henzelf verwachte opbrengst (nut). |
| Waarschijnlijkheidsinschatting | gaat mensen slecht af. Met name numerieke schattingen van waarschijnlijkheid vinden mensen moeilijk (is een kans van 20% nu veel of weinig?) |
| Monty Hall –probleem | 3 deuren, 1 ervan verbergt prijs, als je een deur kiest en presentator opent er vervolgens 1 en vraagt of je dezelfde deur aanhoud heb je meer kans als je toch voor de andere deur kiest. De presentator weet immers achter welke deur de prijs zit. |
| Heuristieken | Cognitieve strategiën of vuistregels die worden gebruikt om complexe mentale opdrachten éven snel’te vervullen. In tegenstelling tot algoritmen weet je met heuristieken niet zeker of je bij de juiste oplossing komt. |
| heuristieken zijn niet altijd een de juiste oplossing, door: | vertekeningen in de beoordeling en de kwaliteit van beslissingen. Negeren van initiële waarschijnlijkheden Negeren van de grootte van de steekproef |
| Gambler’s fallacy | Als je bij het Risken wel 10 keer achter elkaar geen 6 gooit, denk je bij de volgende worp dat nu die 6 wel gaat komen. Echter al heb je 10 keer achter elkaar 1 gegooid, de kans dat je de 11e keer weer 1 gooit blijft hetzelfde. |
| Beschikbaarheidsheuristiek | De neiging van mensen om die gebeurtenissen meer waarschijnlijk te achten waaraan gemakkelijker gedacht wordt doordat ze meer toegankelijk zijn in het geheugen. |
| Kenmerken van levendige informatie | - emotioneel aansprekend - concreet, waardoor gemakkelijk voorstellingen of beelden opgeroepen worden - nabijheid zowel in tijd als in ruimte |
| Simulatieheuristiek | zelf verzinnen of voorstellen van gebeurtenissen of situaties. Gebeurtenissen die we ons gemakkelijk kunnen voorstellen, worden cognitief toegankelijk en kunnen ons daardoor onevenredig beïnvloeden. |
| emotionele versterking | Het vergelijken met een mogelijk betere uitkomst leidt tot meer negatieve emoties, terwijl het vergelijken met een mogelijk slechtere uitkomst juist tot positieve emoties leidt. |
| Ankering, anker- en- aanpassingsheuristiek | Bij twee vragen over een onderwerp waarin waarden voorkomen gebruiken mensen de waarde uit de eerste vraag als een anker. Hieraan wordt vervolgens de schatting als antwoord op de tweede vraag aangepast. |
| Confirmation bias | De neiging om informatie te zoeken die bestaande ideeën bevestigd. |
| Wederkerigheidsprincipe | In de loop van de evolutie hebben mensen altijd samengewerkt op basis van ruilrelaties: als jij iets doet voor mij, doe ik iets terug voor jou. |
| motivationele factoren die oordelen en beslissingen nadelig kunnen beïnvloeden | - Reductie van angst of onzekerheid - Gebondenheid aan een bepaalde optie, doordat men zich daarvoor heeft uitgesproken of geïnvesteerd heeft in die optie -De behoefte aan sociale erkenning en om ergens bij te willen horen. (groepsdenken) |
| Selectieve waarneming | afsluiten voor bepaalde informatie |
| Pre-decisioneel | fase voordat de beslissing is genomen. Men staat open voor veel informatie en weegt alles af. |
| Post-decisioneel | Nadat de beslissing is genomen sluit men zich af voor informatie die tegen de genomen beslissing pleit, omdat men niet wil gaan twijfelen en opnieuw overwegen. |
| Geanticipeerde spijt | Je vooraf afvragen of je later ergens spijt van kunt krijgen. |
| Teleurstelling | Dit voelen we wanneer uitkomsten slechter zijn dan we vooraf verwacht hadden. |
| Een van de dingen die mensen kunnen doen om teleurstelling te vermijden is ervoor te zorgen dat een uitkomst niet achterblijft bij hun verwachting. | - Door ervoor te zorgen dat een uitkomst niet tegenvalt en dus minimaal gelijk is aan je intiële verwachting. - Door ervoor te zorgen dat je verwachting gelijk is aan de uiteindelijke uitkomst. |
| Descriptieve beslissingsmodellen | beschrijven hoe mensen daadwerkelijk beslissingen nemen. |
| Framen | Het formuleren van een probleem in bepaalde termen. (verliesframe/winstframe (mensenlevens voorbeeld) |
