Welcome to StudyStack, where users create FlashCards and share them with others. Click on the large flashcard to flip it over. Then click the green, red, or yellow box to move the current card to that box. Below the flashcards are blue buttons for other activities that you can try to study the same information.
Reset Password Free Sign Up

Free flashcards for serious fun studying. Create your own or use sets shared by other students and teachers.

Remove ads
Don't know (0)
Know (0)
remaining cards (0)
To flip the current card, click it or press the Spacebar key.  To move the current card to one of the three colored boxes, click on the box.  You may also press the UP ARROW key to move the card to the "Know" box, the DOWN ARROW key to move the card to the "Don't know" box, or the RIGHT ARROW key to move the card to the Remaining box.  You may also click on the card displayed in any of the three boxes to bring that card back to the center.

Pass complete!

"Know" box contains:
Time elapsed:
restart all cards

Embed Code - If you would like this activity on your web page, copy the script below and paste it into your web page.

  Normal Size     Small Size show me how

Dutch Module 1

Basic Vocab

Wenen To Weep
Zwemmen To Swim
Oefenen To Exercise
Anngenaam Nice to meet you
Schriftelijke Written, in writing
Mondeling Oral
Als Like, as (as in, like that)
Uitstekend Outstanding!
Nog Still, so far
Wel But, however (point of contrast). Het huis is niet groot; de tuin is wel groot.
Huilen To cry, whine, snivel
Belangare Important
Mee Along (bring along with...)
de winter winter
de lente spring
de zommer summer
de herfst autumn
schrikkeljaar Leap Year
Verplicht Required
Iemand Someone
Bekende Famous
Verwittig RSVP
Mogen, Mag Ik May I
Volgende Next, following
Vorige, Vorig Last, previous
Overmorgen Day after tomorrow
Histeren Yesterday
baar able (drinkable=drinkbaar)
GAAN Ik ga Jij gaat Hij/zij gaat Wij/jullie/zijn GAAN
STAAN Ik Sta, jij staat, h/zij staat, wij/jullie/zijn staan
HEBBEN Ik heb, jij hebt, h/zij heeft, wij/jullie/zijn hebben
ZIJN Ik ben, jij bent, h/zij bent, w/j/z zijn
ZULLEN Ik zal, jij zult, h/zij zal, w/j/z zullen
KUNNEN Ik kan, jij kunt, h/zij kan, w/j/z kunnen
PASSEN Ik pas, jij past, h/zij past, w/j/z passen
ETEN Ik eet, jij eet, h/zij eet, w/j/z eten
HETEN Ik heet, jij heet, h/zij heet, w/j/z heten
METEN Ik meet, jij meet, h/zij meet, w/j/z meten
WETEN Ik weet, jij weet, h/zij weet, w/j/z weten
KOPIËREN Ik kopieer, jij kopieert, h/zij kopieert, w/j/z kopiëren
LEREN Ik leer, jij leert, h/zij leert, w/j/z leren
DRAGEN Ik draag, jij draagt, h/zij draagt, w/j/z dragen
LEZEN Ik lees, jij leest, h/zij leest, w/j/z lezen
KIEZEN (twee klank, ie, oe, ou, au) Ik kies, jij kiest, h/zij kiest, w/j/z kiezen
Created by: orlisawyer

bad sites Copyright ©2001-2016  StudyStack LLC   All rights reserved.