| reflectie-effect | Verschil in voorkeur, afhankelijk van de formulering in winst- dan wel verliestermen |
| Prospect-theorie | gaat ervan uit dat winsten op een andere manier ervaren worden dan verliezen. In de eerste plaats gaat de prospect-theorie ervan uit dat een evenredige toename van winst of verlies niet resulteert in een evenredige toename in subjectieve waardering. |
| Risico | de kans op een gebeurtenis of consequentie, vermenigvuldigd met de ernst van die consequentie. |
| subjectieve kans | Bij dergelijke onzekere gebeurtenissen geeft iemands geloof in het optreden van de gebeurtenis de kans aan. |
| Risicoanalyses | De rangorde van risico’s zoals ingeschat door leken en experts komen redelijk overeen. Het verschil is dat leken geneigd zijn om kleine risico’s te overschatten en grote risico’s te onderschatten. |
| Variabelen die de aanvaardbaarheid van een risico beïnvloeden | -Voordelen of baten die aan een riskante activiteit of technologie verbonden zijn. -Vrijwilligheid waarmee een risico wordt aangegaan. -Hoe onbekender een risico, hoe geringer de acceptatie -Hoe minder beheersbaar n risico, hoe geringer de acceptatie. |
| Onrealistisch optimisme | in het algemeen denken mensen dat positieve gebeurtenissen eerder henzelf dan anderen zullen overkomen. |
| oorzaken die bijdragen aan onrealistisch optimisme | Motivationele factoren; het is bedreigend om te erkennen dat men bepaalde risico’s loopt. Cognitieve factoren Men is zich bewust van de handelingen die gezondheidsrisico’s reduceren of vermijden en men vergeet dat anderen ook maatregelen nemen. |
| Attitudes | de meningen en voorkeuren die mensen erop nahouden. Beoordelingen in termen van goed, positief, benaderbaar, of juist slecht, negatief, tenvermijden. |
| Dimensies van attitudes | - Cognitieve component - Affectieve component - Conatieve (gedrags)component |
| Cognitieve component | (beliefs/opvattingen): toekenning van kenmerken aan objecten of gedragingen. (Bv. dit boek is interessant). |
| Affectieve component | gevoelens en emoties ten opzichte van het object of gedrag. (Bv ik vind het leuk om dit boek te lezen). |
| Conatieve (gedrags)component | de neiging tot handelen met betrekking tot het object van de attitude (Bv. ik lees verder). |
| Structuur van de attitude | verwijst naar de organisatie van verschillende beliefs over een attitude-object en de relaties tussen beliefs en attitude. In het algemeen is het zo dat hoe meer beliefs ten grondslag liggen aan een bepaalde attitude, des te genuanceerder die is. |
| Balanstheorie van Heider | De balanstheorie stelt dat interpersoonlijke verhoudingen in balans of in onbalans kunnen zijn. Ongeblanceerde relaties creeeren een onprettige spanning die verlicht wordt door aanpassing van de verhouding. |
| Cognitieve dissonantietheorie | Gaat uit van het idee dat mensen het onprettig vinden wanneer verschillende ideeën of gedragingen onderling niet overeenstemmen. |
| Functies van attitude | - Kennisfunctie - Instrumentele functie - Ego defensieve functie - Waarde-expressieve functie |
| Kennisfunctie | attitudes helpen ons om snel info te verwerken, ze fungeren als kennisstructuren en bieden als zodanig een kapstok om nieuwe informatie aan op te hangen. |
| Instrumentele functie | mensen ontwikkelen positieve attitudes ten aanzien van objecten die hen voordeel opleveren en negatieve attitudes ten opzichte van objecten die hen nadelig zijn. Op die manier helpen attitudes ons om ons doel te verwezenlijken en snel te beslissen. |
| Ego defensieve functie | om je zelfwaardering op peil te houden doordat je jezelf beter vind dan anderen omdat jij je opvattingen de juiste is. Ze kunnen ook een functie hebben om sociale goedkeuring te verkrijgen. |
| Waarde-expressieve functie | Attitudes dienen als zelfexpressie, oftewel als middel om je identiteit als individu te bekrachtigen. |
| Sociaal leren/modeling | gedrag van belangrijke personen (bv vrienden) imiteren (bv roken). |
| Klassieke conditionering | een vorm van leren waarbij een stimulus die een aangeboren reflex oproept, wordt geassocieerd met een voorheen neutrale stimulus, die daarop het vermogen verwerft om dezelfde respons op te roepen. (geconditioneerde respons). |
| Operante conditonering | leren waarbij de consequenties vn gedrag kunnen aanzetten tot een gedragsverandering. Deze consequenties bestaan uit positieve bekrachtiging en negatieve bekrachtiging(toedienen van aversieve stimulus) en negatieve straffen(verwijderen vn positieve S). |
| Mere exposure | louter blootstelling aan een object kan bijdragen aan de attitudevorming. Naarmate mensen vaker aan een stimulus zijn blootgesteld, worden deze over het algemeen positiever beoordeeld. |
| Sociale vergelijking | Stelt dat mensen, om na te gaan of zij er de juiste denkbeelden en opinies op nahouden, zich spiegelen aan anderen. Daarvoor kiezen zij bij voorkeur personen uit die in bepaalde opzichten op hen lijken. |
| conformisme | dat wil zeggen dat we onze attitudes aanpassen aan de groep. |
| Expliciete attitude-meetmethoden | Met behulp van de semantische differentiaal kunnen verschillende objecten met elkaar worden vergeleken. En de Likert- schaal. |
| Likert-schaal | indirecte meting, meten een positieve/negatieve houding tegenover het onderwerp. |
| Impliciete meetmethoden | observatie van gedrag en fysiologische reacties. |
| MODE-model | Attitudes die voortkomen uit directe ervaring zijn sterker, en hebben meer invloed op gedrag dan zwakke. Hoe toegankelijker de attitude (bv. door herhaling), des te groter is de kans dat die attitude het gedrag beïnvloedt. |
| model van gepland gedrag (Ajzen) | wordt gedrag bepaald door de intentie/plannen van mensen; de intentie wordt bepaald door de attitude , de sociale norm (conformeren) en de ervaren gedragscontrole (de mate waarin men denkt daadwerkelijk in staat te zijn het gedrag te vertonen). |
| Attitude-ambivalentie | de mate waarin een persoon zowel voor- als nadelen van een bepaald gedrag ervaart. Ambivalente attitudes zijn minder sterk, het is makkelijker iemand te overtuigen als iemand voor- en nadelen van een bepaald onderwerp ziet ipv. alleen maar voordelen. |
| Tailoring | afstemmen op de ideeën van de ontvanger (bv bij voorlichting, zo maak je de meeste indruk en de beste kans om iemand over te halen). |
| Vertekeningen in gepland gedrag | - mensen met een langer tijdsperspectief denken ook aan de langetermijn gevolgen. -false-consensuseffect mensen zijn geneigd te overschatten hoe groot het aantal mensen is wat hun mening of voorkeur deelt. - illusie van controle |
| Verschillende psychologische factoren die inwerken op de relatie tussen attitude en gedrag | - Attitudesterkte - Persoonlijkheidsvariabelen - Implentatie- intentie - Voet in de deureffect |
| Attitudesterkte | sterke attitudes zijn betere voorspellers van gedrag dan zwakke attitudes, een attitude heeft een groter belang naarmate er meer persoonlijke consequenties aan verbonden zijn. |
| Persoonlijkheidsvariabelen | mensen met een hoge self-monitoring kijken als het ware via anderen naar henzelf, zei zijn goed in het aanpassen van gedrag en hebben dus een lagere relatie tussen attitudes en gedrag ten opzichte van mensen die lage self-monitoring hebben. |
| need for cognition | iemands neiging tot nadenken. |
| Implentatie-intentie | plannen over gewenst gedrag in de vorm ‘als situatie X zich voordoet dan reageer ik zo’. Zo kun je beter je doel bereiken. |
| Attitude afleiden van gedrag | bij een zwakke attitude komt er geen duidelijk signaal van ‘binnenuit’ dus moet je het van je gedrag afleiden (bv. ik geef geld aan een goed doel, dus ik vind dit blijkbaar een goed doel). |
| Cognitieve-responsbenadering | gaat ervan uit dat attitudeverandering samenhangt met de mate waarop een boodschap gunstige gedachten weet op te roepen. |
| tough listing | deelnemers worden simpelweg gevraagd alle gedachten op te schrijven die ze tijdens de boodschap hadden. |
| Message-learning benadering | - Eerst moet de boodschap aandacht krijgen van de beoogde ontvanger. - Vervolgens is het noodzakelijk dat de ontvanger de inhoud van de boodschap begrijpt. - Ten derde moet de ontvanger de inhoud ook accepteren en overtuigd raken. |
| Elaboration likelihood model (ELM) | de kans dat een boodschap uitvoerig wordt overdacht. |
| Het ELM gaat ervan uit dat er twee manieren zijn van info-verwerking | - Systematische verwerking/centrale route - Heuristieke verwerking/perifere route |
| Systematische verwerking/centrale route | men relateert de inhoud van de boodschap aan reeds aanwezige info. Men denkt na over de boodschap, sterke argumenten zijn hier nodig voor attitudeverandering. |
| Heuristieke verwerking/perifere route | oppervlakkige verwerking, hoeft de boodschap niet te begrijpen maar zich er goed bij voelen. |
| Heuristisch-Systematisch Model | onderscheidt vormen van motivatie |
| Accuraatheidsmotivatie | de behoefte om er een juiste mening op na te houden (iemand kan het belangrijk vinden te weten of FBTO de goedkoopste is). |
| Defensieve motivatie | de behoefte om eenmaal opgebouwde meningen niet zomaar weer op te geven. |
| Impressiemotivatie | de behoefte om een bepaalde indruk te maken op anderen. |
| Inoculation (inenting) | door blootgesteld te worden aan een kleine dosis argumenten die de tegenstander gaat gebruiken wordt men resistent gemaakt tegen die argumenten, waardoor ze minder impact zullen hebben. (Daardoor kan een tweezijdige boodschap handig zijn). |
| Proust-effect | herinneringen vergezeld van geur zijn emotioneler en men heeft sterker het gevoel de herinnering te herleven. |
| Mindlessness | men reageert automatisch op de signaalstimulus (cue) en luistert niet naar wat er écht gezegd wordt (bv bij een verzoek het woordje ‘want’, of de reden die daarop volgt relevant is of niet doet er niet toe). |
| Stel-je-eens voor techniek | zo levendig mogelijk je voor te laten stellen (bv bij reclame, werkt echt). |
| Contrastprincipe | bv verkopers laten eerst het duurste product zien, dan een goedkopere, die lijkt dan heel goedkoop. |
| Door-in-the-face techniek | eerst een groot verzoek doen waarvan je vrijwel zeker bent dat die wordt geweigerd, dan gooit de ander dus de deur in je gezicht, dan komen met een kleiner verzoek. (deze techniek doet een beroep op wederkerigheid). |
| That’s not all techniek | bv bij het verkopen van iets snel nog een aanbod doen waardoor het lijkt dat je een concessie hebt gedaan de andere zal dan ook iets doen, het kopen (van tellsell). |
| Foot-in-thedoor techniek | eerst een klein verzoek, dan een groot verzoek, want mensen willen consistent blijven met hun attitudes en gedrag. |
| Low-balling | je begint met een aantrekkelijk aanbod,daarna trek je voor een goed excuus het aantrekkelijke aanbod terug. Het minder aantrekkelijke aanbod zal waarschijnlijk dan toch worden aangenomen, terwijl dat in het begin niet het geval zou zijn. |
| Schaarsteprincipe | mensen zijn geneigd een object meer waarde toe te kennen naarmate het moeilijker verkrijgbaar is. |
| Autokinetisch effect | optische illusie; wanneer we ons in een compleet verduisterde ruimte bevinden met daarin een onbeweeglijk lichtpuntje, hebben we door de werking van ons oog de illusie dat het lichtpuntje beweegt. |
| Informationele invloed | mensen gaan af op de informatie uit de groep waarin ze zich bevinden?Juiste antwoord onduidelijk. Als ze hun antwoord aanpassen ligt dat aan dat ze hun eigen antwoord niet helemaal vertrouwen. |
| Normatieve invloed | mensen passen zich aan aan de norm binnen de groep. Juiste antwoord duidelijk, maar je wilt hetzelfde antwoord geven als anderen om een goede indruk te maken, beperkt zich alleen tot de situatie, individueel komen zij terug op hun eigen antwoord |
| soorten conformisme | - Informationeel conformisme - Normatief conformisme |
| Informationeel conformisme | het juiste antwoord is niet zeker, daarom gebruiken deelnemers elkaars oordelen als informatie over de werkelijkheid om zo een norm te ontwikkelen. |
| Normatief conformisme | de oordelen van een andere persoon als norm voor gewenst gedrag in een bepaalde situatie. |
| Principe van bekering/conversie | de minderheid consistent en eenduidig bij zijn mening blijft, dan wordt de meerderheid onzeker en zal zij het minderheidsstandpunt meer centraal/systematisch gaan verwerken. |
| Sociale identiteitstheorie | de manier waarop we onszelf zien wordt mede bepaald door de groepen waar we deel van uitmaken. Bevordert positief zelfbeeld. |
| Optimale distinctiviteitstheorie | mensen zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds ergens bijhoren en anderzijds uniek en distinctief zijn (dit evenwicht vind je het best in kleine groepen). |
| Specifieke statuskarakteristieken | kenmerken die direct gerelateerd zijn aan iemands mogelijkheid om de groepstaak in kwestie tot een succes te brengen (bv iemand met veel ervaring als voetbaltrainer). |
| Diffuse statuskarakteristieken | de ene persoon komt over het algemeen meer als leider over dan de andere (door bv uiterlijk, dominantie etc). |
| Sociale faciliteitstheorie | de aanwezigheid van anderen zorgt voor arousal, dat op zijn beurt weer zorgt om dominante responsen te vertonen. De aanwezigheid van anderen faciliteert de dominante respons. |
| Afleiding-en-conflicttheorie | er ontstaat conflict, moet aandacht verdelen tussen taak en aanwezige persoon. De spanning die dit conflict met zich meebrengt versterkt het optreden van dominante responsen. |
| Social loafing (motivatieverlies) | bv bij touwtrekken in grote groepen, mensen hebben dan het gevoel dat ze minder worden opgemerkt en dat hun individuele prestatie minder invloed heeft op het eindresultaat, hierdoor doen ze in groepen minder moeite. |
| Free ridereffect | profiteren van anderen, zelf niets doen, meeliften op anderen. |
| Sucker-effect | zelf veel doen, iemand laten meeliften. |
| Competitieve afhankelijkheid | tegengestelde belangen (2 werknemers vechten voor dezelfde baan). |
| Coöperatieve afhankelijkheid | dezelfde belangen (echtpaar wil graag kind). |
| Mixed-motive-situaties | een complexe mix van verschillende motieven bepaald hier het gedrag. (Aan de ene kant elkaar nodig hebben, coöperatief, en aan de andere kan competitief zijn). |
| Defectieve keuze | keuze die je eigen belangen dient. |
| Coöperatieve keuze | keuze die het gemeenschappelijk belang dient. |
| Bevordering inzet groepsbelang | - Structurele oplossingen: defectief gedrag afstraffen en coöperatief gedrag belonen. - Niet-structurele oplossingen: bevordering van groepscohesie leidt tot coöperatie. |
| Overrechtvaardiging | mensen denken het voor de beloning te doen, en niet uit intrinsieke motivatie. |
| Waarom brainstormen niet beter werkt dan individueel ideeën verzinnen | - Door angst voor evaluatie - Motivatieverliezen - Interferentie |
| Groepspolarisatie | groepsdiscussie zorgt ervoor dat de mening van groepsleden meer extreem wordt in die richting waartoe men aanvankelijk al neigde (aanvankelijke standpunt van de meeste groepsleden) |
| Groepsdenken | wanneer het streven naar een consensus binnen de groep belangrijker is dan het nemen van de juiste beslissing. |
| Omstandigheden die de kans op groepsdenken bevorderen | -Grote groepscohesie. -Sterke isolatie van de groep (weinig contact met mensen buiten de groep). -Hoge stress (bv je moet nú beslissen!) -Directief leiderschap (de leider is sturend). -Tekortschietende procedures. |
| Charismatisch/transformationeel leiderschap | leiderschap dat ondergeschikten motiveert om het beste uit zichzelf te halen en collectief belang voorop te stellen. Dit leiderschap werkt beter dan; |
| transactioneel leiderschap | gericht op individueel eigenbelang, straffen, belonen, controleren enz. |
| Categorisatie | Het waarnemen van iemand als lid van een groep in plaats van als individu. |
| Categorie-accentuatietheorie | Verschillen tussen categorieën worden geaccentueerd, doordat men de categorieën met elkaar gaat contrasteren. De verschillen binnen categorieën daarentegen worden via assimilatie geminimaliseerd. |
| Ingroup | categorieën waartoe je behoort. |
| Outgroup | categorieën waartoe je niet behoort. |
| Intergroepscontext | de ingroup-outgroup-categoriesaties zijn erg flexibel en hangen af van wat er op dat moment saillant is. |
| Ingroup-favoritisme | we hebben de neiging om een ingroup-lid te bevoordelen boven leden van de outgroup. |
| Sociale-identiteitstheorie | Mensen ontlenen een positieve sociale identiteit aan de groepen waarvan ze lid zijn, zelfs als dat lidmaatschap heel tijdelijk en willekeurig is. Om hun zelfwaardering hoog te houden, gaan ze een groep waar ze bij horen positiever zien dan andere groepen. |
| Outgrouphomogeniteit | we hebben meer oog voor verschillen tussen leden van de ingroup dan verschillen tussen leden van de outgroup (alle chinezen lijken op elkaar! |
| Mogelijke oorzaken voor outgrouphomogeniteit | - We zijn meer geneigd om in stereotype termen te denken. - Informatie over ingroup-leden wordt nauwkeuriger verwerkt. - We willen graag uniek zijn. - We zijn meestal meer bekend met onze eigen groep, we zien de outgroup vaak collectief optreden. |
| vooroordeel | een affectieve (gevoelsmatige) reactie die je ervaart over een bepaalde groep, zonder dat je mensen uit deze groep persoonlijk hoeft te kennen. |
| discriminatie | Een persoon behandelen op basis van hun groepslidmaatschap. |
| Modern racisme | Vroeger zeiden mensen openlijk dat vrouwen achter het aanrecht hoorden, dat Surinamers niet wilde werken en dat homoseksualiteit een ziekte was. Vandaag de dag zijn er nog steeds mensen die dat denken, alleen zeggen ze het niet meer. |
| Meten van discriminatie | kun je het beste doen door daadwerkelijk gedrag te observeren. Je kunt bijvoorbeeld nagaan in hoeverre mensen van bepaalde groepen worden toegelaten bij uitgaansgelegenheden over worden uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken. |
| f-schaal | om te kunnen meten of iemand een autoritaire persoonlijkheid heeft. Deze schaal meet onderdanigheid, conservatisme, agressie, voorkeur voor macht en stoerheid, eigenschappen op anderen, gebrek aan introspectie en een destructieve en cynische blik. |
| Illusoire correlatie | mensen zien samenhang tussen kenmerken die er in feite niet is. Negatief gedrag bij een minderheidsgroep valt extra op. |
| Just world-hypothese | We zijn gemotiveerd om de wereld om ons heen als rechtvaardig te zien. In deze wereld krijgt iedereen wat hij of zij verdient, willen we graag geloven. |
| Sociale-roltheorie | De rol die je krijgt in de samenleving is vaak van invloed op hoe je je gedraagt. |
| Realistische groepsconflicttheorie | Negatieve vooroordelen ontstaan als gevolg van conflicten tussen groepen om schaarse goederen. Andersom moet de groep die zich wel meester kan maken van de schaarse goederen, voor zichzelf rechtvaardigen dat zij wel iets krijgen en de andere groep niet. |
| Volgens Lepore en Brown | is stereotypering niet onvermijdelijk: laagbevooroordeelde mensen kennen het culturele sterotype wel, maar zij gebruiken het zo weinig dat er geen automatische activatie optreedt bij confrontatie met iemand uit de gestereotypeerde groep. |
| Attributionele ambiguïteit | er zijn twee tegenstrijdige attributies mogelijk om te verklaren waarom je op een bepaalde manier wordt behandeld. |
| Subtypering | afwijkende groepsleden ga je zien als een aparte subgroep van de categorie. Het wordt dus atypisch voor de groep als geheel gezien. Hierdoor blijft het stereotype van de categorie onaangetast. |
| Metastereotypen | zijn stereotypen over stereotypen; wat je denkt dat andere mensen over jou denken over mensen in jou categorie. |
| Stereotypedreiging | Het idee dat je je gedraagt overeenkomstig met het stereotype. Dit idee is zo bedreigend dat je er gespannen van raakt en niet goed meer kunt functioneren. |
| Contacthypothese | relaties tussen groepen kunnen worden verbeterd door groepen met elkaar in contact te brengen. Het idee mensen elkaar dan meer als individuen gaan zien waardoor stereotypen en vooroordelen verdwijnen. |
| Voorwaarden waaraan het contact tussen groepen moet voldoen om succesvol te zijn | - een vergelijkbare status hebben. - een gemeenschappelijk doel hebben dat alleen door samenwerking kan worden bereikt. -Er moet een ruimte zijn voor persoonlijke contacten tussen de groepen. -De autoriteiten moeten ondersteuning bieden. |
| Jigsaw-methode (legpuzzel): | Scholieren moeten in groepen van zes met elkaar samenwerken aan een specifieke opdracht. Van ieder lid van de groep wordt verwacht dat deze een deel van de opdracht voorbereidt en presenteert. |
| Prosociaal gedrag | omvat alle gedrag en alle acties die door de samenleving als positief gewaardeerd worden en op de een of andere wijze positieve gevolgen hebben voor het lichamelijke of psychische welzijn van anderen. |
| Helpen (subcategorie van prosociaal gedrag) | handelingen met als doel het welzijn van een ander levend wezen of groep te bevoordelen. |
| Altruïsme | als prosociaal gedrag of hulp wordt gemotiveerd door de wens om het welzijn van een ander te bevorderen, zonder dat daar enige beloning tegenover staat voor de gever of de helper. |
| Inclusive fitness | is de totale kans dat iemands genen worden doorgegeven aan toekomstige generaties. De neiging om mensen te helpen neemt toe naarmate ze meer genetisch aan elkaar gelijk zijn. |
| Empathic distress | onplezierige spanning als men anderen ziet lijden. |
| Empathic joy | delen van vreugde. |
| Personal distress | onaangename gevoelens die op jezelf gericht zijn. |
| Empathic concern | gevoelens gericht op degene in nood (bv bezorgdheid). Wanneer mensen handelen om van hun eigen personal distress af te komen na het zien van de nood om anderen spreken van van empathic distress als verklaring voor het hulpgedrag. |
| empathie-altruïsme | is het doel het welzijn van anderen bevorderen. |
| Pluralistic ignorance | men weet met z’n allen niet wat eraan de hand is en kijkt naar anderen om te kijken hoe die reageren (collectieve besluiteloosheid). |
| Audience inhibition | geen hulp verlenen omdat ze bang zijn raar over te komen. |
| Darley &Latané stappen van het omstandereffect | Stap 1: Noodsituatie opmerken. Stap 2: De situatie interpreteren. Stap 3: Verantwoordelijkheid nemen. Stap 4: Besluiten welke hulp nodig is. Stap 5: Besluiten om daadwerkelijk hulp te verlenen. |
| factoren die bepalen of mensen helpen | - Sociale verantwoordelijkheid en interne controle. - Geloof in een rechtvaardige wereld. - Empathie |
| Altruïstische persoonlijkheid | als men de bovenstaande factoren bezit + een laag egocentrisme. |
| Interpersoonlijke invloeden spelen een rol bij de kans om geholpen te worden | - Aantrekkelijkheid. - Attributie van verantwoordelijkheid (eigen schuld dikke bult?) - Gelijkenis en relatie tussen slachtoffer en hulpverlener. |
| Agressie | is gedrag dat als doel heeft om op enigerlei wijze schade of pijn toe te brengen. |
| Instrumentele agressie | intentioneel iemand pijn doen om bv een wedstrijd te winnen. |
| Indirecte agressie | achter iemands rug om (bv roddelen). |
| Directe agressie | face-to-face (bv. uitschelden). |
| Emotionele of vijandige agressie | wanneer agressie geen ander doel heeft dan het toebrengen van letsel of schade. |
| Catharsis | het afvloeien van opgehoopte energie (niet bewezen). |
| Displacement | men reageert frustratie af op iemand die er niets mee te maken heeft. |
| Wapenseffect | als je boos bent maakt het zien van wapens je agressiever. |
| Vijandige attributievertekening | de neiging om kwade bedoelingen toe te schrijven aan ambigu gedrag van anderen. |